AaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; aaide, heeft geaaid) 1 zacht met de hand over iets heen strijken om een aangenaam gevoel op te wekken of als uiting van tederheid.
In Spaans overeenkomend met: Acariciar
| Aaide | Geaaid
|
AanaardenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aardde aan, heeft aangeaard; aanaarding) 1 met aarde bedekken.
In Spaans overeenkomend met: Acollar ((),(Cobijar con tierra el pie de los árboles, y principalmente el tronco de las vides y otras plantas.)), Aporcar Aporcar en almáciga
| Aardde aan | Aangeaard
|
AanbakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bakte aan, is aangebakken) 1 door bakken aankoeken.
In Spaans overeenkomend met: Pegar
| Bakte aan | Aangebakken
|
| Aanbalken | Balkte aan | Aangebalkt
|
| Aanbehoren | Behoorde aan | Aanbehoord
|
AanbelandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; belandde aan, is aanbeland) 1 ergens toevallig aankomen om daar te vertoeven of te blijven.
In Spaans overeenkomend met: Recalar ((),(Dicho de una persona: Aparecer por algún sitio.)) sAanlanden Terechtkomen | Belandde aan | Aanbeland
|
AanbelangenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belangde aan, heeft aanbelangd) 1 (formeel) betreffen, aangaan.
In Spaans overeenkomend met: Relacionarse, Tener relación sAangaan Betreffen Verhouden|Zich verhouden Verkeren Zich verhouden | Aanbelangde | Aanbelangd
|
AanbellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; belde aan, heeft aangebeld) 1 een deurbel doen overgaan.
In Spaans overeenkomend met: Llamar, Llamar a la puerta, Tocar la campanilla sBellen Luiden Schellen | Belde aan | Aangebeld
|
AanbenenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Beende aan | Aangebeend
|
| Aanbermen | Bermde aan | Aangebermd
|
AanbestedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besteedde aan, heeft aanbesteed; aanbesteding) 1 de uitvoering (van een werk of een levering) in het openbaar voor een prijsopgave beschikbaar stellen.
In Spaans overeenkomend met: Ajustar, Contratar, Dar a destajo, Sacar a concurso público
| Besteedde aan | Aanbesteed
|
| Aanbesterven | Aanbestierf | Aanbestorven
|
AanbetalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; aanbetaalde, heeft aanbetaald; aanbetaling) 1 (een deel van de prijs van een artikel) vooruitbetalen.
| Betaalde aan | Aanbetaald
|
| Aanbeteren | Beterde aan | Aangebeterd
|
AanbevelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beval aan, heeft aanbevolen; aanbeveling) 1 belangstelling, een gunstige stemming voor iem. of iets trachten op te wekken 2 aanprijzen.
In Spaans overeenkomend met: Encomendar, Recomendar sAantekenen Recommanderen | Beval aan | Aanbevolen
|
AanbiddenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aanbad, heeft aanbeden; aanbidder, aanbidding) 1 als goddelijk wezen vereren 2 (iem.) met geestdrift bewonderen.
In Spaans overeenkomend met: Adorar, Venerar sAdoreren Verafgoden Vereren | Aanbad | Aanbeden
|
AanbiedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bood aan, heeft aangeboden; aanbieding) 1 vrijwillig ter beschikking stellen 2 tegen een bepaalde prijs, bepaalde voorwaarden verkrijgbaar stellen. (wederkerend werkwoord; bood zich aan, heeft zich aangeboden) 1 (van zaken) zich vertonen, zich voordoen 2 (in België) zich melden.
In Spaans overeenkomend met: Brindar Hacer oferta Deparar, Presentar, Representar Ofrecer, Proponer sBieden Indienen Presenteren Te koop aanbieden Uitbeelden Uitloven Vertonen Voordragen Voorslaan Voorstellen | Bood aan | Aangeboden
|
| Aanbijten | Beet aan | Aangebeten
|
| Aanbikken | Bikte aan | Aangebikt
|
AanbindenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bond aan, heeft aangebonden; aanbinder) 1 bevestigen met een riem, touw enz.
In Spaans overeenkomend met: Comenzar
| Bond aan | Aangebonden
|
AanblaffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blafte aan, heeft aangeblaft) 1 door blaffen bedreigen 2 toesnauwen.
| Blafte aan | Aangeblaft
|
AanblazenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blies aan, heeft aangeblazen; aanblazing) 1 (vuur) door blazen doen vlammen 2 blazen op (een instrument) om de toon te onderzoeken 3 (spraakklanken) met aspiratie uitspreken.
| Blies aan | Aangeblazen
|
AanblijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleef aan, is aangebleven) 1 in functie blijven.
In Spaans overeenkomend met: Durar Seguir ((in een betrekking)) sAanhouden Beklijven Duren Standhouden Voortduren | Bleef aan | Aangebleven
|
AanblikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blikte aan, heeft aangeblikt) 1 (formeel) aankijken.
In Spaans overeenkomend met: Mirar sAankijken | Blikte aan | Aangeblikt
|
| Aanboeken | Boekte aan | Aangeboekt
|
| Aanbonzen | Bonsde aan | Aangebonsd
|
AanborenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boorde aan, heeft aangeboord; aanboring) 1 door boren raken 2 door boren openen.
| Boorde aan | Aangeboord
|
| Aanbotsen | Botste aan | Aangebotst
|
AanbouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bouwde aan, heeft aangebouwd) 1 (een nieuw gedeelte) aan iets bouwen.
| Bouwde aan | Aangebouwd
|
AanbradenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; braadde aan, heeft aangebraden) 1 (vlees) dichtschroeien door het even te braden.
In Spaans overeenkomend met: Dorar sDoreren | Braadde aan | Aangebraden
|
AanbrandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brandde aan, is aangebrand) 1 (van voedsel) verschroeien door te snel bakken of koken. (overgankelijk werkwoord; brandde aan, heeft aangebrand) 1 (bouwkunde) (een muur- of grondvlak) met een dunne laag mortel bestrijken om nieuw beton beter te doen hechten.
In Spaans overeenkomend met: Pegarse Quemarse
| Brandde aan | Aangebrand
|
| Aanbrassen | Braste aan | Aangebrast
|
AanbreienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; breide aan, heeft aangebreid) 1 door breien toevoegen.
| Breide aan | Aangebreid
|
AanbrekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brak aan, is aangebroken) 1 (van tijd) beginnen. (overgankelijk werkwoord; brak aan, heeft aangebroken) 1 voor het eerst iets nemen van (een voorraad).
In Spaans overeenkomend met: Comenzar, Empezar, Principiar Amanecer ((van de dag),(del día)) sAanvangen Beginnen Dagen Ingaan Krieken Licht worden | Brak aan | Aangebroken
|
AanbrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht aan, heeft aangebracht; aanbrenger, aanbrenging) 1 (onderdelen) ergens invoegen, toevoegen 2 (iets slechts) bij een instantie aangeven 3 (iem.) werven voor een organisatie 4 meebrengen in het huwelijk 5 veroorzaken.
In Spaans overeenkomend met: Introducir Añadir Aportar, Traer Delatar, Denunciar Instalar Alistar, Hacer prosélitos, Reclutar sAandragen Aangeven Aanleggen Aanwerven Aanzeggen Bezorgen Bijdoen Bijmengen Bijvoegen Brengen Fitten Installeren Invullen Klikken Toegeven Toevoegen Verklikken Verraden Werven | Bracht aan | Aangebracht
|
| Aanbriesen | Brieste aan | Aangebriest
|
| Aanbruisen | Bruiste aan | Aangebruist
|
| Aanbrullen | Brulde aan | Aangebruld
|
| Aanbulderen | Bulderde aan | Aangebulderd
|
AandammenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; damde aan, heeft aangedamd; aandamming) 1 (land) aanwinnen door het maken van een dam 2 (lage, drassige grond) aanvullen of ophogen.
| Damde aan | Aangedamd
|
AandienenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; diende aan, heeft aangediend) 1 zich willen laten gelden als. (overgankelijk werkwoord; diende aan, heeft aangediend; aandiening) 1 de komst, de naam melden van (een bezoeker). (wederkerend werkwoord; diende zich aan, heeft zich aangediend) 1 aanbreken, beginnen.
In Spaans overeenkomend met: Anunciar sAankondigen Adverteren Annonceren Bekend maken | Diende aan | Aangediend
|
| Aandiepen | Diepte aan | Aangediept
|
AandijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dijkte aan, heeft aangedijkt; aandijking) 1 (een eiland) door dijken aanhechten.
| Dijkte aan | Aangedijkt
|
AandikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dikte aan, heeft aangedikt) 1 dikker maken 2 overdrijven.
In Spaans overeenkomend met: Agravar, Exagerar Abultar sChargeren Overdrijven Verergeren | Dikte aan | Aangedikt
|
AandoenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; deed aan, heeft aangedaan) 1 (kleding, schoeisel, voorwerpen) aan of om het lichaam aanbrengen 2 (iets naars) bij iem. teweegbrengen 3 een bepaalde indruk geven 4 onderweg, voor korte tijd bezoeken 5 in werking stellen.
In Spaans overeenkomend met: Afectar Encender ((licht, lampen, kachel)) Causar, Dar lugar a, Inferir ((),(Producir o causar ofensas, agravios, heridas)), Ocasionar, Producir Ponerse ((kleren etc.)) Poner ((kleren etc.)) sAangrijpen Aanrichten Aantrekken Berokkenen Opbrengen Opdoen Opleggen Stichten Teweegbrengen Toebrengen Veroorzaken | Deed aan | Aangedaan
|
AandraaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; draaide aan, heeft aangedraaid; aandraaiing) 1 door draaien vastmaken 2 door draaien in werking zetten.
In Spaans overeenkomend met: Apretar
| Draaide aan | Aangedraaid
|
AandragenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; droeg aan, heeft aangedragen; aandrager) 1 (iets zwaars) naar iem. toedragen .
In Spaans overeenkomend met: Aportar, Traer sAanbrengen Bezorgen Brengen | Droeg aan | Aangedragen
|
AandravenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; draafde aan, heeft aangedraafd) ¶ alleen in verbindingen.
| Draafde aan | Aangedraafd
|
| Aandrentelen | Drentelde aan | Aangedrenteld
|
AandrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dreef aan, heeft aangedreven; aandrijving) 1 (een mens of dier) opwekken tot een grotere inspanning 2 op mechanische wijze in beweging brengen.
In Spaans overeenkomend met: Accionar, Impulsar Acuciar, Arrear, Impeler Ser arrojado a la playa sAan wal gaan Drijven Opjagen Voortdrijven | Dreef aan | Aangedreven
|
AandringenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; drong aan, heeft aangedrongen) 1 krachtig verzoeken.
In Spaans overeenkomend met: Insistir Instar sAanhouden | Drong aan | Aangedrongen
|
| Aandruisen | Druiste aan | Aangedruist
|
AandrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; drukte aan, heeft aangedrukt) 1 vast op of in elkaar drukken.
In Spaans overeenkomend met: Apretar sDringen Drukken Knellen Persen Pressen | Drukte aan | Aangedrukt
|
AanduidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; duidde aan, heeft aangeduid; aanduiding) 1 uitdrukken met een enkele aanwijzing 2 blijk geven van 3 betekenen 4 (in België, niet algemeen) aanstellen.
In Spaans overeenkomend met: Señalar Acusar Denominar Denotar, Designar, Hacer un signo, Indicar, Marcar sAangeven Aankruisen Aanwijzen Een teken geven Een teken zijn van Kenmerken Markeren Merken Tekenen Uitduiden | Duidde aan | Aangeduid
|
AandurvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dorst aan/durfde aan, heeft aangedurfd) 1 durven te doen 2 durven te bestrijden.
| Durfde aan | Aangedurfd
|
AanduwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; duwde aan, heeft aangeduwd) 1 (een motorvoertuig) door duwen starten 2 vastduwen, aandrukken.
In Spaans overeenkomend met: Presionar sDringen Drukken Knellen Persen Pressen | Duwde aan | Aangeduwd
|
AandweilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dweilde aan, heeft aangedweild) 1 schoonmaken met een dweil.
| Dweilde aan | Aangedweild
|
| Aaneenbinden | Bond aaneen | Aaneengebonden
|
| Aaneenblijven | Bleef aaneen | Aaneengebleven
|
| Aaneenbrengen | Bracht aaneen | Aaneengebracht
|
| Aaneendragen | Droeg aaneen | Aaneengedragen
|
| Aaneendriegen | Driegde aaneen | Aaneengedriegd
|
| Aaneenflansen | Flanste aaneen | Aaneengeflanst
|
| Aaneengrenzen | Grensde aaneen | Aaneengegrensd
|
| Aaneengroeien | Groeide aaneen | Aaneengegroeid
|
| Aaneenhaken | Haakte aaneen | Aaneengehaakt
|
| Aaneenhangen | Hing aaneen | Aaneengehangen
|
| Aaneenhechten | Hechtte aaneen | Aaneengehecht
|
| Aaneenhouden | Hield aaneen | Aaneengehouden
|
| Aaneenketenen | Ketende aaneen | Aaneengeketend
|
| Aaneenkleven | Kleefde aaneen | Aaneengekleefd
|
| Aaneenklinken | Klonk aaneen | Aaneengeklonken
|
| Aaneenkluisteren | Kluisterde aaneen | Aaneengekluisterd
|
| Aaneenknopen | Knoopte aaneen | Aaneengeknoopt
|
| Aaneenkoeken | Koekte aaneen | Aaneengekoekt
|
| Aaneenkoppelen | Koppelde aaneen | Aaneengekoppeld
|
| Aaneenlijmen | Lijmde aaneen | Aaneengelijmd
|
| Aaneennaaien | Naaide aaneen | Aaneengenaaid
|
| Aaneenpassen | Paste aaneen | Aaneengepast
|
| Aaneenplakken | Plakte aaneen | Aaneengeplakt
|
AaneenpratenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; praatte aaneen, heeft aaneengepraat) 1 (in België) door praten met elkaar verbinden.
| Praatte aaneen | Aaneengepraat
|
| Aaneenrijgen | Reeg aaneen | Aaneengeregen
|
AaneenschakelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schakelde aaneen, heeft aaneengeschakeld; aaneenschakeling) 1 als een keten aan elkaar voegen.
| Schakelde aaneen | Aaneengeschakeld
|
AaneenschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schreef aaneen, heeft aaneengeschreven) 1 als één woord schrijven.
| Schreef aaneen | Aaneengeschreven
|
AaneensluitenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloot aaneen, heeft aaneengesloten; aaneensluiting) 1 strak tegen elkaar aan komen. (overgankelijk werkwoord; sloot aaneen, heeft aaneengesloten) 1 strak tegen elkaar aanleggen. (wederkerend werkwoord; sloot zich aaneen, heeft zich aaneengesloten) 1 zich verenigen.
