Klein woordenboek Spaans-Nederlands en vv met 339183 woorden

Ga naar woordenboek Nederlands-Spaans; Ir a diccionario holandés-español.

Klik op de eerste letter van het gezochte Spaanse woord uit de rij aangeduid met 1e. Indien de rij met 2e, 3e, 4e etc. aanwezig is, kies dan ook de tweede, derde, vierde ... letter.
Elija el primer carácter de la palabra española buscada de la fila indicada con 1e. Cuando también hay una fila indicada con 2e, 3e, 4e, etc. elija el segundo, tercer, cuarto ... carácter.

Laatst gewijzigd:   29 Oct 2012  ; última actualización: 29 Oct 2012.

Tenerife, isla de la primavera eterna

1e 0‑9 A B C D E F G HI J K L M N Ñ O P Q R S T U V W X Y Z ß

2e -ab c d ef g j l m n oñpq r s tvwx z

3ea einu

4e _ d g i m n s

<-- Vorige/ Anteriorpalabras comenzando con
woorden beginnend met
IBAVolgende/ Siguiente -->

Spaans/españolNederlands/holandés
ibaprimera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
1Encaminarse.ik begaf meeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
Lettergrepen: ik be·gaf me

ALLE betekenissen van het woord 'Begeven':
(overgankelijk werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
(wederkerend werkwoord; begaf zich, heeft zich begeven)
1 ergens heengaan.
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze begaf zichderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze liep van stapelderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
ik liep van stapeleerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze liepderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
ik liepeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'

ALLE betekenissen van het woord 'Lopen':
(werkwoord; liep, heeft gelopen)
1 bezig zijn met.
(onovergankelijk werkwoord; loper)
1 (liep, heeft/is gelopen) zich te voet voortbewegen
2 (liep, heeft/is gelopen) rennen
3 (liep, heeft/is gelopen) (van zaken) zich voortbewegen
4 (liep, is gelopen) vloeien, stromen
5 (liep, heeft gelopen) (van instrumenten) functioneren, in werking zijn
6 (liep, heeft gelopen) (van tijd en wat daarin voorvalt) gaande zijn, doorgaan
7 (liep, heeft gelopen) zich uitstrekken, gelegen zijn
8 (liep, heeft gelopen) verlopen, zich ontwikkelen
9 (liep, heeft gelopen) zich lenen om erop of erin te lopen
10 (liep, heeft gelopen) door zich te voet voort te bewegen in een bepaalde toestand of positie brengen
11 (liep, heeft gelopen) zich in de genoemde toestand bevinden.
(overgankelijk werkwoord; liep, heeft gelopen)
1 volgen, deelnemen aan.
  wn
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze verliepderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fuera
Fuese
Fui
Me encaminaba
Me encaminara
Me encaminase
Me encaminé
Se encaminaba
Se encaminara
Se encaminase
Se encaminó
ik verliepeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'
Lettergrepen: ik ver·liep

ALLE betekenissen van het woord 'Verlopen':
(bijvoeglijk naamwoord; verlopener, meest verlopen)
1 aan lagerwal geraakt.
(onovergankelijk werkwoord; verliep, is verlopen)
1 (van tijd) verstrijken
2 na enige tijd ongeldig worden
3 zich afspelen
4 gaandeweg minder bezocht of beoefend worden
5 in zijn verloop van profiel veranderen
6 (van zetsel) in een andere regel, op een volgende kolom of bladzijde komen.
  wn
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
2Ir en vehículo.hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze gingderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
ik gingeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
  wn  we
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze kardederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
ik kardeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
Lettergrepen: ik kar·de

ALLE betekenissen van het woord 'Karren':
(onovergankelijk werkwoord; karde, heeft/is gekard)
1 (informeel) rijden.
  wn
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze reedderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
ik reedeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'

ALLE betekenissen van het woord 'Rijden':
(onovergankelijk werkwoord; rijder)
1 (reed, heeft/is gereden) (van voertuigen) zich voortbewegen
2 (reed, heeft gereden) (van voertuigen, wegen) zo aanvoelen bij het voortbewegen als de bepaling noemt
3 (reed, heeft gereden) op en neer, heen en weer gaan.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen met (een voertuig)
2 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen op (een rijdier)
3 (reed, heeft gereden) met een voertuig vervoeren.
  wn
  _tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze voerderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
  _primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba en vehículo
ik voereerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
Één lettergreep

ALLE betekenissen van het woord 'Varen':
(de; varens)
1 overblijvende sporenplant van de klasse Pterophyta.
(onovergankelijk werkwoord; vaarder)
1 (voer, heeft gevaren) (van een vaartuig) door het water bewegen
2 (voer, heeft gevaren) als zeeman werken
3 (voer, is gevaren) (archaïsch) gaan.
(overgankelijk werkwoord; voer, heeft gevaren)
1 (ook absoluut) zich voortbewegen met een vaartuig
2 per schip of boot vervoeren.
  wn
iba"iba a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFue a
Fuera a
Fuese a
Fui a
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging naarderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'
  _"iba a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'
  sFue a
Fuera a
Fuese a
Fui a
ik ging naareerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
iba"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  buscar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'buscar'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
1.hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze bracht medederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik bracht medeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
  _"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze bracht meederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik bracht meeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'

ALLE betekenissen van het woord 'Meebrengen':
(overgankelijk werkwoord; bracht mee, heeft meegebracht)
1 bij zich hebben
2 in de aard liggen van, van nature vertonen.
  wn
  _"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze nam meederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik nam meeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'

ALLE betekenissen van het woord 'Meenemen':
(overgankelijk werkwoord; nam mee, heeft meegenomen)
1 met zich voeren, zich laten vergezellen door
2 profijt hebben van
3 in één moeite door verrichten.
  wn
  _"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze vergaderdederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik vergaderdeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'
Lettergrepen: ik ver·ga·der·de

ALLE betekenissen van het woord 'Vergaderen':
(onovergankelijk werkwoord; vergaderde, is vergaderd; vergadering)
1 in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen.
(overgankelijk werkwoord; vergaderde, heeft vergaderd)
1 (formeel) bijeenzamelen.
  wn
  _"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
2.hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze haalde afderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik haalde afeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'
Lettergrepen: ik haal·de af

ALLE betekenissen van het woord 'Afhalen':
(overgankelijk werkwoord; haalde af, heeft afgehaald)
1 (iets dat gereed ligt) in ontvangst komen nemen
2 (iemand) ergens gaan halen om hem naar elders te begeleiden
3 van zijn plaats verwijderen
4 (iets) door trekken van iets anders ontdoen.
  wn
  _"iba a buscar a":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze haalde opderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'
  _"iba a buscar a":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'
  sFue a buscar a
Fuera a buscar a
Fuese a buscar a
Fui a buscar a
ik haalde opeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'
Lettergrepen: ik haal·de op