In Spaans overeenkomend met: Concentrar sBinden Verdichten | Sloot aaneen | Aaneengesloten
|
| Aaneensmeden | Smeedde aaneen | Aaneengesmeed
|
| Aaneenspijkeren | Spijkerde aaneen | Aaneengespijkerd
|
AaneenvoegenIn Spaans overeenkomend met: Juntar, Unir sBijeenbrengen Samenbrengen Samenvoegen Verenigen | Voegde aaneen | Aaneengevoegd
|
| Aaneenzetten | Zette aaneen | Aaneengezet
|
| Aaneenzitten | Zat aaneen | Aaneengezeten
|
| Aanerven | Erfde aan | Aangeërfd
|
| Aanfietsen | Fietste aan | Aangefietst
|
AanflitsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; flitste aan, heeft aangeflitst) 1 (van lampen) plotseling aangaan.
| Flitste aan | Aangeflitst
|
AanfloepenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; floepte aan, is aangefloept) 1 aanflitsen.
| Floepte aan | Aangefloept
|
| Aanfluiten | Floot aan | Aangefloten
|
| Aanfokken | Fokte aan | Aangefokt
|
| Aanfruiten | Fruitte aan | Aangefruit
|
AangaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging aan, is aangegaan) 1 in het voorbijgaan een bezoek brengen 2 (van bijeenkomsten) beginnen 3 (van lampen, apparaten) beginnen te functioneren 4 (van jonge planten) wortel schieten en beginnen te groeien 5 (wielersport) de eindsprint beginnen . (overgankelijk werkwoord; ging aan, is aangegaan) 1 beginnen met (iets) 2 betreffen, raken.
In Spaans overeenkomend met: Formar Atañer, Concernir, Corresponder, Incumbir, Respectar Ajustar, Contratar, Destajar Relacionarse, Tener relación sAanbelangen Aannemen Afsluiten Betreffen Contracteren Formeren Gelden Raken Toebehoren Verhouden|Zich verhouden Verkeren Vormen Zich verhouden | Ging aan | Aangegaan
|
AangapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gaapte aan, heeft aangegaapt) 1 dom of verbaasd met open mond aanstaren.
In Spaans overeenkomend met: Estar boquiabierto, Estar embobado, Mirar con la boca abierta sDom kijken Gapen | Gaapte aan | Aangegaapt
|
| Aangespen | Gespte aan | Aangegespt
|
AangevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gaf aan, heeft aangegeven; aangever, aangeving) 1 in handen geven 2 bekendmaken, laten weten 3 ter kennis brengen van de overheid 4 met tekens aanduiden 5 (sport) (de bal) toespelen .
In Spaans overeenkomend met: Declarar Delatar, Denunciar Dar Hacer inscribir Señalar Entregar, Llegar, Pasar Trazar Hacer un signo, Indicar, Marcar Alargar, Transferir sAanbrengen Aanduiden Aankruisen Aanreiken Aanwijzen Aanzeggen Afdragen Betuigen Declareren Doorbrengen Een teken geven Geven Kenmerken Klikken Markeren Merken Opbrengen Overgeven Tekenen Toebrengen Toekennen Toereiken Uitduiden Verdrijven Verklaren Verklikken Verlenen Verraden Voorschrijven | Gaf aan | Aangegeven
|
| Aangieren | Gierde aan | Aangegierd
|
| Aangieten | Goot aan | Aangegoten
|
| Aanglimmen | Glom aan | Aangeglommen
|
| Aangloeien | Gloeide aan | Aangegloeid
|
| Aangluren | Gluurde aan | Aangegluurd
|
| Aangolven | Golfde aan | Aangegolfd
|
AangooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; gooide aan, heeft aangegooid) 1 als pitcher werpen.
| Gooide aan | Aangegooid
|
AangordenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gordde aan, heeft aangegord) 1 (formeel) om het middel vastbinden (in het bijz. wapens). (wederkerend werkwoord; gordde zich aan, heeft zich aangegord) 1 zich voor de strijd uitrusten.
| Gordde aan | Aangegord
|
| Aangrauwen | Grauwde aan | Aangegrauwd
|
| Aangraven | Groef aan | Aangegraven
|
AangrijnzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; grijnsde aan, heeft aangegrijnsd) 1 spottend of dreigend aankijken.
| Grijnsde aan | Aangegrijnsd
|
AangrijpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; greep aan, heeft aangegrepen; aangrijping) 1 een sterke indruk op het gevoel of het gestel maken van (iem.) 2 aanvallen 3 beetpakken.
In Spaans overeenkomend met: Afectar, Agarrarse ((),(Dicho de una enfermedad o de un estado de ánimo: Apoderarse de alguien tenazmente: Se le agarró la tos.)) Agredir, Atacar Agarrar, Asir, Coger Conmover sAandoen Aantasten Aanvallen Attaqueren Bemachtigen Bewegen Grijpen Ontroeren Tackelen Vastgrijpen Vasthouden Vastpakken | Greep aan | Aangegrepen
|
| Aangrimmen | Grimde aan | Aangegrimd
|
| Aangrinniken | Grinnikte aan | Aangegrinnikt
|
AangroeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; groeide aan, is aangegroeid; aangroeiing) 1 toenemen in kracht of aantal 2 (van een verloren gegaan deel van een organisme) opnieuw groeien.
In Spaans overeenkomend met: Aumentar, Crecer sGroeien Stijgen Toenemen | Groeide aan | Aangegroeid
|
| Aangrommen | Gromde aan | Aangegromd
|
AanhakenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; haakte aan, heeft/is aangehaakt) 1 verder doorgaan op wat eerder geschreven, gezegd is. (onovergankelijk werkwoord; haakte aan, heeft/is aangehaakt; aanhaking) 1 (van schaatsenrijders) de rechterhand in de op de rug gehouden linkerhand van een voorganger leggen en zo meerijden 2 (sport) aansluiting vinden, bv. bij een groep renners. (overgankelijk werkwoord; haakte aan, heeft aangehaakt) 1 met een haak vastmaken.
| Haakte aan | Aangehaakt
|
AanhalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; haalde aan, is aangehaald) 1 krachtiger worden. (overgankelijk werkwoord; haalde aan, heeft aangehaald) 1 (ook absoluut) (een mens, dier) vleiend naar zich toe halen 2 (ook absoluut) citeren 3 aantrekken, verstevigen 4 (iets moeilijks) beginnen.
In Spaans overeenkomend met: Atraer Citar Alegar sAantrekken Aanvoeren Bijbrengen Citeren Noemen Trekken | Haalde aan | Aangehaald
|
AanhangenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hing aan, heeft aangehangen) 1 hangende vast blijven zitten. (overgankelijk werkwoord; hing aan, heeft aangehangen) 1 enthousiast steunen 2 door hangen bevestigen.
In Spaans overeenkomend met: Ser partidario de
| Hing aan | Aangehangen
|
| Aanharden | Hardde aan | Aangehard
|
AanharkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; harkte aan, heeft aangeharkt) 1 (de grond, tuin) door harken in orde brengen.
In Spaans overeenkomend met: Rastrillar sHarken Opharken Uitkammen | Harkte aan | Aangeharkt
|
AanhebbenIn Spaans overeenkomend met: Llevar, Tener puesto sDragen Ophebben Voorhebben | Had aan | Aangehad
|
AanhechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hechtte aan, heeft aangehecht; aanhechting) 1 door hechten bevestigen 2 een nieuwe of afgebroken draad vasthechten.
| Hechtte aan | Aangehecht
|
AanheffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; hief aan, heeft aangeheven) 1 (iets) beginnen te uiten.
| Hief aan | Aangeheven
|
| Aanhikken | Hikte aan | Aangehikt
|
| Aanhinken | Hinkte aan | Aangehinkt
|
AanhitsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hitste aan, heeft aangehitst; aanhitser, aanhitsing) 1 ophitsen.
| Hitste aan | Aangehitst
|
AanhoestenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hoestte aan, heeft aangehoest) 1 hoesten in de richting van -, m.n. als manier waarop virussen of bacillen worden overgedragen.
| Hoestte aan | Aangehoest
|
| Aanhollen | Holde aan | Aangehold
|
| Aanhopen | Hoopte aan | Aangehoopt
|
AanhorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hoorde aan, heeft aangehoord) 1 aandachtig luisteren naar. (overgankelijk werkwoord; aanhoorde, heeft aanhoord) 1 (archaïsch of in België, niet algemeen) aandachtig luisteren naar.
In Spaans overeenkomend met: Escuchar sBeluisteren Luisteren Toehoren Toeluisteren | Hoorde aan | Aangehoord
|
AanhoudenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hield aan, heeft aangehouden) 1 blijven aandringen 2 doorgaan, voortduren 3 in de genoemde richting voortgaan. (overgankelijk werkwoord; hield aan, heeft aangehouden) 1 aanspreken 2 blijven houden 3 de behandeling uitstellen van (iets) 4 handhaven, laten voortduren 5 (eufemisme) arresteren.
In Spaans overeenkomend met: Arrestar, Detener Continuar Durar Parar Aplazar, Diferir Instar sAanblijven Aandringen Arresteren Beklijven Duren In verzekerde bewaring nemen Inrekenen Keren Standhouden Stilleggen Stoppen Stuiten Uitstellen Verdagen Verschuiven Voortduren | Hield aan | Aangehouden
|
| Aanhuppelen | Huppelde aan | Aangehuppeld
|
AanjagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; jaagde aan/joeg aan, heeft aangejaagd; aanjager) 1 (een vuur) feller aanstoken 2 (een apparaat) sneller aandrijven 3 aansporen .
| Jaagde aan | Aangejaagd
|
AankaartenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kaartte aan, heeft aangekaart) 1 (iets) beginnen te bespreken.
In Spaans overeenkomend met: Servir sOpdienen Serveren | Kaartte aan | Aangekaart
|
AankakkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Kakte aan | Aangekakt
|
| Aankalken | Kalkte aan | Aangekalkt
|
| Aankanten | Kantte aan | Aangekant
|
| Aankappen | Kapte aan | Aangekapt
|
| Aankeffen | Kefte aan | Aangekeft
|
| Aankerven | Kerfde aan | Aangekerfd
|
AankijkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; keek aan, heeft aangekeken) 1 op de genoemde wijze beoordelen. (werkwoord; keek aan, heeft aangekeken) 1 (iem.) van iets verdenken. (overgankelijk werkwoord; keek aan, heeft aangekeken) 1 kijken naar iem. 2 (iets) in beraad houden.
In Spaans overeenkomend met: Mirar, Poner la vista en sAanblikken | Keek aan | Aangekeken
|
AanklagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; klaagde aan, heeft aangeklaagd; aanklager) 1 bij de bevoegde macht beschuldigen 2 (in België, niet algemeen) aan de kaak stellen, afkeuren.
In Spaans overeenkomend met: Acriminar, Acusar, Denunciar, Inculpar Quejarse sAan de kaak stellen Beschuldigen Betichten Zijn beklag doen | Klaagde aan | Aangeklaagd
|
AanklampenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; klampte aan, is aangeklampt) 1 (wielersport) (van wielrenners) een groep met moeite bijhouden. (overgankelijk werkwoord; klampte aan, heeft aangeklampt) 1 (iem.) staande houden en aanspreken voor hulp of steun 2 (een ander schip) terzijde varen en zich eraan vasthaken.
In Spaans overeenkomend met: Abordar Dirigir la palabra a, Dirigirse a sAanspreken Toespreken | Klampte aan | Aangeklampt
|
AankledenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kleedde aan, heeft aangekleed; aankleding) 1 (iem.) kleding voor overdag of voor buiten aantrekken 2 stofferen, meubileren, van een passende versiering voorzien.
In Spaans overeenkomend met: Vestir sKleden Omkleden Staan | Kleedde aan | Aangekleed
|
| Aanklemmen | Klemde aan | Aangeklemd
|
AanklevenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kleefde aan, heeft aangekleefd; aankleving) 1 eigen zijn aan.
| Kleefde aan | Aangekleefd
|
AanklikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; klikte aan, heeft aangeklikt) 1 (een teken, woord, icoon op een computerscherm) selecteren door er met de muis op te klikken.
| Klikte aan | Aangeklikt
|
| Aanklinken | Klonk aan | Aangeklonken
|
| Aanklooien | Klooide aan | Aangeklooid
|
AankloppenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt) 1 een beroep doen op. (onovergankelijk werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt) 1 door ergens te kloppen te kennen geven dat men wenst binnengelaten te worden. (overgankelijk werkwoord; klopte aan, heeft aangeklopt) 1 door kloppen vaster maken.
In Spaans overeenkomend met: Llamar a la puerta
| Klopte aan | Aangeklopt
|
| Aanklossen | Kloste aan | Aangeklost
|
AanklotenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; klootte aan, heeft aangekloot) 1 (informeel) aanmodderen.
| Klootte aan | Aangekloot
|
| Aanklotsen | Klotste aan | Aangeklotst
|
AanknippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knipte aan, heeft aangeknipt) 1 als een geheel knippen met een ander deel 2 met een knippend geluid in werking stellen.
| Knipte aan | Aangeknipt
|
| Aanknoeien | Knoeide aan | Aangeknoeid
|
AanknopenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; knoopte aan, heeft aangeknoopt) 1 verder gaan met bespreken, vertellen. (overgankelijk werkwoord; knoopte aan, heeft aangeknoopt) 1 vastknopen 2 beginnen met (iets dat wederzijdse werking veronderstelt).
In Spaans overeenkomend met: Entablar Anudar
| Knoopte aan | Aangeknoopt
|
AankoekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; koekte aan, is aangekoekt) 1 zich als een koek vastzetten 2 met een koeklaag bedekt worden.
| Koekte aan | Aangekoekt
|
| Aankoersen | Koerste aan | Aangekoerst
|
AankomenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; kwam aan, is aangekomen) 1 afhangen van. (werkwoord; kwam aan, is aangekomen) 1 onverwacht aankaarten. (onovergankelijk werkwoord; kwam aan, is aangekomen; aankomst) 1 zijn bestemming bereiken 2 het doel treffen 3 naderen 4 in gewicht toenemen 5 (van een mededeling, gebeurtenis) de genoemde indruk maken 6 (archaïsch) door erfenis eigendom worden.
In Spaans overeenkomend met: Arribar ((haven)), Arribarse, Llegar Estar en contacto, Tocar sAanraken Arriveren Beroeren Binnenlopen Landen Raken Toucheren | Kwam aan | Aangekomen
|
AankondigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kondigde aan, heeft aangekondigd; aankondiger, aankondiging) 1 bekendmaken dat iets zal gebeuren 2 inluiden 3 (spel) bij het kaartspel bieden. (wederkerend werkwoord; kondigde zich aan, heeft zich aangekondigd) 1 aanbreken 2 (in België, niet algemeen) (van iets wat staat te gebeuren) beloven te worden, zich laten aanzien.
In Spaans overeenkomend met: Anunciar, Echar Divulgar, Enterar, Hacer saber, Informar sAandienen Adverteren Annonceren Bekend maken In kennis stellen Mededelen Meedelen Verwittigen | Kondigde aan | Aangekondigd
|
| Aankooien | Kooide aan | Aangekooid
|
AankopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kocht aan, heeft aangekocht) 1 kopen voor eigen behoefte.
In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Comprar, Procurarse sAanschaffen Afnemen Inkopen Kopen Overnemen | Kocht aan | Aangekocht
|
AankoppelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; koppelde aan, heeft aangekoppeld; aankoppeling) 1 door in elkaar sluitende delen verbinden 2 (dieren) door middel van een koppel aan elkaar vastbinden.
| Koppelde aan | Aangekoppeld
|
| Aankorsten | Korstte aan | Aangekorst
|
| Aankrammen | Kramde aan | Aangekramd
|
AankrijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kreeg aan, heeft aangekregen) 1 als levering ontvangen.
| Kreeg aan | Aangekregen
|
| Aankruien | Kruide aan | Aangekruid
|
AankruisenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kruiste aan, heeft aangekruist; aankruising) 1 met een kruisje merken of aangeven.
In Spaans overeenkomend met: Marcar sAanduiden Aangeven Een teken geven Kenmerken Markeren Merken | Kruiste aan | Aangekruist
|
AankunnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kon aan, heeft aangekund) 1 minstens even sterk zijn als (iem.) 2 berekend zijn voor (een taak).
| Kon aan | Aangekund
|
AankwekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kweekte aan, heeft aangekweekt) 1 opkweken 2 met zorg ontwikkelen en bevorderen.
In Spaans overeenkomend met: Cultivar sBebouwen Beschaven Kweken Telen Verbouwen | Kweekte aan | Aangekweekt
|
| Aanlachen | Lachte aan | Aangelachen
|
| Aanladen | Laadde aan | Aangeladen
|
AanlandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (landde aan, is aangeland) land bereiken 2 (landde aan, is aangeland) terechtkomen 3 (landde aan, heeft aangeland) (van aardgas) aan land gebracht worden. (overgankelijk werkwoord; landde aan, heeft aangeland; aanlanding) 1 (aardgas) aan land brengen.
In Spaans overeenkomend met: Abordar, Arribar, Llegar, Recalar sAanbelanden Terechtkomen | Landde aan | Aangeland
|
| Aanlangen | Langde aan | Aangelangd
|
| Aanlappen | Lapte aan | Aangelapt
|
| Aanlassen | Laste aan | Aangelast
|
| Aanlaten | Liet aan | Aangelaten
|
AanleggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; legde aan, heeft aangelegd) 1 (van vaartuigen) afmeren 2 onderweg pauzeren om uit te rusten of iets te gebruiken. (overgankelijk werkwoord; legde aan, heeft aangelegd) 1 (ook absoluut) (een vaartuig) afmeren 2 (ook absoluut) (een wapen) richten 3 tegen of om iets aanbrengen 4 doen overeenkomstig een bepaald doel 5 bezig zijn tot stand te brengen.
In Spaans overeenkomend met: Instalar Construir, Edificar Apuntar ((geweer),(Fusíl)), Encarar ((geweer),(Fusíl)) sAanbrengen Bouwen Construeren Fitten Ineenzetten Installeren Maken Richten | Legde aan | Aangelegd
|
AanlengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; lengde aan, heeft aangelengd; aanlenging) 1 (een vloeibare stof) verdunnen.
In Spaans overeenkomend met: Aguar, Desleír sBinden Liéren Met water verdunnen Oplossen | Lengde aan | Aangelengd
|
AanlerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leerde aan, heeft aangeleerd) 1 zich (een kennis of vaardigheid) eigen maken 2 (een kennis of vaardigheid) onderwijzen.
In Spaans overeenkomend met: Aprender sLeren | Leerde aan | Aangeleerd
|
AanleunenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; leunde aan, heeft aangeleund) 1 (in België) een voorkeur hebben voor, steun zoeken bij 2 (in België) overeenkomst vertonen met. (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Leunde aan | Aangeleund
|
AanleverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leverde aan, heeft aangeleverd; aanlevering) 1 bezorgen voor transport.
| Leverde aan | Aangeleverd
|
| Aanlichten | Lichtte aan | Aangelicht
|
AanliggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; lag aan, heeft aangelegen) 1 aan de dis liggen 2 (scheepvaart) zekere koers aanhouden.
| Lag aan | Aangelegen
|
| Aanlijken | Lijkte aan, Leek aan | Aangelijkt, Aangeleken
|
| Aanlijmen | Lijmde aan | Aangelijmd
|
AanlijnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; lijnde aan, heeft aangelijnd; aanlijning) 1 (een hond) aan een riem vastmaken.
| Lijnde aan | Aangelijnd
|
| Aanloden | Loodde aan | Aangelood
|
| Aanloeien | Loeide aan | Aangeloeid
|
| Aanloeren | Loerde aan | Aangeloerd
|
| Aanloeven | Loefde aan | Aangeloefd
|
AanlokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; lokte aan, heeft aangelokt; aanlokking) 1 aantrekken, op aangename wijze boeien.
In Spaans overeenkomend met: Atraer, Cautivar, Seducir sAantrekken Bekoren Toelachen Trekken Verlekkeren | Lokte aan | Aangelokt
|
| Aanlonken | Lonkte aan | Aangelonkt
|
AanlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (liep aan, heeft/is aangelopen) (van een bewegend deel van een werktuig) een ander deel licht raken en daardoor in de loop gestuit worden 2 (liep aan, is aangelopen) kleuren, de genoemde kleur krijgen.
| Liep aan | Aangelopen
|
AanmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte aan, heeft aangemaakt) 1 in voorraad vervaardigen 2 toebereiden 3 doen branden.
In Spaans overeenkomend met: Encender Fabricar Hacer Aderezar, Adobar, Preparar sBedrijven Bereiden Doen Doen ontbranden Fabriceren Gereedmaken Maken Ontsteken Stoken Toebereiden Uitbrengen Uitrichten Uitvoeren Vervaardigen Voorbereiden | Maakte aan | Aangemaakt
|
AanmanenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; maande aan, heeft aangemaand; aanmaning) 1 (iem.) met nadruk aansporen 2 (iem.) opwekken tot hetgeen men verplicht is te doen.
In Spaans overeenkomend met: Excitar, Exhortar, Requerir
| Maande aan | Aangemaand
|
| Aanmarcheren | Marcheerde aan | Aangemarcheerd
|
AanmatigenALLE betekenissen van dit woord: (wederkerend werkwoord; matigde zich aan, heeft zich aangematigd; aanmatiging) 1 op onpassende of wederrechtelijke wijze aanspraak maken op.
| Matigde aan | Aangematigd
|
AanmeldenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; meldde aan, heeft aangemeld) 1 zich bekendmaken. (overgankelijk werkwoord; meldde aan, heeft aangemeld; aanmelder, aanmelding) 1 de komst of aanwezigheid melden van (iem.) 2 opgeven.
| Meldde aan | Aangemeld
|
AanmengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; mengde aan, heeft aangemengd) 1 klaarmaken door vermenging met iets vloeibaars.
| Mengde aan | Aangemengd
|
AanmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; meerde aan, heeft aangemeerd) 1 afmeren.
| Meerde aan | Aangemeerd
|
AanmerkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; merkte aan, heeft aangemerkt) 1 beschouwen als. (overgankelijk werkwoord; merkte aan, heeft aangemerkt; aanmerking) 1 ter afkeuring opmerken.
| Merkte aan | Aangemerkt
|
AanmetenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aanmeting) ¶ alleen in verbindingen.
| Mat aan | Aangemeten
|
AanmodderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; modderde aan, heeft aangemodderd) 1 (informeel) prutsen, zonder plan werken.
| Modderde aan | Aangemodderd
|
AanmoedigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; moedigde aan, heeft aangemoedigd; aanmoediging) 1 (iem.) aansporen op een positieve manier 2 de ontwikkeling, toename bevorderen van.
In Spaans overeenkomend met: Estimular Alentar, Animar, Atrever sAnimeren Bemoedigen Bezielen Opmonteren Opvrolijken Opwekken Stijven | Moedigde aan | Aangemoedigd
|
AanmonsterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; monsterde aan, heeft aangemonsterd; aanmonstering) 1 dienst nemen op een schip. (overgankelijk werkwoord; monsterde aan, heeft aangemonsterd) 1 in dienst nemen op een schip.
| Monsterde aan | Aangemonsterd
|
AanmuntenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; muntte aan, heeft aangemunt; aanmunter, aanmunting) 1 tot munten slaan.
In Spaans overeenkomend met: Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar sAfdrukken Slaan Stempelen Zijn stempel drukken op | Muntte aan | Aangemunt
|
AannaaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; naaide aan, heeft aangenaaid) 1 naaiend vasthechten.
In Spaans overeenkomend met: Coser
| Naaide aan | Aangenaaid
|
| Aannagelen | Nagelde aan | Aangenageld
|
AannemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; nam aan, heeft aangenomen; aannemer, aanneming) 1 (iets dat aangereikt wordt) aanpakken 2 (het aangebodene) graag ontvangen 3 zich eigen maken 4 als juist of zo zijnd aanvaarden 5 veronderstellen 6 op zich nemen 7 (personeel) in dienst nemen 8 zich ontfermen over (iem.) 9 als lid opnemen in enig verband .
In Spaans overeenkomend met: Adoptar Aceptar, Acoger, Admitir, Caber, Recibir, Tomar Tomar a sueldo Adaptar, Prohijar Contratar Suponer Entregarse sAangaan Aanvaarden Aanwerven Accepteren Adopteren Affiliëren Afsluiten Contracteren Eigen maken|Zich eigen maken Huren In dienst nemen Menen Onderstellen Ontvangen Opnemen Opvangen Stellen Tewerkstellen Toelaten Vermoeden Veronderstellen Zich eigen maken | Nam aan | Aangenomen
|
AanpakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; pakte aan, heeft aangepakt) 1 (iets dat wordt aangegeven) overnemen 2 beginnen met werken 3 (iem.) straffen, bestraffend toespreken 4 een diepe indruk maken op (iem.).
In Spaans overeenkomend met: Abordar, Salir al paso sAan komen lopen Beginnen met Toetreden | Pakte aan | Aangepakt
|
| Aanpappen | Papte aan | Aangepapt
|
AanpassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; paste aan, heeft aangepast; aanpassing) 1 aantrekken om te passen 2 in overeenstemming brengen, passend maken. (wederkerend werkwoord; paste zich aan, heeft zich aangepast) 1 zich regelen naar, zich schikken.
In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar, Adecuar, Amoldar, Apropiar Ensayar, Intentar, Probar Probar sAccommoderen Adapteren Beproeven Passen Proberen Testen Toetsen Uitproberen | Paste aan | Aangepast
|
| Aanpersen | Perste aan | Aangeperst
|
AanpezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; peesde aan, heeft aangepeesd) 1 (informeel) hard werken.
| Peesde aan | Aangepeesd
|
AanpikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pikte aan, heeft aangepikt) 1 (een last) aan de haak van een hijswerktuig bevestigen 2 (sport) aanhaken, aansluiting vinden, bv. bij een groep renners.
| Pikte aan | Aangepikt
|
AanplakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; plakte aan, heeft aangeplakt) 1 (ook absoluut) (een aanplakbiljet) door middel van lijm vasthechten 2 (een boodschap) door aanplakbiljetten bekendmaken.
| Plakte aan | Aangeplakt
|
AanplantenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; plantte aan, heeft aangeplant; aanplanting) 1 (nieuwe of jonge gewassen) planten.
In Spaans overeenkomend met: Cultivar, Plantar sPlanten Poten | Plantte aan | Aangeplant
|
| Aanplempen | Plempte aan | Aangeplempt
|
| Aanploegen | Ploegde aan | Aangeploegd
|
AanporrenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; porde aan, heeft aangepord) 1 (iem.) een veelbetekenende por geven 2 aansporen.
In Spaans overeenkomend met: Animar, Estimular sAansporen Aanvuren Prikkelen Stimuleren | Porde aan | Aangepord
|
AanpotenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; pootte aan, heeft aangepoot) 1 (informeel) flink doorwerken. (overgankelijk werkwoord; pootte aan, heeft aangepoot) 1 nieuwe gewassen poten.
| Pootte aan | Aangepoot
|
AanpratenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; praatte aan, heeft aangepraat) 1 door mooi praten iem. (iets) doen kopen 2 iemand (iets) op de mouw spelden.
In Spaans overeenkomend met: Encajar sAansmeren | Praatte aan | Aangepraat
|
| Aanpreken | Preekte aan | Aangepreekt
|
AanprijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; prees aan, heeft aangeprezen; aanprijzing) 1 door lofprijzingen begeerlijk maken.
| Prees aan | Aangeprezen
|
| Aanprikkelen | Prikkelde aan | Aangeprikkeld
|
| Aanprikken | Prikte aan | Aangeprikt
|
AanpuntenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; puntte aan, heeft aangepunt; aanpunting) 1 een punt aan (iets) maken 2 (de gevoelige kanten) wat meer naar voren halen.
| Puntte aan | Aangepunt
|
AanradenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raadde aan, heeft aangeraden) 1 raad geven om iets te doen of te nemen.