ALLE betekenissen van het woord 'Ophalen':
(overgankelijk werkwoord; haalde op, heeft opgehaald)
1 omhooghalen
2 afhalen en meenemen
3 in de herinnering terugroepen, in herinnering brengen
4 opfrissen, verbeteren.
  wn
iba"iba a la deriva":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  la
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'la'
  deriva
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze dreef afderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
  _"iba a la deriva":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
ik dreef afeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
Één lettergreep

ALLE betekenissen van het woord 'Afdrijven':
(onovergankelijk werkwoord; dreef af, is afgedreven)
1 uit de gestuurde koers gedreven worden
2 door de wind weggedreven worden.
(overgankelijk werkwoord; dreef af, heeft afgedreven; afdrijving)
1 (geneeskunde) uit het lichaam verwijderen
2 (scheikunde) (goud, zilver) zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is.
  wn
  _"iba a la deriva":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze dreefderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
  _"iba a la deriva":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
ik dreefeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
Één lettergreep

ALLE betekenissen van het woord 'Drijven':
(werkwoord; dreef, heeft gedreven)
1 aansporen, bewegen tot.
(onovergankelijk werkwoord; drijver)
1 (dreef, heeft/is gedreven) aan de oppervlakte van een vloeistof blijven
2 (dreef, heeft/is gedreven) in de lucht zweven
3 (dreef, heeft gedreven) doornat zijn.
(overgankelijk werkwoord; dreef, heeft gedreven)
1 voor zich uit doen gaan
2 (handel) plegen, (een zaak) leiden
3 slaan
4 figuren op metaal uitkloppen.
  wn
  _"iba a la deriva":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze was op driftderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
  _"iba a la deriva":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'
  sDerivaba del rumbo
Derivara del rumbo
Derivase del rumbo
Derivé del rumbo
Derivó del rumbo
Fue a la deriva
Fuera a la deriva
Fuese a la deriva
Fui a la deriva
ik was op drifteerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
Één lettergreep
iba"iba a ocupar":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  ocupar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ocupar'
  sFue a ocupar
Fuera a ocupar
Fuese a ocupar
Fui a ocupar
ik nam mijn intrekeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
  _"iba a ocupar":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'
  sFue a ocupar
Fuera a ocupar
Fuese a ocupar
Fui a ocupar
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze nam zijn intrekderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
  _"iba a ocupar":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'
  sFue a ocupar
Fuera a ocupar
Fuese a ocupar
Fui a ocupar
ik sloeg mijn tenten opeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
  _"iba a ocupar":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'
  sFue a ocupar
Fuera a ocupar
Fuese a ocupar
Fui a ocupar
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze sloeg zijn tenten opderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze trok inderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'
  _"iba a ocupar":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'
  sFue a ocupar
Fuera a ocupar
Fuese a ocupar
Fui a ocupar
ik trok ineerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'

ALLE betekenissen van het woord 'Intrekken':
(werkwoord; trok in, is ingetrokken)
1 gaan inwonen bij, samenwonen met.
(onovergankelijk werkwoord; trok in, is ingetrokken)
1 indringen in, opgezogen worden door
2 (van hout enz.) krimpen.
(overgankelijk werkwoord; trok in, heeft ingetrokken)
1 door trekken achteruit, naar binnen brengen
2 terugnemen, herroepen
3 (militair, leger) terugroepen zonder te vervangen.
  wn
iba"iba a través de":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  través
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'través'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze kwam doorderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'
  _"iba a través de":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
ik kwam dooreerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'

ALLE betekenissen van het woord 'Doorkomen':
(onovergankelijk werkwoord; kwam door, is doorgekomen)
1 zijn, haar weg nemen
2 ten einde brengen, doorstaan
3 door iets heen dringen.
  _"iba a través de":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze maakte doorderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'
  _"iba a través de":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
ik maakte dooreerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'
Lettergrepen: ik maak·te door

ALLE betekenissen van het woord 'Doormaken':
(overgankelijk werkwoord; maakte door, heeft doorgemaakt)
1 ondergaan, beleven.
  _"iba a través de":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze trok doorderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'
  _"iba a través de":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'
  sAtravesaba
Atravesara
Atravesase
Atravesé
Atravesó
Fue a través de
Fuera a través de
Fuese a través de
Fui a través de
ik trok dooreerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'

ALLE betekenissen van het woord 'Doortrekken':
(onovergankelijk werkwoord; trok door, heeft doorgetrokken)
1 voortgaan met trekken.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; trok door, heeft doorgetrokken) het toilet doorspoelen
2 (doortrok, heeft doortrokken) naar een verder gelegen punt voortzetten
3 (trok door, heeft doorgetrokken) door trekken doen breken, kapotmaken.
(overgankelijk werkwoord; doortrok, heeft doortrokken)
1 in alle delen doen doordringen.
  wn
iba"iba de compras":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  compras   sFue de compras
Fuera de compras
Fuese de compras
Fui de compras
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging winkelenderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'
  _"iba de compras":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'
  sFue de compras
Fuera de compras
Fuese de compras
Fui de compras
ik ging winkeleneerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
iba"iba de copas":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  copas   sFue de copas
Fuera de copas
Fuese de copas
Fui de copas
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging uit om iets te drinkenderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
  _"iba de copas":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'
  sFue de copas
Fuera de copas
Fuese de copas
Fui de copas
ik ging uit om iets te drinkeneerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
iba"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  juerga
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze boemeldederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik boemeldeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
Lettergrepen: ik boe·mel·de

ALLE betekenissen van het woord 'Boemelen':
(onovergankelijk werkwoord)
1 (boemelde, heeft geboemeld) zijn tijd doorbrengen met uitgaan
2 (boemelde, heeft/is geboemeld) met de stoptrein reizen.
  _"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze brastederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik brasteeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'
Lettergrepen: ik bras·te

ALLE betekenissen van het woord 'Brassen':
(onovergankelijk werkwoord; braste, heeft gebrast; brasser)
1 schransen.
(overgankelijk werkwoord, ook absoluut; braste, heeft gebrast)
1 (scheepvaart) (de ra's, de zeilen) door middel van de brassen richten.
  wn
  _"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze slemptederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik slempteeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'
Lettergrepen: ik slemp·te

ALLE betekenissen van het woord 'Slempen':
(onovergankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt; slemper)
1 overdadig eten en/of drinken.
(overgankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt)
1 grond met water drenken om die goed te doen aaneensluiten
2 gaten met zand vullen onder toevoer van water.
  _"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze spatte uitderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik spatte uiteerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
Lettergrepen: ik spat·te uit

ALLE betekenissen van het woord 'Uitspatten':
(onovergankelijk werkwoord; spatte uit, heeft uitgespat; uitspatting)
1 losbandig zijn.
  _"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze was aan de rolderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik was aan de roleerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
Één lettergreep
  _"iba de juerga":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze zwijndederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'
  _"iba de juerga":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'
  sFue de juerga
Fuera de juerga
Fuese de juerga
Fui de juerga
Me desbordaba
Me desbordara
Me desbordase
Me desbordé
Se desbordaba
Se desbordara
Se desbordase
Se desbordó
ik zwijndeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'
Lettergrepen: ik zwijn·de

ALLE betekenissen van het woord 'Zwijnen':
(onovergankelijk werkwoord; zwijnde, heeft gezwijnd)
1 (informeel) boffen.
  wn
iba"iba de vacaciones":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  vacaciones   sFue de vacaciones
Fuera de vacaciones
Fuese de vacaciones
Fui de vacaciones
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging met vakantiederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
  _"iba de vacaciones":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'
  sFue de vacaciones
Fuera de vacaciones
Fuese de vacaciones
Fui de vacaciones
ik ging met vakantieeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
iba"iba delante":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  delante
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'delante'
  sFue delante
Fuera delante
Fuese delante
Fui delante
Me adelantaba
Me adelantara
Me adelantase
Me adelanté
Precedí
Precedía
Precediera
Precediese
Precedió
Se adelantaba
Se adelantara
Se adelantase
Se adelantó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging voorafderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'
  _"iba delante":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'
  sFue delante
Fuera delante
Fuese delante
Fui delante
Me adelantaba
Me adelantara
Me adelantase
Me adelanté
Precedí
Precedía
Precediera
Precediese
Precedió
Se adelantaba
Se adelantara
Se adelantase
Se adelantó
ik ging voorafeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Voorafgaan':
(onovergankelijk werkwoord; ging vooraf, is voorafgegaan)
1 voor iets anders komen
2 gaan voor anderen.
  _"iba delante":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'
  sFue delante
Fuera delante
Fuese delante
Fui delante
Me adelantaba
Me adelantara
Me adelantase
Me adelanté
Precedí
Precedía
Precediera
Precediese
Precedió
Se adelantaba
Se adelantara
Se adelantase
Se adelantó
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze was voorderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
  _"iba delante":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'
  sFue delante
Fuera delante
Fuese delante
Fui delante
Me adelantaba
Me adelantara
Me adelantase
Me adelanté
Precedí
Precedía
Precediera
Precediese
Precedió
Se adelantaba
Se adelantara
Se adelantase
Se adelantó
ik was vooreerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
Één lettergreep

ALLE betekenissen van het woord 'Voor':
(het)
¶ alleen in verbindingen.
(de; voren)
1 insnijding, snede van de ploeg in een akker
2 diepe groef, rimpel.
(bijwoord)
1 aan de voorzijde, van voren
2 voorafgaand
3 om een gunstige gezindheid uit te drukken
4 meer
5 in het voorste deel.
(voorzetsel)
1 ter aanduiding van de plaatselijke betrekking van iets tot de toegekeerde zijde van iets anders
2 in tegenwoordigheid van
3 vroeger dan
4 gedurende
5 ten aanzien van
6 m.b.t. volgorde, rangorde, opeenvolging
7 omwille van
8 met betrekking tot
9 in de plaats van, in ruil met
10 ten dienste, voordele, behoeve van
11 ter aanduiding van een gelijkstelling
12 het genoemde in aanmerking genomen.
(nevenschikkend voegwoord)
1 voordat.
iba"iba en autostop":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  autostop
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'autostop'
  sFue en autostop
Fuera en autostop
Fuese en autostop
Fui en autostop
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze kreeg een liftderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
  _"iba en autostop":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'
  sFue en autostop
Fuera en autostop
Fuese en autostop
Fui en autostop
ik kreeg een lifteerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
  _"iba en autostop":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'
  sFue en autostop
Fuera en autostop
Fuese en autostop
Fui en autostop
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze lifttederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'
  _"iba en autostop":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'
  sFue en autostop
Fuera en autostop
Fuese en autostop
Fui en autostop
ik liftteeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'
Lettergrepen: ik lift·te

ALLE betekenissen van het woord 'Liften':
(onovergankelijk werkwoord; liftte, heeft/is gelift; lifter)
1 reizen door een auto aan te houden en daarin mee te rijden.
(overgankelijk werkwoord; liftte, heeft gelift)
1 (sport) (een bal, gewicht) omhoog brengen
2 faceliften.
  wn
iba"iba en vehículo":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  vehículo
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze gingderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
  _"iba en vehículo":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
ik gingeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
  wn  we
  _"iba en vehículo":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze kardederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
  _"iba en vehículo":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
ik kardeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
Lettergrepen: ik kar·de

ALLE betekenissen van het woord 'Karren':
(onovergankelijk werkwoord; karde, heeft/is gekard)
1 (informeel) rijden.
  wn
  _"iba en vehículo":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze reedderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
  _"iba en vehículo":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
ik reedeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'

ALLE betekenissen van het woord 'Rijden':
(onovergankelijk werkwoord; rijder)
1 (reed, heeft/is gereden) (van voertuigen) zich voortbewegen
2 (reed, heeft gereden) (van voertuigen, wegen) zo aanvoelen bij het voortbewegen als de bepaling noemt
3 (reed, heeft gereden) op en neer, heen en weer gaan.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen met (een voertuig)
2 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen op (een rijdier)
3 (reed, heeft gereden) met een voertuig vervoeren.
  wn
  _"iba en vehículo":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze voerderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
  _"iba en vehículo":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'
  sFue
Fue en vehículo
Fuera
Fuera en vehículo
Fuese
Fuese en vehículo
Fui
Fui en vehículo
Iba
ik voereerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
Één lettergreep