In Spaans overeenkomend met: Aconsejar, Recomendar sAdviseren Raad geven Raden | Raadde aan, Ried aan | Aangeraden
|
AanrakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raakte aan, heeft aangeraakt; aanraking) 1 met opzet raken.
In Spaans overeenkomend met: Estar en contacto, Hurgar, Tocar sAankomen Beroeren Raken Toucheren | Raakte aan | Aangeraakt
|
AanrandenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; randde aan, heeft aangerand; aanrander, aanranding) 1 met slechte bedoelingen te lijf gaan.
In Spaans overeenkomend met: Forzar, Violar, Violentar Acometer, Agredir, Asaltar, Atentar, Sobresaltar
| Randde aan | Aangerand
|
| Aanrazen | Raasde aan | Aangeraasd
|
| Aanrazeren | Razeerde aan | Aangerazeerd
|
| Aanrechten | Rechtte aan | Aangerecht
|
AanreikenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; reikte aan, heeft aangereikt) 1 iem. iets in handen geven 2 beschikbaar stellen.
In Spaans overeenkomend met: Entregar, Llegar, Pasar Alargar, Transferir sAangeven Afdragen Doorbrengen Overgeven Toereiken Verdrijven | Reikte aan | Aangereikt
|
AanrekenenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; rekende aan, heeft aangerekend) 1 schatten op, beschouwen als. (overgankelijk werkwoord; rekende aan, heeft aangerekend) 1 de schuld geven van.
In Spaans overeenkomend met: Achacar, Atribuir, Echar la culpa, Valorar en sToedichten Toerekenen Toeschrijven Wijten | Rekende aan | Aangerekend
|
| Aanrennen | Rende aan | Aangerend
|
AanrichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; richtte aan, heeft aangericht; aanrichter, aanrichting) 1 (iets naars, nadeligs) teweegbrengen .
In Spaans overeenkomend met: Arreglar Causar, Dar lugar a, Inferir ((),(Producir o causar ofensas, agravios, heridas)), Instigar, Maquinar, Ocasionar, Producir sAandoen Arrangeren Berokkenen Ordenen Stichten Teweegbrengen Toebrengen Veroorzaken | Richtte aan | Aangericht
|
AanrijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; aanrijding) ¶ alleen in verbindingen. (overgankelijk werkwoord; reed aan, heeft aangereden) 1 met zijn voertuig botsen tegen.
In Spaans overeenkomend met: Atropellar sVoorrijden | Reed aan | Aangereden
|
AanrijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; reeg aan, heeft aangeregen) 1 aan een draad rijgen 2 (een stuk stof) met een rijgsteek vastmaken.
| Reeg aan | Aangeregen
|
| Aanrijpen | Rijpte aan | Aangerijpt
|
| Aanrissen | Riste aan | Aangerist
|
| Aanristen | Ristte aan | Aangerist
|
| Aanroeien | Roeide aan | Aangeroeid
|
AanroepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; riep aan, heeft aangeroepen; aanroeping) 1 door roepen de aandacht trekken van 2 (een hoger wezen) om hulp vragen.
In Spaans overeenkomend met: Invocar Llamar sOproepen Praaien | Riep aan | Aangeroepen
|
AanroerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; roerde aan, heeft aangeroerd; aanroering) 1 terloops, oppervlakkig behandelen .
In Spaans overeenkomend met: Tocar sAanzitten | Roerde aan | Aangeroerd
|
| Aanroesten | Roestte aan | Aangeroest
|
| Aanroken | Rookte aan | Aangerookt
|
| Aanrollen | Rolde aan | Aangerold
|
AanrommelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; rommelde aan, heeft aangerommeld) 1 zonder plan werken.
| Rommelde aan | Aangerommeld
|
| Aanruisen | Ruiste aan | Aangeruist
|
AanrukkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Rukte aan | Aangerukt
|
AanschaffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schafte aan, heeft aangeschaft; aanschaffing) 1 zich door koop in het bezit stellen van.
In Spaans overeenkomend met: Proporcionarse Comprar Procurarse sAankopen Afnemen Inkopen Kopen Overnemen Verkrijgen | Schafte aan | Aangeschaft
|
| Aanschakelen | Schakelde aan | Aangeschakeld
|
| Aanscharrelen | Scharrelde aan | Aangescharreld
|
| Aanschellen | Schelde aan | Aangescheld
|
AanscherpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scherpte aan, heeft aangescherpt; aanscherping) 1 duidelijker, preciezer vaststellen.
| Scherpte aan | Aangescherpt
|
AanschietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoot aan, heeft aangeschoten) 1 haastig aantrekken 2 verwonden door een schot 3 terloops aanklampen om haastig iets te vragen of te zeggen.
| Schoot aan | Aangeschoten
|
AanschikkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schikte aan, is aangeschikt; aanschikking) 1 dichter bijeen gaan zitten 2 aan tafel plaatsnemen.
| Schikte aan | Aangeschikt
|
| Aanschoffelen | Schoffelde aan | Aangeschoffeld
|
| Aanschoppen | Schopte aan | Aangeschopt
|
AanschouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aanschouwde, heeft aanschouwd; aanschouwer, aanschouwing) 1 (formeel) zien.
| Aanschouwde | Aanschouwd
|
| Aanschrappen | Schrapte aan | Aangeschrapt
|
| Aanschrijden | Schreed aan | Aangeschrijd, Aangeschreden
|
AanschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schreef aan, heeft aangeschreven; aanschrijver, aanschrijving) 1 schriftelijk bevelen 2 in rekening brengen.
In Spaans overeenkomend met: Notificar
| Schreef aan | Aangeschreven
|
AanschroevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schroefde aan, heeft aangeschroefd) 1 met schroeven vastmaken 2 een schroef vaster draaien.
| Schroefde aan | Aangeschroefd
|
| Aanschuinen | Schuinde aan | Aangeschuind
|
AanschuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (schoof aan, is aangeschoven) schuivend dichterbij komen 2 (schoof aan, is aangeschoven) (in België) langzaam vooruitgaan (in een rij wachtenden of een file) 3 (schoof aan, heeft/is aangeschoven) bij anderen aan tafel komen zitten. (overgankelijk werkwoord; schoof aan, heeft aangeschoven) 1 schuivend dichterbij brengen.
| Schoof aan | Aangeschoven
|
| Aanschuren | Schuurde aan | Aangeschuurd
|
AansjokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Sjokte aan | Aangesjokt
|
AansjorrenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sjorde aan, heeft aangesjord) 1 stijver vastbinden door het aantrekken van de touwen.
| Sjorde aan | Aangesjord
|
AansjouwenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Sjouwde aan | Aangesjouwd
|
AanslaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloeg aan, is aangeslagen) 1 (van motoren) beginnen te functioneren 2 zich aan de oppervlakte vastzetten 3 beslagen raken 4 (van zaken) succes oogsten 5 even geluid geven 6 na verplanten opnieuw wortel schieten 7 (van projectielen) een oppervlakte aanraken en opspringen. (overgankelijk werkwoord; sloeg aan, heeft aangeslagen) 1 snel en kort treffen 2 de waarde bepalen van 3 (militair, leger) (het geweer) in schiethouding aan de schouder brengen 4 voor tijdelijk gebruik gereedmaken 5 beslag leggen op.
In Spaans overeenkomend met: Ladrar ((hond),(perro)) Gravar ((belastingen)), Imponer ((belastingen)) Empañarse ((ruiten),(vidrios)) sBeginnen te blaffen Belasten Belasting heffen op Beslaan Veraccijnzen | Sloeg aan | Aangeslagen
|
| Aanslenteren | Slenterde aan | Aangeslenterd
|
AanslepenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleepte aan, heeft aangesleept) 1 (in België) zich voortslepen, voortduren, langer duren dan gewenst. (overgankelijk werkwoord; sleepte aan, heeft aangesleept) 1 met moeite of in grote hoeveelheden aandragen.
| Sleepte aan | Aangesleept
|
| Aansleuren | Sleurde aan | Aangesleurd
|
AanslibbenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slibde aan, is aangeslibd; aanslibbing) 1 door slib ontstaan of groter worden (van grond).
| Slibde aan | Aangeslibd
|
| Aanslijken | Slijkte aan | Aangeslijkt
|
| Aanslijmen | Slijmde aan | Aangeslijmd
|
| Aanslijpen | Sleep aan | Aangeslepen
|
| Aansloffen | Slofte aan | Aangesloft
|
| Aansluipen | Sloop aan | Aangeslopen
|
AansluitenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten) 1 gaan meedoen met. (onovergankelijk werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten; aansluiting) 1 zonder gaping overgaan of verbonden zijn 2 (van personen) dicht achter anderen gaan staan of lopen. (overgankelijk werkwoord; sloot aan, heeft aangesloten) 1 verbinden met een stroom- of telefoonnet, waterleiding enz. 2 aan iets of iemand doen sluiten zonder tussenruimte.
In Spaans overeenkomend met: Conectar Comunicar Juntarse, Unirse Empalmar Atar, Ligar sAaneensluiten|Zich aaneensluiten Binden Vastbinden Vastmaken Verbinden Zich aaneensluiten | Sloot aan | Aangesloten
|
| Aansmeden | Smeedde aan | Aangesmeed
|
AansmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smeerde aan, heeft aangesmeerd) 1 (pejoratief) iets te duur verkopen 2 met een laagje metselspecie of kalk bestrijken.
In Spaans overeenkomend met: Embaucar, Encajar Untar sAanpraten Besmeren Doorsmeren Smeren | Smeerde aan | Aangesmeerd
|
| Aansmijten | Smeet aan | Aangesmeten
|
| Aansnauwen | Snauwde aan | Aangesnauwd
|
| Aansnellen | Snelde aan | Aangesneld
|
AansnijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sneed aan, heeft aangesneden; aansnijding) 1 de eerste snee maken in 2 beginnen te bespreken.
In Spaans overeenkomend met: Decentar, Empezar, Encentar sBeginnen te snijden | Sneed aan | Aangesneden
|
AansnoerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snoerde aan, heeft aangesnoerd) 1 vaster snoeren, nauwer toesnoeren.
| Snoerde aan | Aangesnoerd
|
| Aansnorren | Snorde aan | Aangesnord
|
AanspannenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spande aan, heeft aangespannen; aanspanner, aanspanning) 1 (voertuigen enz.) vastmaken aan een trekker, paard enz. 2 (een rechtszaak) beginnen 3 strakker spannen.
| Spande aan | Aangespannen
|
| Aanspelden | Speldde aan | Aangespeld
|
AanspelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speelde aan, heeft aangespeeld) 1 (sport) (een medespeler) de bal toeschuiven.
| Speelde aan | Aangespeeld
|
AanspetenIn Spaans overeenkomend met: Espetar sAan het spit steken | Speette aan | Aangespeet
|
| Aanspijkeren | Spijkerde aan | Aangespijkerd
|
| Aanspinnen | Spinde aan, Spon aan | Aangesponnen
|
| Aanspoeden | Spoedde aan | Aangespoed
|
AanspoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spoelde aan, is aangespoeld; aanspoeling) 1 aan wal komen drijven 2 aanslibben. (overgankelijk werkwoord; spoelde aan, heeft aangespoeld) 1 vormen door aanslibbing.
In Spaans overeenkomend met: Ser arrojado, Ser arrojado a la playa
| Spoelde aan | Aangespoeld
|
AansporenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spoorde aan, heeft aangespoord; aansporing) 1 (een mens of dier) proberen over te halen om zich meer in te spannen.
In Spaans overeenkomend met: Incitar, Instigar Aguijar, Aguijonear, Aguzar, Animar, Espolear, Estimular sAanporren Aanvuren Aanwakkeren Aanzetten Opwekken Prikkelen Stimuleren Zwepen | Spoorde aan | Aangespoord
|
AansprekenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sprak aan, heeft aangesproken) 1 ter verantwoording roepen voor. (overgankelijk werkwoord; sprak aan, heeft aangesproken) 1 (ook absoluut) bevallen, in de smaak vallen 2 (een bepaalde hoeveelheid geld, voedsel, drank) gebruiken 3 het woord richten tot.
In Spaans overeenkomend met: Dirigir la palabra a, Dirigirse a Tratar sAanklampen Betitelen Toespreken | Sprak aan | Aangesproken
|
| Aanspringen | Sprong aan | Aangesprongen
|
AanstaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stond aan, heeft aangestaan) 1 op een kier staan 2 goed bevallen, aangenaam zijn.
In Spaans overeenkomend met: Agradar, Gustar sBehagen Bevallen Prettig vinden Zinnen | Stond aan | Aangestaan
|
AanstampenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stampte aan, heeft aangestampt; aanstamper, aanstamping) 1 door stampen compacter maken.
In Spaans overeenkomend met: Apisonar, Hollar, Pisar, Pisotear sAantrappen Onder de voet lopen Vertrappen | Stampte aan | Aangestampt
|
| Aanstappen | Stapte aan | Aangestapt
|
AanstarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; staarde aan, heeft aangestaard) 1 met strakke blik aankijken.
| Staarde aan | Aangestaard
|
AanstekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stak aan, heeft aangestoken) 1 doen branden of ontvlammen 2 ziektekiemen overbrengen op 3 (vruchten) doen rotten.
In Spaans overeenkomend met: Infectar, Infestar Contagiar Alumbrar, Encender, Iluminar, Inflamar sBelichten Besmetten Doen ontbranden Doen ontvlammen Infecteren Verlichten Verpesten Voorlichten | Stak aan | Aangestoken
|
AanstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde aan, heeft aangesteld; aansteller, aanstelling) 1 in een zekere functie plaatsen. (wederkerend werkwoord; stelde zich aan, heeft zich aangesteld) 1 zich op overdreven wijze uiten.