ALLE betekenissen van het woord 'Varen':
(de; varens)
1 overblijvende sporenplant van de klasse Pterophyta.
(onovergankelijk werkwoord; vaarder)
1 (voer, heeft gevaren) (van een vaartuig) door het water bewegen
2 (voer, heeft gevaren) als zeeman werken
3 (voer, is gevaren) (archaïsch) gaan.
(overgankelijk werkwoord; voer, heeft gevaren)
1 (ook absoluut) zich voortbewegen met een vaartuig
2 per schip of boot vervoeren.
  wn
iba"iba más allá":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  más
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'más'
  allá
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'allá'
  sFue más allá
Fuera más allá
Fuese más allá
Fui más allá
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging verderderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'
  _"iba más allá":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'
  sFue más allá
Fuera más allá
Fuese más allá
Fui más allá
ik ging verdereerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Verder':
(bijvoeglijk naamwoord)
1 het overige deel uitmakend.
(bijwoord)
1 daarna, vervolgens
2 overigens, voor de rest
3 ter aanduiding dat de genoemde handeling wordt voortgezet.
iba"iba por":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  por
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'por'
  sBuscaba
Buscara
Buscase
Buscó
Busqué
Cogí
Cogía
Cogiera
Cogiese
Cogió
Fue por
Fuera por
Fuese por
Fui por
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze ging halenderde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'
  _"iba por":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'
  sBuscaba
Buscara
Buscase
Buscó
Busqué
Cogí
Cogía
Cogiera
Cogiese
Cogió
Fue por
Fuera por
Fuese por
Fui por
ik ging haleneerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
  _"iba por":
tercera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'
  sBuscaba
Buscara
Buscase
Buscó
Busqué
Cogí
Cogía
Cogiera
Cogiese
Cogió
Fue por
Fuera por
Fuese por
Fui por
hij/u/men/het/er/ge/gij/'t/zij/ze haaldederde persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'
  _"iba por":
primera persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'
  sBuscaba
Buscara
Buscase
Buscó
Busqué
Cogí
Cogía
Cogiera
Cogiese
Cogió
Fue por
Fuera por
Fuese por
Fui por
ik haaldeeerste persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'
Lettergrepen: ik haal·de

ALLE betekenissen van het woord 'Halen':
(overgankelijk werkwoord; haalde, heeft gehaald)
1 (ook absoluut) met een beweging naar zich toe in de genoemde positie of toestand brengen
2 met inspanning verwerven
3 erin slagen te bereiken.
  wn  we
IbadánNombre (o por antonomasia)
  w
Ibadaneigennaam (of antonomasie)
  w
IbaguéNombre (o por antonomasia)
ciudad del centro de Colombia, capital del departamento de Tolima. Fue fundada en 1550. Gentilicio: ibaguereño.
  w
Ibaguéeigennaam (of antonomasie)
  w
ibaissegunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  sFuerais
Fueseis
Fuisteis
Os encaminabais
Os encaminarais
Os encaminaseis
Os encaminasteis
1Encaminarse.jullie begaven jetweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
Lettergrepen: jul·lie be·ga·ven je

ALLE betekenissen van het woord 'Begeven':
(overgankelijk werkwoord)
¶ alleen in verbindingen.
(wederkerend werkwoord; begaf zich, heeft zich begeven)
1 ergens heengaan.
jullie liepen van stapeltweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
jullie liepentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'

ALLE betekenissen van het woord 'Lopen':
(werkwoord; liep, heeft gelopen)
1 bezig zijn met.
(onovergankelijk werkwoord; loper)
1 (liep, heeft/is gelopen) zich te voet voortbewegen
2 (liep, heeft/is gelopen) rennen
3 (liep, heeft/is gelopen) (van zaken) zich voortbewegen
4 (liep, is gelopen) vloeien, stromen
5 (liep, heeft gelopen) (van instrumenten) functioneren, in werking zijn
6 (liep, heeft gelopen) (van tijd en wat daarin voorvalt) gaande zijn, doorgaan
7 (liep, heeft gelopen) zich uitstrekken, gelegen zijn
8 (liep, heeft gelopen) verlopen, zich ontwikkelen
9 (liep, heeft gelopen) zich lenen om erop of erin te lopen
10 (liep, heeft gelopen) door zich te voet voort te bewegen in een bepaalde toestand of positie brengen
11 (liep, heeft gelopen) zich in de genoemde toestand bevinden.
(overgankelijk werkwoord; liep, heeft gelopen)
1 volgen, deelnemen aan.
  wn
jullie verliepentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'

ALLE betekenissen van het woord 'Verlopen':
(bijvoeglijk naamwoord; verlopener, meest verlopen)
1 aan lagerwal geraakt.
(onovergankelijk werkwoord; verliep, is verlopen)
1 (van tijd) verstrijken
2 na enige tijd ongeldig worden
3 zich afspelen
4 gaandeweg minder bezocht of beoefend worden
5 in zijn verloop van profiel veranderen
6 (van zetsel) in een andere regel, op een volgende kolom of bladzijde komen.
  wn
2Ir en vehículo.jullie gingentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
  wn  we
jullie kardentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'

ALLE betekenissen van het woord 'Karren':
(onovergankelijk werkwoord; karde, heeft/is gekard)
1 (informeel) rijden.
  wn
jullie redentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
Lettergrepen: jul·lie re·den

ALLE betekenissen van het woord 'Rijden':
(onovergankelijk werkwoord; rijder)
1 (reed, heeft/is gereden) (van voertuigen) zich voortbewegen
2 (reed, heeft gereden) (van voertuigen, wegen) zo aanvoelen bij het voortbewegen als de bepaling noemt
3 (reed, heeft gereden) op en neer, heen en weer gaan.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen met (een voertuig)
2 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen op (een rijdier)
3 (reed, heeft gereden) met een voertuig vervoeren.
  wn
jullie voerentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
Lettergrepen: jul·lie voe·ren

ALLE betekenissen van het woord 'Varen':
(de; varens)
1 overblijvende sporenplant van de klasse Pterophyta.
(onovergankelijk werkwoord; vaarder)
1 (voer, heeft gevaren) (van een vaartuig) door het water bewegen
2 (voer, heeft gevaren) als zeeman werken
3 (voer, is gevaren) (archaïsch) gaan.
(overgankelijk werkwoord; voer, heeft gevaren)
1 (ook absoluut) zich voortbewegen met een vaartuig
2 per schip of boot vervoeren.
  wn
ibais"ibais a":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFuerais a
Fueseis a
Fuisteis a
jullie gingen naartweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
ibais"ibais a buscar a":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  buscar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'buscar'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFuerais a buscar a
Fueseis a buscar a
Fuisteis a buscar a
1.jullie brachten medetweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
jullie brachten meetweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'

ALLE betekenissen van het woord 'Meebrengen':
(overgankelijk werkwoord; bracht mee, heeft meegebracht)
1 bij zich hebben
2 in de aard liggen van, van nature vertonen.
  wn
jullie namen meetweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'
Lettergrepen: jul·lie na·men mee

ALLE betekenissen van het woord 'Meenemen':
(overgankelijk werkwoord; nam mee, heeft meegenomen)
1 met zich voeren, zich laten vergezellen door
2 profijt hebben van
3 in één moeite door verrichten.
  wn
jullie vergaderdentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'

ALLE betekenissen van het woord 'Vergaderen':
(onovergankelijk werkwoord; vergaderde, is vergaderd; vergadering)
1 in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen.
(overgankelijk werkwoord; vergaderde, heeft vergaderd)
1 (formeel) bijeenzamelen.
  wn
2.jullie haalden aftweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'

ALLE betekenissen van het woord 'Afhalen':
(overgankelijk werkwoord; haalde af, heeft afgehaald)
1 (iets dat gereed ligt) in ontvangst komen nemen
2 (iemand) ergens gaan halen om hem naar elders te begeleiden
3 van zijn plaats verwijderen
4 (iets) door trekken van iets anders ontdoen.
  wn
jullie haalden optweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'

ALLE betekenissen van het woord 'Ophalen':
(overgankelijk werkwoord; haalde op, heeft opgehaald)
1 omhooghalen
2 afhalen en meenemen
3 in de herinnering terugroepen, in herinnering brengen
4 opfrissen, verbeteren.
  wn
ibais"ibais a la deriva":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  la
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'la'
  deriva
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'deriva'
  sDerivabais del rumbo
Derivarais del rumbo
Derivaseis del rumbo
Derivasteis del rumbo
Fuerais a la deriva
Fueseis a la deriva
Fuisteis a la deriva
jullie dreven aftweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
Lettergrepen: jul·lie dre·ven af

ALLE betekenissen van het woord 'Afdrijven':
(onovergankelijk werkwoord; dreef af, is afgedreven)
1 uit de gestuurde koers gedreven worden
2 door de wind weggedreven worden.
(overgankelijk werkwoord; dreef af, heeft afgedreven; afdrijving)
1 (geneeskunde) uit het lichaam verwijderen
2 (scheikunde) (goud, zilver) zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is.
  wn
jullie dreventweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
Lettergrepen: jul·lie dre·ven

ALLE betekenissen van het woord 'Drijven':
(werkwoord; dreef, heeft gedreven)
1 aansporen, bewegen tot.
(onovergankelijk werkwoord; drijver)
1 (dreef, heeft/is gedreven) aan de oppervlakte van een vloeistof blijven
2 (dreef, heeft/is gedreven) in de lucht zweven
3 (dreef, heeft gedreven) doornat zijn.
(overgankelijk werkwoord; dreef, heeft gedreven)
1 voor zich uit doen gaan
2 (handel) plegen, (een zaak) leiden
3 slaan
4 figuren op metaal uitkloppen.
  wn
jullie waren op drifttweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
Lettergrepen: jul·lie wa·ren op drift
ibais"ibais a ocupar":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  ocupar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ocupar'
  sFuerais a ocupar
Fueseis a ocupar
Fuisteis a ocupar
jullie namen jullie intrektweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
Lettergrepen: jul·lie na·men jul·lie in·trek
jullie sloegen jullie tenten optweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
jullie trokken intweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'
Lettergrepen: jul·lie trok·ken in

ALLE betekenissen van het woord 'Intrekken':
(werkwoord; trok in, is ingetrokken)
1 gaan inwonen bij, samenwonen met.
(onovergankelijk werkwoord; trok in, is ingetrokken)
1 indringen in, opgezogen worden door
2 (van hout enz.) krimpen.
(overgankelijk werkwoord; trok in, heeft ingetrokken)
1 door trekken achteruit, naar binnen brengen
2 terugnemen, herroepen
3 (militair, leger) terugroepen zonder te vervangen.
  wn
ibais"ibais a través de":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  través
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'través'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  sAtravesabais
Atravesarais
Atravesaseis
Atravesasteis
Fuerais a través de
Fueseis a través de
Fuisteis a través de
jullie kwamen doortweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'

ALLE betekenissen van het woord 'Doorkomen':
(onovergankelijk werkwoord; kwam door, is doorgekomen)
1 zijn, haar weg nemen
2 ten einde brengen, doorstaan
3 door iets heen dringen.
jullie maakten doortweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'

ALLE betekenissen van het woord 'Doormaken':
(overgankelijk werkwoord; maakte door, heeft doorgemaakt)
1 ondergaan, beleven.
jullie trokken doortweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'
Lettergrepen: jul·lie trok·ken door

ALLE betekenissen van het woord 'Doortrekken':
(onovergankelijk werkwoord; trok door, heeft doorgetrokken)
1 voortgaan met trekken.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; trok door, heeft doorgetrokken) het toilet doorspoelen
2 (doortrok, heeft doortrokken) naar een verder gelegen punt voortzetten
3 (trok door, heeft doorgetrokken) door trekken doen breken, kapotmaken.
(overgankelijk werkwoord; doortrok, heeft doortrokken)
1 in alle delen doen doordringen.
  wn
ibais"ibais de compras":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  compras   sFuerais de compras
Fueseis de compras
Fuisteis de compras
jullie gingen winkelentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
ibais"ibais de copas":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  copas   sFuerais de copas
Fueseis de copas
Fuisteis de copas
jullie gingen uit om iets te drinkentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
ibais"ibais de juerga":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  juerga
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'juerga'
  sFuerais de juerga
Fueseis de juerga
Fuisteis de juerga
Os desbordabais
Os desbordáis
Os desbordarais
Os desbordaseis
Os desbordasteis
Os desbordéis
Vais de juerga
Vayáis de juerga
jullie boemeldentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
Lettergrepen: jul·lie boe·mel·den

ALLE betekenissen van het woord 'Boemelen':
(onovergankelijk werkwoord)
1 (boemelde, heeft geboemeld) zijn tijd doorbrengen met uitgaan
2 (boemelde, heeft/is geboemeld) met de stoptrein reizen.
jullie brastentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'

ALLE betekenissen van het woord 'Brassen':
(onovergankelijk werkwoord; braste, heeft gebrast; brasser)
1 schransen.
(overgankelijk werkwoord, ook absoluut; braste, heeft gebrast)
1 (scheepvaart) (de ra's, de zeilen) door middel van de brassen richten.
  wn
jullie slemptentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'

ALLE betekenissen van het woord 'Slempen':
(onovergankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt; slemper)
1 overdadig eten en/of drinken.
(overgankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt)
1 grond met water drenken om die goed te doen aaneensluiten
2 gaten met zand vullen onder toevoer van water.
jullie spatten uittweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
Lettergrepen: jul·lie spat·ten uit