In Spaans overeenkomend met: Nombrar
| Stelde aan | Aangesteld
|
AansterkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sterkte aan, is aangesterkt; aansterking) 1 (van zieken) gaandeweg herstellen.
| Sterkte aan | Aangesterkt
|
| Aansterven | Stierf aan | Aangestorven
|
AanstevenenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Stevende aan | Aangestevend
|
AanstichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stichtte aan, heeft aangesticht; aanstichter, aanstichting) 1 (iets kwaads) teweegbrengen.
| Stichtte aan | Aangesticht
|
AanstiefelenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Stiefelde aan | Aangestiefeld
|
AanstijvenIn de betekenis van: Stijver worden
| Stijfde aan | Aangestijfd
|
| Aanstijven | Steef aan | Aangesteven
|
| Aanstikken | Stikte aan | Aangestikt
|
AanstippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stipte aan, heeft aangestipt; aanstipper, aanstipping) 1 met een enkel woord vermelden 2 (geneeskunde) met een stift, medicament enz. even aanraken 3 met een stip markeren.
| Stipte aan | Aangestipt
|
AanstokenIn Spaans overeenkomend met: Acuciar, Incitar Hurgar sOp stang jagen Ophitsen Oppoken Prikkelen Sarren | Stookte aan | Aangestookt
|
| Aanstomen | Stoomde aan | Aangestoomd
|
| Aanstoppen | Stopte aan | Aangestopt
|
| Aanstormen | Stormde aan | Aangestormd
|
| Aanstorten | Stortte aan | Aangestort
|
AanstotenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stootte aan, heeft aangestoten) 1 (iem.) porren om zijn aandacht te trekken 2 door stoten in aanraking brengen met.
| Stootte aan, Stiet aan | Aangestoten
|
AanstouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stouwde aan, heeft aangestouwd; aanstouwer, aanstouwing) 1 proppen.
| Stouwde aan | Aangestouwd
|
| Aanstralen | Straalde aan | Aangestraald
|
| Aanstranden | Strandde aan | Aangestrand
|
AanstrepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streepte aan, heeft aangestreept; aanstreping) 1 met een streep merken.
| Streepte aan | Aangestreept
|
AanstrijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streek aan, heeft aangestreken; aanstrijker, aanstrijking) 1 door strijken met verf, cement enz. bedekken 2 door strijken doen ontbranden 3 (muziek) (een snaar) met de strijkstok laten klinken.
In Spaans overeenkomend met: Frotar sUitwrijven Wrijven | Streek aan | Aangestreken
|
| Aanstrikken | Strikte aan | Aangestrikt
|
| Aanstromen | Stroomde aan | Aangestroomd
|
AanstrompelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Strompelde aan | Aangestrompeld
|
AanstuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stoof aan, is aangestoven) 1 naar een plaats toestuiven en zich daar ophopen.
| Stoof aan | Aangestoven
|
AansturenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stuurde aan, heeft aangestuurd) 1 trachten te bereiken of verkrijgen. (overgankelijk werkwoord; stuurde aan, heeft aangestuurd) 1 leiding geven aan, coördineren, managen.
| Stuurde aan | Aangestuurd
|
| Aanstuwen | Stuwde aan | Aangestuwd
|
AansukkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sukkelde aan, heeft aangesukkeld) 1 voortsukkelen.
| Sukkelde aan | Aangesukkeld
|
| Aantakelen | Takelde aan | Aangetakeld
|
| Aantappen | Tapte aan | Aangetapt
|
AantastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tastte aan, heeft aangetast; aantasting) 1 een schadelijke uitwerking hebben op 2 met fysiek of psychisch geweld aangrijpen.
In Spaans overeenkomend met: Agredir, Atacar Cariar, Corroer, Repudrir sAangrijpen Aanvallen Attaqueren Bijten Corroderen Tackelen Uitbijten Uitvreten Wegvreten | Tastte aan | Aangetast
|
AantekenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tekende aan, heeft aangetekend) 1 (ook absoluut) schriftelijk vastleggen 2 (ook absoluut) zich in ondertrouw laten opnemen 3 als verklaring opmerken.
In Spaans overeenkomend met: Sentar Anotar, Apuntar, Notar, Tantear ((de punten in een spel),(los puntos en un juego)) Inscribir, Registrar Certificar, Ensalzar, Recomendar sAanbevelen Boeken Noteren Opschrijven Recommanderen Registreren Te boek stellen Tellen Vastleggen | Tekende aan | Aangetekend
|
| Aantelen | Teelde aan | Aangeteeld
|
AantijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tijgde aan, heeft aangetijgd; aantijger, aantijging) 1 uit kwaadwilligheid beschuldigen.
| Teeg aan | Aangetegen
|
AantikkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; tikte aan, heeft aangetikt) 1 (van geld) oplopen tot een groot bedrag. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; tikte aan, heeft aangetikt) 1 kort aanraken, tikken tegen.
| Tikte aan | Aangetikt
|
| Aantimmeren | Timmerde aan | Aangetimmerd
|
AantippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tipte aan, heeft aangetipt) 1 kort en licht aanraken.
| Tipte aan | Aangetipt
|
AantonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; toonde aan, heeft aangetoond; aantoner, aantoning) 1 de waarheid of aanwezigheid bewijzen van (iets).
In Spaans overeenkomend met: Demostrar, Probar sAdstrueren Bewijzen Staven Uitwijzen Waarmaken | Toonde aan | Aangetoond
|
AantrappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; trapte aan, heeft aangetrapt) 1 met een trapbeweging starten 2 aanstampen.
In Spaans overeenkomend met: Apisonar sAanstampen | Trapte aan | Aangetrapt
|
AantredenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trad aan, is aangetreden) 1 bijeenkomen op een aangewezen plaats en zich in het gelid stellen 2 beginnen te functioneren.
| Trad aan | Aangetreden
|
AantreffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; trof aan, heeft aangetroffen) 1 (iem.) toevallig ontmoeten 2 (iets) toevallig vinden.
In Spaans overeenkomend met: Chocar contra, Dar con, Encontrarse con, Topar Encontrar, Hallar sBevinden Ontmoeten Tegemoet treden Tegenkomen Treffen Vinden | Trof aan | Aangetroffen
|
AantrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok aan, is aangetrokken; aantrekker, aantrekking) 1 een normale of gewenste toestand bereiken. (overgankelijk werkwoord; trok aan, heeft aangetrokken) 1 naar zich toetrekken 2 door trekken vaster doen sluiten 3 op aangename wijze boeien 4 aan zich weten te verbinden 5 (kleding, schoeisel enz.) aandoen . (wederkerend werkwoord; trok zich aan, heeft zich aangetrokken) 1 grote aandacht schenken aan.
In Spaans overeenkomend met: Cautivar, Seducir Atraer Colocarse, Ponerse Poner, Sobreponer Jalar sAandoen Aanhalen Aanlokken Bekoren Opbrengen Opleggen Toelachen Trekken Verlekkeren | Trok aan | Aangetrokken
|
| Aantrippelen | Trippelde aan | Aangetrippeld
|
| Aanturen | Tuurde aan | Aangetuurd
|
AanvaardenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aanvaardde, heeft aanvaard; aanvaarding) 1 zich niet meer verzetten tegen 2 beginnen te doen (een reis, tocht enz.) 3 op zich nemen 4 (formeel) in ontvangst of in gebruik nemen.
In Spaans overeenkomend met: Asumir Entregarse sAannemen Op zich nemen | Aanvaardde | Aanvaard
|
AanvallenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; viel aan, is aangevallen) 1 zich storten op. (overgankelijk werkwoord; viel aan, heeft aangevallen) 1 (ook absoluut) pogen met geweld iemands positie te ondermijnen 2 met woorden bestrijden.
In Spaans overeenkomend met: Asaltar Acometer, Atacar Agredir sAangrijpen Aantasten Attaqueren Overvallen Tackelen | Viel aan | Aangevallen
|
AanvangenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ving aan, is aangevangen) 1 (formeel) beginnen te bestaan of te gebeuren. (overgankelijk werkwoord; ving aan, heeft aangevangen) 1 beginnen met.
In Spaans overeenkomend met: Comenzar, Empezar, Principiar sAanbreken Beginnen Ingaan | Ving aan | Aangevangen
|
AanvarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voer aan, heeft aangevaren) 1 varende in aanraking komen met.
| Voer aan | Aangevaren
|
AanvattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vatte aan, heeft aangevat; aanvatter, aanvatting) 1 (formeel) met een omsluitende greep beetpakken 2 (in België) een begin maken met 3 (formeel) te baat nemen.
In Spaans overeenkomend met: Asir, Coger, Tomar sNemen Oprapen Pakken Vatten | Vatte aan | Aangevat
|
AanvechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vocht aan, heeft aangevochten; aanvechter, aanvechting) 1 de juistheid, rechtsgeldigheid betwisten van.
In Spaans overeenkomend met: Contradecir, Discutir, Objetar sBestrijden Betwisten Tegenspreken | Vocht aan | Aangevochten
|
AanvegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; veegde aan, heeft aangeveegd) 1 met een bezem of veger schoonmaken 2 op een hoop vegen.
In Spaans overeenkomend met: Barrer sBezemen Opvegen Schoonvegen Vegen | Veegde aan | Aangeveegd
|
| Aanvetten | Vette aan | Aangevet
|
| Aanvijlen | Vijlde aan | Aangevijld
|
AanvijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vees aan, heeft aangevezen) 1 (in België, niet algemeen) aanschroeven, met schroeven vastmaken 2 (in België, niet algemeen) aanschroeven, (een schroef) vaster draaien.
| Vees aan | Aangevezen
|
AanvinkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; vinkte aan, heeft aangevinkt) 1 afvinken.
| Vinkte aan | Aangevinkt
|
| Aanvlammen | Vlamde aan | Aangevlamd
|
| Aanvlechten | Vlechtte aan, Vlocht aan | Aangevlochten
|
AanvliegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vloog aan, heeft aangevlogen) 1 het doel vliegend naderen 2 onverwachts snel en heftig aanvallen 3 met een vliegtuig aanvoeren.
| Vloog aan | Aangevlogen
|
| Aanvloeien | Vloeide aan | Aangevloeid
|
| Aanvlotten | Vlotte aan | Aangevlot
|
| Aanvoegen | Voegde aan | Aangevoegd
|
AanvoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; voelde aan, heeft aangevoeld) 1 het genoemde gevoel veroorzaken. (overgankelijk werkwoord; voelde aan, heeft aangevoeld) 1 intuïtief begrijpen.
In Spaans overeenkomend met: Entender, Intuir, Percibir Sentir sGevoelen Gewaarworden Vermoeden Voelen | Voelde aan | Aangevoeld
|
AanvoerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voerde aan, heeft aangevoerd; aanvoerder, aanvoering) 1 (een aantal personen) leiden 2 (zaken) naar een bestemming brengen 3 als bewijs voor een bewering naar voren brengen.
In Spaans overeenkomend met: Aducir ((van argumenten)), Alegar ((van argumenten)) Capitanear, Encabezar Acaudillar, Comandar, Mandar Acarrear ((aanbrengen, naartoe transporteren)) sAanhalen Besturen Bevelen Bijbrengen Commanderen Het bevel voeren Meevoeren Regeren | Voerde aan | Aangevoerd
|
AanvragenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vroeg aan, heeft aangevraagd; aanvrager) 1 verzoeken, min of meer officieel.
In Spaans overeenkomend met: Encargar, Hacer pedido Pedir, Rogar sBestellen Inroepen Verzoeken Vragen | Vraagde aan, Vroeg aan | Aangevraagd
|
AanvretenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vrat aan, heeft aangevreten; aanvreter, aanvreting) 1 door vreten aantasten 2 aantasten.
| Vrat aan | Aangevreten
|
AanvullenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vulde aan, heeft aangevuld; aanvuller, aanvulling) 1 voltallig, volledig maken.
In Spaans overeenkomend met: Completar, Llenar, Suplir sAanzuiveren Afmaken Bijpassen Bijvoegen Bijwerken Completeren Voleinden | Vulde aan | Aangevuld
|
AanvurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vuurde aan, heeft aangevuurd; aanvuring) 1 (personen) sterk aansporen tot iets goeds.
In Spaans overeenkomend met: Instigar Animar, Incitar, Inflamar Activar Estimular, Irritar sAanporren Aansporen Aanwakkeren Aanzetten Opwekken Prikkelen Stimuleren Verlevendigen Zwepen | Vuurde aan | Aangevuurd
|
AanwaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; is aangewaaid) 1 door de wind nader of aangevoerd worden .
| Waaide aan, Woei aan | Aangewaaid
|
| Aanwaggelen | Waggelde aan | Aangewaggeld
|
AanwakkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; wakkerde aan, is aangewakkerd; aanwakkering) 1 (van zaken) heviger worden. (overgankelijk werkwoord; wakkerde aan, heeft aangewakkerd) 1 feller doen branden 2 in kracht doen toenemen.
In Spaans overeenkomend met: Excitar Instigar Aumentar Animar, Avivar, Azuzar, Incitar sAansporen Aanvuren Aanzetten Opwekken Opwinden Prikkelen Sterker worden Verhitten Verlevendigen Werken op Zwepen | Wakkerde aan | Aangewakkerd
|
| Aanwandelen | Wandelde aan | Aangewandeld
|
AanwassenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; wies aan, is aangewassen) 1 groter worden.
In Spaans overeenkomend met: Crecer sGedijen Groeien Toenemen Wassen | Wies aan | Aangewassen
|
AanwendenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wendde aan, heeft aangewend; aanwending) 1 voor een speciaal doel gebruiken.
In Spaans overeenkomend met: Aplicar Emplear, Hacer uso de, Usar sBenutten Doorvoeren Gebruiken In toepassing brengen Toepassen | Wendde aan | Aangewend
|
AanwennenALLE betekenissen van dit woord: (wederkerend werkwoord; wende zich aan, heeft zich aangewend) 1 zich tot een gewoonte maken.
| Wende aan | Aangewend
|
| Aanwentelen | Wentelde aan | Aangewenteld
|
| Aanwerpen | Wierp aan | Aangeworpen
|
AanwervenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wierf aan, heeft aangeworven; aanwerver, aanwerving) 1 (krijgsvolk enz.) in dienst nemen 2 (leden, aanhangers) winnen 3 (personeel) in dienst nemen.