ALLE betekenissen van het woord 'Uitspatten':
(onovergankelijk werkwoord; spatte uit, heeft uitgespat; uitspatting)
1 losbandig zijn.
jullie waren aan de roltweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
Lettergrepen: jul·lie wa·ren aan de rol
jullie zwijndentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'

ALLE betekenissen van het woord 'Zwijnen':
(onovergankelijk werkwoord; zwijnde, heeft gezwijnd)
1 (informeel) boffen.
  wn
ibais"ibais de vacaciones":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  vacaciones   sFuerais de vacaciones
Fueseis de vacaciones
Fuisteis de vacaciones
jullie gingen met vakantietweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
ibais"ibais delante":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  delante
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'delante'
  sFuerais delante
Fueseis delante
Fuisteis delante
Os adelantabais
Os adelantarais
Os adelantaseis
Os adelantasteis
Precedíais
Precedierais
Precedieseis
Precedisteis
jullie gingen vooraftweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Voorafgaan':
(onovergankelijk werkwoord; ging vooraf, is voorafgegaan)
1 voor iets anders komen
2 gaan voor anderen.
jullie waren voortweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
Lettergrepen: jul·lie wa·ren voor

ALLE betekenissen van het woord 'Voor':
(het)
¶ alleen in verbindingen.
(de; voren)
1 insnijding, snede van de ploeg in een akker
2 diepe groef, rimpel.
(bijwoord)
1 aan de voorzijde, van voren
2 voorafgaand
3 om een gunstige gezindheid uit te drukken
4 meer
5 in het voorste deel.
(voorzetsel)
1 ter aanduiding van de plaatselijke betrekking van iets tot de toegekeerde zijde van iets anders
2 in tegenwoordigheid van
3 vroeger dan
4 gedurende
5 ten aanzien van
6 m.b.t. volgorde, rangorde, opeenvolging
7 omwille van
8 met betrekking tot
9 in de plaats van, in ruil met
10 ten dienste, voordele, behoeve van
11 ter aanduiding van een gelijkstelling
12 het genoemde in aanmerking genomen.
(nevenschikkend voegwoord)
1 voordat.
ibais"ibais en autostop":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  autostop
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'autostop'
  sFuerais en autostop
Fueseis en autostop
Fuisteis en autostop
jullie kregen een lifttweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
Lettergrepen: jul·lie kre·gen een lift
jullie lifttentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'

ALLE betekenissen van het woord 'Liften':
(onovergankelijk werkwoord; liftte, heeft/is gelift; lifter)
1 reizen door een auto aan te houden en daarin mee te rijden.
(overgankelijk werkwoord; liftte, heeft gelift)
1 (sport) (een bal, gewicht) omhoog brengen
2 faceliften.
  wn
ibais"ibais en vehículo":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  vehículo
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'vehículo'
  sFuerais
Fuerais en vehículo
Fueseis
Fueseis en vehículo
Fuisteis
Fuisteis en vehículo
Ibais
jullie gingentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
  wn  we
jullie kardentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'

ALLE betekenissen van het woord 'Karren':
(onovergankelijk werkwoord; karde, heeft/is gekard)
1 (informeel) rijden.
  wn
jullie redentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
Lettergrepen: jul·lie re·den

ALLE betekenissen van het woord 'Rijden':
(onovergankelijk werkwoord; rijder)
1 (reed, heeft/is gereden) (van voertuigen) zich voortbewegen
2 (reed, heeft gereden) (van voertuigen, wegen) zo aanvoelen bij het voortbewegen als de bepaling noemt
3 (reed, heeft gereden) op en neer, heen en weer gaan.
(overgankelijk werkwoord)
1 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen met (een voertuig)
2 (ook absoluut; reed, heeft/is gereden) zich voortbewegen op (een rijdier)
3 (reed, heeft gereden) met een voertuig vervoeren.
  wn
jullie voerentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
Lettergrepen: jul·lie voe·ren

ALLE betekenissen van het woord 'Varen':
(de; varens)
1 overblijvende sporenplant van de klasse Pterophyta.
(onovergankelijk werkwoord; vaarder)
1 (voer, heeft gevaren) (van een vaartuig) door het water bewegen
2 (voer, heeft gevaren) als zeeman werken
3 (voer, is gevaren) (archaïsch) gaan.
(overgankelijk werkwoord; voer, heeft gevaren)
1 (ook absoluut) zich voortbewegen met een vaartuig
2 per schip of boot vervoeren.
  wn
ibais"ibais más allá":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  más
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'más'
  allá
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'allá'
  sFuerais más allá
Fueseis más allá
Fuisteis más allá
jullie gingen verdertweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'

ALLE betekenissen van het woord 'Verder':
(bijvoeglijk naamwoord)
1 het overige deel uitmakend.
(bijwoord)
1 daarna, vervolgens
2 overigens, voor de rest
3 ter aanduiding dat de genoemde handeling wordt voortgezet.
ibais"ibais por":
segunda persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  por
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'por'
  sBuscabais
Buscarais
Buscaseis
Buscasteis
Cogíais
Cogierais
Cogieseis
Cogisteis
Fuerais por
Fueseis por
Fuisteis por
jullie gingen halentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'

ALLE betekenissen van het woord 'Gaan':
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 verkering hebben met.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 tot onderwerp hebben
2 beheren.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 prevaleren boven.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich geven, in actie zijn.
(werkwoord; ging, is gegaan)
1 als doel hebben.
(onovergankelijk werkwoord; ging, is gegaan)
1 zich voortbewegen en zo van plaats veranderen
2 voortgaan in de tijd
3 weggaan
4 beginnen de genoemde handeling te verrichten of te ondergaan
5 (van apparaten) klinken
6 leiden, zich uitstrekken
7 verlopen
8 in de genoemde toestand of positie raken
9 lopen, zich te voet voortbewegen
10 zich in het openbaar vertonen, gekleed zoals in de bepaling wordt aangeduid
11 begrepen zijn op, in iets.
jullie haaldentweede persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'