In Spaans overeenkomend met: Tomar a sueldo Alistar, Hacer prosélitos, Reclutar sAanbrengen Aannemen Huren In dienst nemen Tewerkstellen Werven | Wierf aan | Aangeworven
|
| Aanwetten | Wette aan | Aangewet
|
| Aanweven | Weefde aan | Aangeweven
|
AanwijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wees aan, heeft aangewezen; aanwijzer, aanwijzing) 1 wijzen naar om te onderscheiden of te doen kennen 2 door middel van een wijzer aangeven 3 aanstellen .
In Spaans overeenkomend met: Designar Indicar, Señalar Acusar Trazar Denotar, Designar sAanduiden Aangeven Benoemen Bestemmen Een teken zijn van Uitduiden Voorschrijven | Wees aan | Aangewezen
|
AanwinnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; won aan, heeft aangewonnen; aanwinning) 1 bij reeds bestaand bezit verwerven.
| Won aan | Aangewonnen
|
AanwippenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; wipte aan, is aangewipt) 1 langsgaan, kort bezoeken.
| Wipte aan | Aangewipt
|
| Aanwoekeren | Woekerde aan | Aangewoekerd
|
AanwrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wreef aan, heeft aangewreven) 1 (iets) ten laste leggen.
| Wreef aan | Aangewreven
|
| Aanzaaien | Zaaide aan | Aangezaaid
|
| Aanzakken | Zakte aan | Aangezakt
|
| Aanzanden | Zandde aan | Aangezand
|
AanzeggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zegde aan/zei aan, heeft aangezegd; aanzegger, aanzegging) 1 op officiële wijze bekendmaken.
In Spaans overeenkomend met: Denunciar sAanbrengen Aangeven Klikken Verklikken | Zegde aan, Zei aan | Aangezegd
|
| Aanzeilen | Zeilde aan | Aangezeild
|
AanzettenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; zette aan, heeft aangezet) 1 aansporen. (onovergankelijk werkwoord) 1 (zette aan, heeft aangezet) dik maken 2 (zette aan, is aangezet) licht aanbranden . (overgankelijk werkwoord; zette aan, heeft aangezet) 1 (ook absoluut) beginnen (iets te doen) 2 (iets) aan een voorwerp vastmaken 3 inschakelen 4 benadrukken 5 (iets) zo plaatsen dat het bijna aan iets anders raakt 6 scherpen, wetten.
In Spaans overeenkomend met: Afilar Pegar Arrancar Encender Poner Activar, Animar, Incitar Aguzar, Azuzar, Hurgar sAan de praat krijgen Aansporen Aanvuren Aanwakkeren Inschakelen Op gang brengen Prikkelen Scherpen Slijpen Vastnaaien Verlevendigen Wetten | Zette aan | Aangezet
|
AanzeulenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen. (overgankelijk werkwoord; zeulde aan, heeft aangezeuld) 1 moeizaam aanslepen.
| Zeulde aan | Aangezeuld
|
AanzienALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 vorm waaronder iets zich vertoont 2 achting, prestige. (werkwoord; zag aan, heeft aangezien) 1 houden voor. (overgankelijk werkwoord) 1 (in België, niet algemeen) beschouwen als, houden voor. (overgankelijk werkwoord; zag aan, heeft aangezien) 1 aankijken .
In Spaans overeenkomend met: Tolerar sDulden Pikken Toelaten Tolereren Velen Verdragen | Zag aan | Aangezien
|
AanzittenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zat aan, heeft/is aangezeten) 1 zitten aan de officiële maaltijd.
In Spaans overeenkomend met: Tocar sAanroeren | Zat aan | Aangezeten
|
AanzoekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zocht aan, heeft aangezocht) 1 (iemand) benaderen en verzoeken.
| Zocht aan | Aangezocht
|
| Aanzoeten | Zoette aan | Aangezoet
|
AanzuigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zoog aan, heeft aangezogen; aanzuiging) 1 door zuigen ergens heen brengen.
| Zoog aan | Aangezogen
|
AanzuiverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zuiverde aan, heeft aangezuiverd; aanzuivering) 1 (het alsnog verschuldigde bedrag) voldoen.
In Spaans overeenkomend met: Suplir sAanvullen Bijpassen Bijvoegen | Zuiverde aan | Aangezuiverd
|
| Aanzwaaien | Zwaaide aan | Aangezwaaid
|
AanzwellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwol aan, is aangezwollen; aanzwelling) 1 in omvang of sterkte toenemen.
| Zwol aan | Aangezwollen
|
| Aanzwemmen | Zwom aan | Aangezwommen
|
AanzwengelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zwengelde aan, heeft aangezwengeld; aanzwengeling) 1 door draaien aan een zwengel in beweging brengen 2 op gang brengen.
In Spaans overeenkomend met: Relanzar
| Zwengelde aan | Aangezwengeld
|
| Aanzwepen | Zweepte aan | Aangezweept
|
| Aanzweven | Zweefde aan | Aangezweefd
|
| Aanzwoegen | Zwoegde aan | Aangezwoegd
|
AardenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van aarde gemaakt 2 uit klei gevormd en tot steen gebakken. (werkwoord; aardde, heeft geaard) 1 in aard overeenkomen met. (onovergankelijk werkwoord; aardde, heeft geaard; aarding) 1 zich ergens wel bevinden. (overgankelijk werkwoord; aardde, heeft geaard) 1 (techniek) door verbinding met de aarde elektrisch beveiligen.
In Spaans overeenkomend met: Acostumbrarse, Habituarse sGewend raken Gewennen Wennen | Aardde | Geaard
|
AarzelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; aarzelde, heeft geaarzeld; aarzeling) 1 wachten uit schroom of besluiteloosheid.
In Spaans overeenkomend met: Titubear, Vacilar sDubben Schoorvoeten Schromen Weifelen | Aarzelde | Geaarzeld
|
AbandonnerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; abandonneerde, heeft geabandonneerd) 1 afstand doen van 2 verlaten.
In Spaans overeenkomend met: Abandonar
| Abandonneerde | Geabandonneerd
|
AbdicerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; abdiceerde, heeft geabdiceerd; abdicatie) 1 aftreden als vorst.
In Spaans overeenkomend met: Abdicar, Dimitir sAbdiqueren Afstand doen Afstand doen van Aftreden | Abdiceerde | Geabdiceerd
|
AbdiquerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) zie abdiceren.
In Spaans overeenkomend met: Abdicar, Dimitir sAbdiceren Afstand doen Afstand doen van Aftreden | Abdiqueerde | Geabdiqueerd
|
AbonnerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; abonneerde, heeft geabonneerd) 1 (iem.) een abonnement verstrekken. (wederkerend werkwoord; abonneerde zich, heeft zich geabonneerd) 1 zich door intekening of betaling van het recht verzekeren op geregelde ontvangst van een krant, een tijdschrift enz. of tijdelijke gebruikmaking van een instelling.
| Abonneerde | Geabonneerd
|
AborterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; aborteerde, heeft geaborteerd) 1 (een foetus) doden.
In Spaans overeenkomend met: Abortar Provocar un aborto sEen miskraam krijgen Mislukken Ontijdig bevallen | Aborteerde | Geaborteerd
|
AbseilenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; abseiler, abseilung) 1 (van bergbeklimmers) zich langs een touw naar beneden laten zakken.
| Seilde ab | Abgeseild
|
| Absenteren | Absenteerde | Geabsenteerd
|
AbsolverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; absolveerde, heeft geabsolveerd) 1 een vrijstelling verlenen 2 vergeving van zonden schenken.
In Spaans overeenkomend met: Absolver sDe absolutie geven Vrijspreken | Absolveerde | Geabsolveerd
|
AbsorberenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; absorbeerde, heeft geabsorbeerd) 1 inzuigen, in zich opnemen.
In Spaans overeenkomend met: Absorber sIn beslag nemen | Absorbeerde | Geabsorbeerd
|
| Abstineren | Abstineerde | Geabstineerd
|
AbstraherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; abstraheerde, heeft geabstraheerd) 1 ontdoen van het toevallige, van het concrete.
In Spaans overeenkomend met: Abstraer Deducir sAfleiden Deduceren | Abstraheerde | Geabstraheerd
|
| Accapareren | Accapareerde | Geaccapareerd
|
AccelererenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; accelereerde, heeft/is geaccelereerd; acceleratie) 1 op een hogere versnelling overgaan, optrekken.
In Spaans overeenkomend met: Acelerar, Activar, Adelantar, Apresurar sBespoedigen Verhaasten Versnellen | Accelereerde | Geaccelereerd
|
AccentuerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accentueerde, heeft geaccentueerd; accentuering/accentuatie) 1 beklemtonen, de klemtoon leggen op 2 benadrukken, sterk doen uitkomen.
In Spaans overeenkomend met: Acentuar sBeklemtonen Benadrukken De klemtoon leggen op | Accentueerde | Geaccentueerd
|
AccepterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accepteerde, heeft geaccepteerd; acceptatie) 1 aannemen 2 handelingen en omstandigheden als onvermijdelijk, vergeeflijk enz. aanvaarden.
In Spaans overeenkomend met: Aceptar, Acoger, Admitir, Recibir, Tomar sAannemen Ontvangen Opnemen Opvangen Toelaten | Accepteerde | Geaccepteerd
|
AcclimatiserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; acclimatiseerde, is geacclimatiseerd; acclimatisatie/acclimatisering) 1 aan een andere omgeving of een ander klimaat wennen.
In Spaans overeenkomend met: Aclimatar
| Acclimatiseerde | Geacclimatiseerd
|
AccommoderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accommodeerde, heeft geaccommodeerd) 1 (ook absoluut) een vergelijk treffen 2 (biologie) (de lens van het oog) aanpassen aan de gezichtsafstand. (wederkerend werkwoord; accommodeerde zich, heeft zich geaccommodeerd) 1 zich schikken in, naar.
In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar sAanpassen Adapteren | Accommodeerde | Geaccommodeerd
|
AccompagnerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accompagneerde, heeft geaccompagneerd) 1 (muziek) begeleiden.
In Spaans overeenkomend met: Acompañar sBegeleiden | Accompagneerde | Geaccompagneerd
|
AccorderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; accordeerde, heeft geaccordeerd) 1 overeenkomen, overeenstemmen 2 prettig met elkaar omgaan 3 een vergelijk treffen 4 (muziek) welluidend samenklinken (van tonen). (overgankelijk werkwoord; accordeerde, heeft geaccordeerd) 1 (ook absoluut) schaduw en licht goed verdelen, eenheid en overeenstemming in zijn schilderijen brengen 2 vergelijken.
In Spaans overeenkomend met: Acordar sOvereenkomen | Accordeerde | Geaccordeerd
|
AccrediterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accrediteerde, heeft geaccrediteerd) 1 de echtheid van (een lastgeving of volmacht) erkennen 2 (iem.) kredietwaardig bevinden, vertrouwen schenken 3 van geloofsbrieven voorzien.
In Spaans overeenkomend met: Acreditar
| Accrediteerde | Geaccrediteerd
|
| Accrocheren | Accrocheerde | Geaccrocheerd
|
AccumulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; accumuleerde, heeft geaccumuleerd; accumulatie) 1 opeenhopen.
In Spaans overeenkomend met: Acopiar, Acumular sOpeenhopen Ophopen | Accumuleerde | Geaccumuleerd
|
AchtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; achtte, heeft geacht; achting) 1 beschouwen als 2 hoogschatten.
In Spaans overeenkomend met: Apreciar, Estimar Opinar sAchting hebben voor Achting toedragen Geloven Hoogachten Van mening zijn Vinden | Achtte | Geacht
|
| Achteraanblijven | Bleef achteraan | Achteraangebleven
|
| Achteraangaan | Ging achteraan | Achteraangegaan
|
AchteraankomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam achteraan, is achteraangekomen) 1 een van de laatsten zijn.
| Kwam achteraan | Achteraangekomen
|
| Achteraanlopen | Liep achteraan | Achteraangelopen
|
| Achteraanrennen | Rende achteraan | Achteraangerend
|
| Achteraanzitten | Zat achteraan | Achteraangezeten
|
AchterblijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleef achter, is achtergebleven; achterblijver) 1 niet met anderen meekomen, blijven op de plaats waar men is 2 (van voorwerpen) blijven staan of liggen 3 in snelheid, ontwikkeling enz. achter anderen blijven 4 blijven leven, terwijl anderen sterven 5 zich aan iets gemeenschappelijks onttrekken.
In Spaans overeenkomend met: Quedarse Demorar, Quedarse atrás, Tardar sNablijven | Bleef achter | Achtergebleven
|
| Achtergaan | Ging achter | Achtergegaan
|
AchterhalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; achterhaalde, heeft achterhaald) 1 op de vlucht inhalen, te pakken krijgen 2 ontdekken, te weten komen.
In Spaans overeenkomend met: Averiguar Alcanzar Sacar en claro sInhalen | Achterhaalde | Achterhaald
|
AchterhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield achter, heeft achtergehouden; achterhouder, achterhouding) 1 verduisteren 2 nog niet geven, meedelen.
In Spaans overeenkomend met: Cercenar, Disminuir, Escasear, Escatimar sMinder worden Verlagen Verminderen | Hield achter | Achtergehouden
|
| Achterklappen | |
|
AchterlatenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; liet achter, heeft achtergelaten; achterlating) 1 in een bepaalde toestand of op een bepaalde plaats laten blijven, terwijl men zelf vertrekt 2 door zelf te sterven achter doen blijven 3 (een teken van werking) laten voortbestaan.
In Spaans overeenkomend met: Dejar, Dejar en pos sIn de steek laten Legateren Nalaten Verlaten Vermaken Verzuimen | Liet achter | Achtergelaten
|
AchterliggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; lag achter, heeft achtergelegen) 1 een meer naar achteren gelegen plaats hebben 2 in ontwikkeling, vordering achter zijn bij.
| Lag achter | Achtergelegen
|
AchterlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep achter, heeft achtergelopen) 1 (van uurwerken) te langzaam lopen 2 (van personen) niet op de hoogte zijn met de nieuwste stand van zaken.
In Spaans overeenkomend met: Retrasarse Atrasar, Atrasarse sAchter zijn Over tijd zijn Te laat komen Te laat zijn Verlaten Verlaten|Zich verlaten Vertragen Vertraging hebben Zich verlaten | Liep achter | Achtergelopen
|
| Achternadoen | Deed achterna | Achternagedaan
|
AchternagaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging achterna, is achternagegaan) 1 op enige afstand volgen.
| Ging achterna | Achternagegaan
|
| Achternageven | Gaf achterna | Achternagegeven
|
AchternalopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep achterna, heeft achternagelopen) 1 lopend achternagaan 2 iem. overal volgen om op hem te passen of om contact te krijgen, om zijn gunst te winnen.
| Liep achterna | Achternagelopen
|
AchternarijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; reed achterna, heeft/is achternagereden) 1 rijdend achternagaan.
| Reed achterna | Achternagereden
|
AchternasturenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stuurde achterna, heeft achternagestuurd) 1 achternazenden.
| Stuurde achterna | Achternagestuurd
|
AchternazendenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zond achterna, heeft achternagezonden) 1 nazenden wat iem. vergeten was, of iem. afzenden om een vertrokken persoon in te halen.
| Zond achterna | Achternagezonden
|
AchternazettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette achterna, heeft achternagezet) 1 achternazitten.
| Zette achterna | Achternagezet
|
AchternazittenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zat achterna, heeft achternagezeten) 1 (een vluchteling) achtervolgen om hem in te halen 2 voortdurend streng controleren.
| Zat achterna | Achternagezeten
|
AchteromkijkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; keek achterom, heeft achteromgekeken) 1 het hoofd omdraaien om achter zich te zien.
| Keek achterom | Achteromgekeken
|
| Achteromlopen | Liep achterom | Achteromgelopen
|
AchteromzienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zag achterom, heeft achteromgezien) 1 achteromkijken.
| Zag achterom | Achteromgezien
|
| Achterophinken | Hinkte achterop | Achteropgehinkt
|
AchteropkomenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kwam achterop, is achteropgekomen) 1 (iemand die voorgaat) inhalen en zich dan bij hem voegen.
| Kwam achterop | Achteropgekomen
|
AchteroplopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; liep achterop, heeft achteropgelopen) 1 door snel lopen (iemand die voorgaat) inhalen.
| Liep achterop | Achteropgelopen
|
AchteroprakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; raakte achterop, is achteropgeraakt) 1 achterblijven.
| Raakte achterop | Achteropgeraakt
|
AchteroverdrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; drukte achterover, heeft achterovergedrukt) 1 (informeel) verduisteren.
In Spaans overeenkomend met: Timar
| Drukte achterover | Achterovergedrukt
|
| Achteroverhellen | Helde achterover | Achterovergeheld
|
| Achteroverkammen | Kamde achterover | Achterovergekamd
|
AchteroverleunenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; leunde achterover, heeft achterovergeleund) 1 naar achteren leunen 2 werkeloos toezien, geen actie ondernemen.
| Leunde achterover | Achterovergeleund
|
| Achteroverliggen | Lag achterover | Achterovergelegen
|
AchteroverslaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen. (overgankelijk werkwoord; sloeg achterover, heeft achterovergeslagen) 1 (informeel) snel of achterelkaar uitdrinken.
| Sloeg achterover | Achterovergeslagen
|
AchterovervallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel achterover, is achterovergevallen) 1 achterwaarts omvallen.
| Viel achterover | Achterovergevallen
|
AchterrakenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; raakte achter, is achtergeraakt) 1 achterblijven.
| Raakte achter | Achtergeraakt
|
AchterstaanALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stond achter, heeft achtergestaan) 1 voor iemand of iets onderdoen. (onovergankelijk werkwoord; stond achter, heeft achtergestaan) 1 (spel; sport) minder punten gescoord hebben dan de tegenpartij.
| Stond achter | Achtergestaan
|
AchterstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde achter, heeft achtergesteld; achterstelling) 1 minder of geringer schatten dan iemand of iets anders 2 minder bevoordelen, begunstigen.
In Spaans overeenkomend met: Desfavorecer Desatender, Descuidar sBenadelen Verzaken | Stelde achter | Achtergesteld
|
AchteruitboerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boerde achteruit, heeft/is achteruitgeboerd) 1 snel achteruitgaan in zaken of gezondheid.
| Boerde achteruit | Achteruitgeboerd
|
AchteruitdeinzenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; deinsde achteruit, is achteruitgedeinsd) 1 terugdeinzen.
| Deinsde achteruit | Achteruitgedeinsd
|
AchteruitgaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging achteruit, is achteruitgegaan) 1 achterwaarts gaan 2 verminderen in welvaart, gezondheid, kwaliteit of kwantiteit.
In Spaans overeenkomend met: Ciar Desmejorar Retrasar Retroceder Empeorarse sAchteruitlopen Verslechteren Wijken | Ging achteruit | Achteruitgegaan
|
| Achteruitkrabbelen | Krabbelde achteruit | Achteruitgekrabbeld
|
| Achteruitleren | Leerde achteruit | Achteruitgeleerd
|
AchteruitlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (liep achteruit, heeft/is achteruitgelopen) teruglopen 2 (liep achteruit, is achteruitgelopen) in ongunstiger toestand komen.
In Spaans overeenkomend met: Ciar sAchteruitgaan Wijken | Liep achteruit | Achteruitgelopen
|
| Achteruitraken | Raakte achteruit | Achteruitgeraakt
|
AchteruitrijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; reed achteruit, heeft/is achteruitgereden) 1 rijden in achterwaartse richting.
| Reed achteruit | Achteruitgereden
|
AchteruitroeienIn Spaans overeenkomend met: Ciar sTerugroeien | Roeide achteruit | Achteruitgeroeid
|
AchteruitschoppenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schopte achteruit, heeft achteruitgeschopt) 1 achterwaarts schoppen.
| Schopte achteruit | Achteruitgeschopt
|
AchteruitschuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schoof achteruit, is achteruitgeschoven) 1 schuivend achteruitgaan. (overgankelijk werkwoord; schoof achteruit, heeft achteruitgeschoven) 1 (een voorwerp) achterwaarts schuiven.
| Schoof achteruit | Achteruitgeschoven
|
AchteruitslaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloeg achteruit, heeft achteruitgeslagen) 1 (van rij- en trekdieren) achterwaarts trappen 2 (van een scheepsschroef) in tegengestelde richting draaien, zodat het schip achteruit getrokken wordt.
| Sloeg achteruit | Achteruitgeslagen
|
AchteruitstekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stak achteruit, heeft achteruitgestoken) 1 met een auto achteruitrijden om te parkeren.
| Stak achteruit | Achteruitgestoken
|
| Achteruitvallen | Viel achteruit | Achteruitgevallen
|
| Achteruitvliegen | Vloog achteruit | Achteruitgevlogen
|
| Achteruitwerken | Werkte achteruit | Achteruitgewerkt
|
AchteruitwijkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; week achteruit, is achteruitgeweken) 1 naar achteren wijken 2 zich terugtrekken, wijken.
| Week achteruit | Achteruitgeweken
|
AchteruitzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette achteruit, heeft achteruitgezet) 1 meer naar achteren zetten 2 (uurwerken) een vroeger tijdstip doen aanwijzen 3 teruggooien, achteruit doen gaan in geldelijk vermogen, aanzien enz.
In Spaans overeenkomend met: Postergar sPasseren | Zette achteruit | Achteruitgezet
|
AchtervoegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voegde achter, heeft achtergevoegd; achtervoeging) 1 van achteren toevoegen.
In Spaans overeenkomend met: Posponer
| Voegde achter | Achtergevoegd
|
AchtervolgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; achtervolgde, heeft achtervolgd; achtervolger, achtervolging) 1 voortdurend lastigvallen 2 volgen met vijandige bedoelingen.
In Spaans overeenkomend met: Acosar, Perseguir sNajagen Vervolgen | Achtervolgde | Achtervolgd
|
| Achterwaren | Achterwaarde | Achterwaard
|
| Achterzeilen | Zeilde achter | Achtergezeild
|
AchterzettenIn Spaans overeenkomend met: Atrasar
| Zette achter | Achtergezet
|
AcquirerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) 1 verwerven.
| Acquireerde | Geacquireerd
|
| Acquitteren | Acquitteerde | Geacquitteerd
|
ActerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; acteerde, heeft geacteerd; acteur) 1 spelen, een persoon voorstellen op het toneel of voor de camera 2 doen alsof, een rol spelen.
In Spaans overeenkomend met: Actuar
| Acteerde | Geacteerd
|
ActievoerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; voerde actie, heeft actiegevoerd) 1 gezamenlijk of individueel actie ondernemen om te bewerkstelligen dat iets gebeurt, bv. door te staken of te demonstreren.
| Voerde actie | Actiegevoerd
|
ActiverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; activeerde, heeft geactiveerd; activering) 1 actief maken, aansporen 2 (een chemische stof) in zodanige vorm brengen dat zij gemakkelijk in reactie treedt 3 (atoomkernen) radioactief maken door beschieting met elementaire deeltjes.
| Activeerde | Geactiveerd
|
ActualiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; actualiseerde, heeft geactualiseerd; actualisering) 1 actueel maken, maken tot een onderwerp dat op het ogenblik belangrijk is.
In Spaans overeenkomend met: Actualizar sActueel maken Bijwerken Moderniseren Updaten | Actualiseerde | Geactualiseerd
|
AdapterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adapteerde, heeft geadapteerd; adaptatie) 1 aanpassen aan omstandigheden of een bepaalde kunstvorm.
In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Adaptar sAanpassen Accommoderen | Adapteerde | Geadapteerd
|
AdderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; addeerde, heeft geaddeerd) 1 (scheikunde) (nieuwe moleculen) vormen uit de samenvoeging van twee bestaande moleculen.
In Spaans overeenkomend met: Sumar sBijtellen Optellen | Addeerde | Geaddeerd
|
AdelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adelde, heeft geadeld) 1 in de adelstand verheffen .
| Adelde | Geadeld
|
AdemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ademde, heeft geademd) 1 de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven 2 (van textiel, leer) voldoende ventilatie mogelijk maken . (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
In Spaans overeenkomend met: Espirar Respirar sAdemhalen Getuigen van Uitademen Uitwasemen | Ademde | Geademd
|
AdemhalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; haalde adem, heeft ademgehaald; ademhaling) 1 ademen 2 (van planten) koolzuur en zuurstof uitwisselen.
In Spaans overeenkomend met: Respirar sAdemen | Haalde adem | Ademgehaald
|
AderenIn Spaans overeenkomend met: Jaspear, Vetear sMarmeren | Aderde | Geaderd
|
AderiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aderiseerde, heeft geaderiseerd) 1 (autobanden die door slijtage glad geworden zijn) van nieuwe dwarse groeven voorzien.
| Aderiseerde | Geaderiseerd
|
AderlatenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aderliet, heeft adergelaten; aderlating) 1 (iem.) behandelen door bij hem bloed af te tappen 2 (iemand) te veel laten betalen.
In Spaans overeenkomend met: Sangrar sBloed aftappen | Liet ader | Adergelaten
|
AdministrerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; administreerde, heeft geadministreerd) 1 (een zaak) voor een derde beheren, besturen, waarnemen 2 (gegevens) in een administratie onderbrengen.
In Spaans overeenkomend met: Administrar sBeheren Besturen Toedienen | Administreerde | Geadministreerd
|
AdmiraalzeilenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 met jachten, boeiers enz. een defilé varen, geordend als een vloot.
| |
|
AdmitterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; admitteerde, heeft geadmitteerd) 1 (formeel) toelaten.
| Admitteerde | Geadmitteerd
|
AdoniserenALLE betekenissen van dit woord: (wederkerend werkwoord; adoniseerde zich, heeft zich geadoniseerd) 1 (formeel) al het mogelijke doen om voor jong en mooi door te gaan.
| Adoniseerde | Geadoniseerd
|
AdopterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adopteerde, heeft geadopteerd) 1 (ook absoluut) (iem.) als kind aannemen 2 onder zijn hoede nemen.
In Spaans overeenkomend met: Arrogar Adoptar, Prohijar sAannemen Eigen maken|Zich eigen maken Zich eigen maken | Adopteerde | Geadopteerd
|
AdorerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adoreerde, heeft geadoreerd; adoratie) 1 met geestdrift vereren.
In Spaans overeenkomend met: Adorar sAanbidden Verafgoden Vereren | Adoreerde | Geadoreerd
|
AdresserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adresseerde, heeft geadresseerd; adressering) 1 van een adres voorzien 2 (computer) het adres in een computergeheugen benaderen voor het lezen of opslaan van gegevens.
In Spaans overeenkomend met: Dirigir
| Adresseerde | Geadresseerd
|
AdsorberenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adsorbeerde, heeft geadsorbeerd; adsorptie) 1 (een stof) binden aan het oppervlak van een andere stof.
| Adsorbeerde | Geadsorbeerd
|
AdstruerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adstrueerde, heeft geadstrueerd; adstructie) 1 (een betoog of bewering) met bewijzen staven, toelichten.
In Spaans overeenkomend met: Demostrar, Probar sAantonen Bewijzen Staven Uitwijzen Waarmaken | Adstrueerde | Geadstrueerd
|
AdverterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; adverteerde, heeft geadverteerd) 1 advertenties plaatsen.
In Spaans overeenkomend met: Anunciar sAandienen Aankondigen Annonceren Bekend maken | Adverteerde | Geadverteerd
|
AdviserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; adviseerde, heeft geadviseerd) 1 (ook absoluut) (iem.) door raadgevingen helpen 2 aanraden.
In Spaans overeenkomend met: Asesorar Aconsejar sAanraden Raad geven Raden | Adviseerde | Geadviseerd
|
AerobiccenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; aerobicte, heeft geaerobict) 1 aerobics beoefenen.
| Aerobicte | Geaerobict
|
| Afbaarden | Baardde af | Afgebaard
|
AfbakenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bakende af, heeft afgebakend; afbakening) 1 met bakens of andere tekens markeren.
In Spaans overeenkomend met: Amojonar
| Bakende af | Afgebakend
|
AfbakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bakte af, heeft afgebakken) 1 (een voorgebakken product) in korte tijd gaar bakken.
| Bakte af | Afgebakken
|
AfbalkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; balkte af, heeft afgebalkt; afbalking) 1 (iem. op tv of in de krant) met een zwart balkje over de ogen onherkenbaar maken.
| Balkte af | Afgebalkt
|
| Afbarsten | Barstte af | Afgebarst, Afgebarsten
|
AfbedelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedelde af, heeft afgebedeld) 1 al bedelend verkrijgen.
| Bedelde af | Afgebedeld
|
AfbeeldenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beeldde af, heeft afgebeeld; afbeelding) 1 door beeld, tekening enz. zichtbaar voorstellen 2 door woorden schetsen.