ALLE betekenissen van het woord 'Halen':
(overgankelijk werkwoord; haalde, heeft gehaald)
1 (ook absoluut) met een beweging naar zich toe in de genoemde positie of toestand brengen
2 met inspanning verwerven
3 erin slagen te bereiken.
  wn  we
íbamosprimera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  sFuéramos
Fuésemos
Fuimos
Nos encaminábamos
Nos encaminamos
Nos encamináramos
Nos encaminásemos
1Encaminarse.wij/we begaven onseerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
wij/we liepen van stapeleerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
wij/we liepeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'
wij/we verliepeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'
2Ir en vehículo.wij/we gingeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
wij/we kardeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
wij/we redeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
wij/we voereneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
íbamos"íbamos a":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFuéramos a
Fuésemos a
Fuimos a
wij/we gingen naareerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'
íbamos"íbamos a buscar a":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  buscar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'buscar'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFuéramos a buscar a
Fuésemos a buscar a
Fuimos a buscar a
1.wij/we brachten medeeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
wij/we brachten meeeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'
wij/we namen meeeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'
wij/we vergaderdeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'
2.wij/we haalden afeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'
wij/we haalden opeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'
íbamos"íbamos a la deriva":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  la
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'la'
  deriva
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'deriva'
  sDerivábamos del rumbo
Derivamos del rumbo
Deriváramos del rumbo
Derivásemos del rumbo
Fuéramos a la deriva
Fuésemos a la deriva
Fuimos a la deriva
wij/we dreven afeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
wij/we dreveneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
wij/we waren op drifteerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
íbamos"íbamos a ocupar":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  ocupar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ocupar'
  sFuéramos a ocupar
Fuésemos a ocupar
Fuimos a ocupar
wij/we namen onze intrekeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
wij/we sloegen onze tenten opeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
wij/we trokken ineerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'
íbamos"íbamos a través de":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  través
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'través'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  sAtravesábamos
Atravesamos
Atravesáramos
Atravesásemos
Fuéramos a través de
Fuésemos a través de
Fuimos a través de
wij/we kwamen dooreerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'
wij/we maakten dooreerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'
wij/we trokken dooreerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'
íbamos"íbamos de compras":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  compras   sFuéramos de compras
Fuésemos de compras
Fuimos de compras
wij/we gingen winkeleneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'
íbamos"íbamos de copas":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  copas   sFuéramos de copas
Fuésemos de copas
Fuimos de copas
wij/we gingen uit om iets te drinkeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
íbamos"íbamos de juerga":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  juerga
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'juerga'
  sFuéramos de juerga
Fuésemos de juerga
Fuimos de juerga
Nos desbordábamos
Nos desbordamos
Nos desbordáramos
Nos desbordásemos
Nos desbordemos
Vamos de juerga
Vayamos de juerga
wij/we boemeldeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
wij/we brasteneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'
wij/we slempteneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'
wij/we spatten uiteerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
wij/we waren aan de roleerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
wij/we zwijndeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'
íbamos"íbamos de vacaciones":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  vacaciones   sFuéramos de vacaciones
Fuésemos de vacaciones
Fuimos de vacaciones
wij/we gingen met vakantieeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
íbamos"íbamos delante":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  delante
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'delante'
  sFuéramos delante
Fuésemos delante
Fuimos delante
Nos adelantábamos
Nos adelantamos
Nos adelantáramos
Nos adelantásemos
Precedíamos
Precediéramos
Precediésemos
Precedimos
wij/we gingen voorafeerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'
wij/we waren vooreerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
íbamos"íbamos en autostop":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  autostop
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'autostop'
  sFuéramos en autostop
Fuésemos en autostop
Fuimos en autostop
wij/we kregen een lifteerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
wij/we liftteneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'
íbamos"íbamos en vehículo":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  vehículo
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'vehículo'
  sFuéramos
Fuéramos en vehículo
Fuésemos
Fuésemos en vehículo
Fuimos
Fuimos en vehículo
Íbamos
wij/we gingeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
wij/we kardeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
wij/we redeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
wij/we voereneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
íbamos"íbamos más allá":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  más
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'más'
  allá
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'allá'
  sFuéramos más allá
Fuésemos más allá
Fuimos más allá
wij/we gingen verdereerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'
íbamos"íbamos por":
primera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  por
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'por'
  sBuscábamos
Buscamos
Buscáramos
Buscásemos
Cogíamos
Cogiéramos
Cogiésemos
Cogimos
Fuéramos por
Fuésemos por
Fuimos por
wij/we gingen haleneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'
wij/we haaldeneerste persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'
ibantercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  sFueran
Fueron
Fuesen
Se encaminaban
Se encaminaran
Se encaminaron
Se encaminasen
1Encaminarse.zij/ze begaven zichderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
zij/ze liepen van stapelderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
zij/ze liependerde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'
zij/ze verliependerde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'
2Ir en vehículo.zij/ze gingenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
zij/ze kardenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
zij/ze redenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
zij/ze voerenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
iban"iban a":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFueran a
Fueron a
Fuesen a
zij/ze gingen naarderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'
iban"iban a buscar a":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  buscar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'buscar'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFueran a buscar a
Fueron a buscar a
Fuesen a buscar a
1.zij/ze brachten medederde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
zij/ze brachten meederde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'
zij/ze namen meederde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'
zij/ze vergaderdenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'
2.zij/ze haalden afderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'
zij/ze haalden opderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'
iban"iban a la deriva":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  la
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'la'
  deriva
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'deriva'
  sDerivaban del rumbo
Derivaran del rumbo
Derivaron del rumbo
Derivasen del rumbo
Fueran a la deriva
Fueron a la deriva
Fuesen a la deriva
zij/ze dreven afderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
zij/ze drevenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
zij/ze waren op driftderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
iban"iban a ocupar":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  ocupar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ocupar'
  sFueran a ocupar
Fueron a ocupar
Fuesen a ocupar
zij/ze namen hun intrekderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
zij/ze sloegen hun tenten opderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
zij/ze trokken inderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'
iban"iban a través de":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  través
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'través'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  sAtravesaban
Atravesaran
Atravesaron
Atravesasen
Fueran a través de
Fueron a través de
Fuesen a través de
zij/ze kwamen doorderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'
zij/ze maakten doorderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'
zij/ze trokken doorderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'
iban"iban de compras":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  compras   sFueran de compras
Fueron de compras
Fuesen de compras
zij/ze gingen winkelenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'
iban"iban de copas":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  copas   sFueran de copas
Fueron de copas
Fuesen de copas
zij/ze gingen uit om iets te drinkenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
iban"iban de juerga":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  juerga
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'juerga'
  sFueran de juerga
Fueron de juerga
Fuesen de juerga
Se desbordaban
Se desbordan
Se desbordaran
Se desbordaron
Se desbordasen
Se desborden
Van de juerga
Vayan de juerga
zij/ze boemeldenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
zij/ze brastenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'
zij/ze slemptenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'
zij/ze spatten uitderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
zij/ze waren aan de rolderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
zij/ze zwijndenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'
iban"iban de vacaciones":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  vacaciones   sFueran de vacaciones
Fueron de vacaciones
Fuesen de vacaciones
zij/ze gingen met vakantiederde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
iban"iban delante":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  delante
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'delante'
  sFueran delante
Fueron delante
Fuesen delante
Precedían
Precedieran
Precedieron
Precediesen
Se adelantaban
Se adelantaran
Se adelantaron
Se adelantasen
zij/ze gingen voorafderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'
zij/ze waren voorderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
iban"iban en autostop":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  autostop
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'autostop'
  sFueran en autostop
Fueron en autostop
Fuesen en autostop
zij/ze kregen een liftderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
zij/ze lifttenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'
iban"iban en vehículo":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  vehículo
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'vehículo'
  sFueran
Fueran en vehículo
Fueron
Fueron en vehículo
Fuesen
Fuesen en vehículo
Iban
zij/ze gingenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
zij/ze kardenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
zij/ze redenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
zij/ze voerenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
iban"iban más allá":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  más
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'más'
  allá
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'allá'
  sFueran más allá
Fueron más allá
Fuesen más allá
zij/ze gingen verderderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'
iban"iban por":
tercera persona plural preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  por
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'por'
  sBuscaban
Buscaran
Buscaron
Buscasen
Cogían
Cogieran
Cogieron
Cogiesen
Fueran por
Fueron por
Fuesen por
zij/ze gingen halenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'
zij/ze haaldenderde persoon meervoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'
ibassegunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  sFueras
Fueses
Fuiste
Te encaminabas
Te encaminaras
Te encaminases
Te encaminaste
1Encaminarse.jij/je begaf jetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zich begeven'
jij/je liep van stapeltweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'van stapel lopen'
jij/je lieptweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'lopen'
jij/je verlieptweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verlopen'
2Ir en vehículo.jij/je gingtweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
jij/je kardetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
jij/je reedtweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
jij/je voertweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
ibas"ibas a":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFueras a
Fueses a
Fuiste a
jij/je ging naartweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan naar'
ibas"ibas a buscar a":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a buscar a'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  buscar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'buscar'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  sFueras a buscar a
Fueses a buscar a
Fuiste a buscar a
1.jij/je bracht medetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'medebrengen'
jij/je bracht meetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meebrengen'
jij/je nam meetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'meenemen'
jij/je vergaderdetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'vergaderen'
2.jij/je haalde aftweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'afhalen'
jij/je haalde optweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'ophalen'
ibas"ibas a la deriva":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a la deriva'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  la
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'la'
  deriva
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'deriva'
  sDerivabas del rumbo
Derivaras del rumbo
Derivases del rumbo
Derivaste del rumbo
Fueras a la deriva
Fueses a la deriva
Fuiste a la deriva
jij/je dreef aftweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'afdrijven'
jij/je dreeftweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'drijven'
jij/je was op drifttweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'op drift zijn'
ibas"ibas a ocupar":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a ocupar'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  ocupar
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ocupar'
  sFueras a ocupar
Fueses a ocupar
Fuiste a ocupar
jij/je nam jouw intrektweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn intrek nemen'
jij/je sloeg jouw tenten optweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'zijn tenten opslaan'
jij/je trok intweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'intrekken'
ibas"ibas a través de":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir a través de'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  a
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'a'
  través
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'través'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  sAtravesabas
Atravesaras
Atravesases
Atravesaste
Fueras a través de
Fueses a través de
Fuiste a través de
jij/je kwam doortweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doorkomen'
jij/je maakte doortweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'doormaken'
jij/je trok doortweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'doortrekken'
ibas"ibas de compras":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de compras'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  compras   sFueras de compras
Fueses de compras
Fuiste de compras
jij/je ging winkelentweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan winkelen'
ibas"ibas de copas":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de copas'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  copas   sFueras de copas
Fueses de copas
Fuiste de copas
jij/je ging uit om iets te drinkentweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitgaan om iets te drinken'
ibas"ibas de juerga":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de juerga'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  juerga
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'juerga'
  sFueras de juerga
Fueses de juerga
Fuiste de juerga
Te desbordabas
Te desbordaras
Te desbordases
Te desbordaste
jij/je boemeldetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'boemelen'
jij/je brastetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'brassen'
jij/je slemptetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'slempen'
jij/je spatte uittweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'uitspatten'
jij/je was aan de roltweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'aan de rol zijn'
jij/je zwijndetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'zwijnen'
ibas"ibas de vacaciones":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir de vacaciones'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  de
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'de'
  vacaciones   sFueras de vacaciones
Fueses de vacaciones
Fuiste de vacaciones
jij/je ging met vakantietweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'met vakantie gaan'
ibas"ibas delante":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir delante'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  delante
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'delante'
  sFueras delante
Fueses delante
Fuiste delante
Precedías
Precedieras
Precedieses
Precediste
Te adelantabas
Te adelantaras
Te adelantases
Te adelantaste
jij/je ging vooraftweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voorafgaan'
jij/je was voortweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'voor zijn'
ibas"ibas en autostop":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en autostop'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  autostop
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'autostop'
  sFueras en autostop
Fueses en autostop
Fuiste en autostop
jij/je kreeg een lifttweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'een lift krijgen'
jij/je lifttetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'liften'
ibas"ibas en vehículo":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir en vehículo'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  en
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'en'
  vehículo
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'vehículo'
  sFueras
Fueras en vehículo
Fueses
Fueses en vehículo
Fuiste
Fuiste en vehículo
Ibas
jij/je gingtweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan'
jij/je kardetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'karren'
jij/je reedtweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'rijden'
jij/je voertweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'varen'
ibas"ibas más allá":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir más allá'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  más
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'más'
  allá
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'allá'
  sFueras más allá
Fueses más allá
Fuiste más allá
jij/je ging verdertweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'verder gaan'
ibas"ibas por":
segunda persona singular preterito imperfecto de indicativo del verbo 'ir por'

Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'ir'
  por
Haga clic para acceso al Dicconario de la Lengua Española de la REAL ACADEMIA ESPAÑOLA para la palabra 'por'
  sBuscabas
Buscaras
Buscases
Buscaste
Cogías
Cogieras
Cogieses
Cogiste
Fueras por
Fueses por
Fuiste por
jij/je ging halentweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (onregelmatig) (aantonende wijs) van het werkwoord 'gaan halen'
jij/je haaldetweede persoon enkelvoud onvoltooid verleden tijd (aantonende wijs) van het werkwoord 'halen'

1e 0‑9 A B C D E F G HI J K L M N Ñ O P Q R S T U V W X Y Z ß

2e -ab c d ef g j l m n oñpq r s tvwx z

3ea einu

4e _ d g i m n s

<-- Vorige/ Anteriorpalabras comenzando con
woorden beginnend met
IBAVolgende/ Siguiente -->



arriba