In Spaans overeenkomend met: Reproducir, Retratar Figurar sFigureren Uitbeelden Verbeelden Verzinnelijken Voorstellen Vormen | Beeldde af | Afgebeeld
|
| Afbeitelen | Beitelde af | Afgebeiteld
|
AfbekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekte af, heeft afgebekt) 1 (informeel) (iem.) met ruwe woorden afwijzen.
| Bekte af | Afgebekt
|
AfbellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belde af, heeft afgebeld) 1 (ook absoluut) telefonisch afzeggen 2 per telefoon langsgaan.
| Belde af | Afgebeld
|
| Afbenen | Beende af | Afgebeend
|
AfbestellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestelde af, heeft afbesteld; afbestelling) 1 (het bestelde) afzeggen.
In Spaans overeenkomend met: Anular, Contramandar
| Bestelde af | Afbesteld
|
AfbetalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betaalde af, heeft afbetaald; afbetaling) 1 een schuld, een rekening geheel voldoen 2 in mindering betalen op een schuld of rekening.
In Spaans overeenkomend met: Amortiguar, Amortizar Pagar a plazos sAflossen Afschrijven Amortiseren Dempen | Betaalde af | Afbetaald
|
| Afbetten | Bette af | Afgebet
|
AfbeulenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beulde af, heeft afgebeuld) 1 meedogenloos door zware en langdurige arbeid of inspanning geheel afmatten.
In Spaans overeenkomend met: Cansar, Fatigar sAfjakkeren | Beulde af | Afgebeuld
|
| Afbidden | Bad af | Afgebeden
|
AfbiedenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bood af, heeft afgeboden; afbieder, afbieding) 1 (in België) afdingen.
| Bood af | Afgeboden
|
| Afbietsen | Bietste af | Afgebietst
|
| Afbiezen | Biesde af | Afgebiesd
|
AfbijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beet af, heeft afgebeten) 1 met de tanden afsnijden en wegnemen 2 door scheikundige middelen oplossen en wegnemen.
| Beet af | Afgebeten
|
AfbikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bikte af, heeft afgebikt) 1 (oude kalk, ketelsteen, roest enz.) met een bikijzer verwijderen 2 (een muur) ontdoen van oude kalk enz.
| Bikte af | Afgebikt
|
| Afbiljoenen | Biljoende af | Afgebiljoend
|
AfbindenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bond af, heeft afgebonden; afbinder, afbinding) 1 (een lichaamsdeel) afsluiten van bloedtoevoer 2 losbinden.
| Bond af | Afgebonden
|
AfbladderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bladderde af, is afgebladderd) 1 (van een verflaag) in schilfers loslaten 2 (van een oppervlak) afschilferen, zijn buitenste laag in schilfers verliezen.
In Spaans overeenkomend met: Desconcharse sAfschilferen | Bladderde af | Afgebladderd
|
| Afbladen | Blaadde af | Afgeblaad
|
| Afbladeren | Bladerde af | Afgebladerd
|
AfblaffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blafte af, heeft afgeblaft) 1 tekeergaan tegen (iem.).
| Blafte af | Afgeblaft
|
| Afblaren | Blaarde af | Afgeblaard
|
AfblazenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blies af, heeft afgeblazen) 1 (ook absoluut) affluiten 2 door blazen verwijderen 3 op het laatste moment afgelasten.
| Blies af | Afgeblazen
|
| Afblijven | Bleef af | Afgebleven
|
| Afbliksemen | Bliksemde af | Afgebliksemd
|
| Afblokken | Blokte af | Afgeblokt
|
| Afblotten | Blotte af | Afgeblot
|
AfbluffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blufte af, heeft afgebluft) 1 (iem.) met bluf imponeren.
| Blufte af | Afgebluft
|
AfblussenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bluste af, heeft afgeblust) 1 (culinaria) (heet braadvet) aanlengen met een vloeistof.
| Bluste af | Afgeblust
|
AfboekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boekte af, heeft afgeboekt; afboeking) 1 afschrijven, van een saldo aftrekken 2 als verlies boeken.
In Spaans overeenkomend met: Amortizar sAfschrijven | Boekte af | Afgeboekt
|
| Afboenen | Boende af | Afgeboend
|
| Afboeten | Boette af | Afgeboet
|
| Afbollen | Bolde af | Afgebold
|
| Afbomen | Boomde af | Afgeboomd
|
| Afbonken | Bonkte af | Afgebonkt
|
| Afbonzen | Bonsde af | Afgebonsd
|
| Afboorden | Boordde af | Afgeboord
|
AfborstelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; borstelde af, heeft afgeborsteld; afborsteling) 1 met een borstel reinigen.
| Borstelde af | Afgeborsteld
|
| Afbottelen | Bottelde af | Afgebotteld
|
AfbouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bouwde af, heeft afgebouwd) 1 (ook absoluut) (activiteiten) geleidelijk beëindigen 2 (gebouwen) voltooien, afwerken.
| Bouwde af | Afgebouwd
|
AfbramenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; braamde af, heeft afgebraamd) 1 ontdoen van bramen, ruwe randen.
| Braamde af | Afgebraamd
|
AfbrandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brandde af, is afgebrand; afbranding) 1 door brand vernietigd worden. (overgankelijk werkwoord; brandde af, heeft afgebrand) 1 door branden verwijderen 2 (een oppervlak) door branden reinigen 3 door brand vernietigen 4 (iem.) vernietigende kritiek geven.
In Spaans overeenkomend met: Quemar
| Brandde af | Afgebrand
|
| Afbrassen | Braste af | Afgebrast
|
AfbreienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; breide af, heeft afgebreid) 1 enige steken van een naald op de volgende breien. (overgankelijk werkwoord; breide af, heeft afgebreid) 1 breiende afmaken.
| Breide af | Afgebreid
|
AfbrekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brak af, is afgebroken; afbreker, afbreking) 1 door breken gescheiden worden van een groter geheel. (overgankelijk werkwoord; brak af, heeft afgebroken) 1 door breken scheiden 2 plotseling doen ophouden 3 (een constructie) vernietigen door de delen uit elkaar te nemen 4 (scheikunde) (samengestelde verbindingen) in eenvoudiger bestanddelen ontleden 5 afkraken, vernietigende kritiek uitoefenen op.
In Spaans overeenkomend met: Estropearse Arrancar, Cortar Desacreditar Dividir, Partir Demoler, Derribar, Echar abajo, Echar en tierra, Echar por tierra Quebrar, Romper sAfgeven op Afkammen Afplukken Afrukken Breken Delen Doorbreken Neerhalen Opsplitsen Plukken Schenden Slopen Splitsen Stukbreken Uitrukken Uittrekken Verbreken Verdelen Verwoesten Wegscheuren | Brak af | Afgebroken
|
| Afbrengen | Bracht af | Afgebracht
|
| Afbrijnen | Brijnde af | Afgebrijnd
|
| Afbroddelen | Broddelde af | Afgebroddeld
|
AfbrokkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brokkelde af, is afgebrokkeld; afbrokkeling) 1 in kleine brokken losgaan. (overgankelijk werkwoord; brokkelde af, heeft afgebrokkeld) 1 in kleine brokjes van iets doen losgaan.
In Spaans overeenkomend met: Derribarse, Derruirse, Desmoronarse, Fragmentarse sGruizelen | Brokkelde af | Afgebrokkeld
|
AfbuigenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boog af, is afgebogen; afbuiging) 1 een andere richting nemen.
| Boog af | Afgebogen
|
| Afbuitelen | Buitelde af | Afgebuiteld
|
AfcheckenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; checkte af, heeft afgecheckt) 1 grondig controleren door verschillende gegevens onderling te vergelijken.
| Checkte af | Afgecheckt
|
| Afcommanderen | Commandeerde af | Afgecommandeerd
|
AfconcluderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; concludeerde af, heeft afgeconcludeerd) 1 (politiek) beëindigen, afronden.
| Concludeerde af | Afgeconcludeerd
|
AfdalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; daalde af, is afgedaald; afdaling) 1 zich naar beneden begeven 2 afstammen.
In Spaans overeenkomend met: Bajar, Descender sDalen Naar beneden gaan Neerdalen Uitstappen Zinken | Daalde af | Afgedaald
|
AfdammenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; damde af, heeft afgedamd; afdamming) 1 (water) door een dam of dijk afsluiten.
In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso sAfsluiten Belemmeren Stuwen Versperren | Damde af | Afgedamd
|
AfdankenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dankte af, heeft afgedankt; afdanking) 1 afschaffen, afwijzen, ontslaan.
In Spaans overeenkomend met: Licenciar ((soldaten),(soldados)) Desarmar ((troepen),(tropas)), Despedir
| Dankte af | Afgedankt
|
| Afdansen | Danste af | Afgedanst
|
| Afdeinzen | Deinsde af | Afgedeinsd
|
AfdekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dekte af, heeft afgedekt) 1 (ook absoluut) (de tafel) verder dekken 2 ter bescherming met iets bedekken 3 van de bedekking ontdoen 4 uitsluiten door de daartoe geëigende maatregelen te nemen.
| Dekte af | Afgedekt
|
| Afdelen | Deelde af | Afgedeeld
|
AfdelvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dolf af, heeft afgedolven) 1 afgraven.
| Delfde af, Dolf af | Afgedolven
|
AfdichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dichtte af, heeft afgedicht; afdichting) 1 afsluiten tegen het binnendringen van iets dat ongewenst is.
| Dichtte af | Afgedicht
|
| Afdienen | Diende af | Afgediend
|
| Afdieven | Diefde af | Afgediefd
|
| Afdijken | Dijkte af | Afgedijkt
|
AfdingenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; dong af, heeft afgedongen) 1 minder bieden dan de gevraagde prijs.
In Spaans overeenkomend met: Regatear sMarchanderen Pingelen | Dong af | Afgedongen
|
AfdoenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; deed af, heeft afgedaan) 1 wegnemen, verwijderen. (overgankelijk werkwoord; deed af, heeft afgedaan; afdoening) 1 van het lijf doen 2 afnemen, reinigen 3 afhandelen 4 voldoen, geheel betalen .
In Spaans overeenkomend met: Quitar, Sacar Despachar Zanjar sAfhandelen Afleggen Afsluiten Afwikkelen Afzetten Uitdoen Uitkrijgen Uittrekken | Deed af | Afgedaan
|
AfdokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dokte af, heeft afgedokt) 1 (informeel) betalen.
| Dokte af | Afgedokt
|
| Afdolen | Doolde af | Afgedoold
|
| Afdonderen | Donderde af | Afgedonderd
|
| Afdoppen | Dopte af | Afgedopt
|
| Afdorsen | Dorste af | Afgedorst
|
| Afdouwen | Douwde af | Afgedouwd
|
AfdraaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; draaide af, heeft afgedraaid) 1 door draaien afscheiden 2 door draaien vertonen of ten gehore brengen 3 ongeïnteresseerd afwikkelen.
In Spaans overeenkomend met: Cambiar de dirección, Desviar sAfkeren Pareren | Draaide af | Afgedraaid
|
AfdragenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; droeg af, heeft afgedragen) 1 (kleren) door dragen afslijten 2 (iets dat men zelf eerst ontvangen heeft) overdragen.
In Spaans overeenkomend met: Desgastar, Destrozar por el uso Alargar, Transferir sAangeven Aanreiken Opgebruiken Overgeven Slijten Toereiken Verslijten | Droeg af | Afgedragen
|
AfdravenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; draafde af, heeft afgedraafd) 1 (een paard) afrijden.
| Draafde af | Afgedraafd
|
AfdreggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dregde af, heeft afgedregd) 1 met een dreg afzoeken.
| Dregde af | Afgedregd
|
| Afdreigen | Dreigde af | Afgedreigd
|
| Afdrentelen | Drentelde af | Afgedrenteld
|
AfdrijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; dreef af, is afgedreven) 1 uit de gestuurde koers gedreven worden 2 door de wind weggedreven worden. (overgankelijk werkwoord; dreef af, heeft afgedreven; afdrijving) 1 (geneeskunde) uit het lichaam verwijderen 2 (scheikunde) (goud, zilver) zuiveren van het lood, koper enz. waarmee het vermengd is.
In Spaans overeenkomend met: Ir a la deriva Purgar sDrijven Laxeren Op drift zijn Purgeren | Dreef af | Afgedreven
|
| Afdringen | Drong af | Afgedrongen
|
AfdrinkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dronk af, heeft afgedronken) 1 door drinken de kwade gevolgen van iets wegnemen.
| Dronk af | Afgedronken
|
AfdrogenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; droogde af, heeft afgedroogd; afdroging) 1 het vocht wegnemen van 2 (informeel) afranselen 3 op verpletterende wijze verslaan.
In Spaans overeenkomend met: Enjuagar, Enjugar, Fregar, Secar sAfvegen Afwissen Vegen Wissen | Droogde af | Afgedroogd
|
| Afdroppelen | Droppelde af | Afgedroppeld
|
AfdruipenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; droop af, is afgedropen) 1 drogen doordat het vocht er in druppels af valt 2 stilletjes en verslagen weggaan.
In Spaans overeenkomend met: Escurrir sUitdruipen | Droop af | Afgedropen
|
AfdrukkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; drukte af, heeft afgedrukt) 1 iets door een druk op een knop in werking stellen. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; drukte af, heeft afgedrukt) 1 (een vorm, afbeelding) overbrengen door middel van druk 2 (fotografie) (de voorstelling van een negatief) op geprepareerd papier overbrengen.
In Spaans overeenkomend met: Estampar, Imprimir Copiar Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar sAanmunten Boekdrukken Drukken Printen Slaan Stempelen Zijn stempel drukken op | Drukte af | Afgedrukt
|
| Afdruppelen | Druppelde af | Afgedruppeld
|
| Afdruppen | Drupte af | Afgedrupt
|
| Afduikelen | Duikelde af | Afgeduikeld
|
| Afduvelen | Duvelde af | Afgeduveld
|
AfduwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; duwde af, heeft afgeduwd; afduwer) 1 door duwen van iets verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Rebotar ((),(tr. Dicho de un cuerpo: Resistir a otro forzándole a retroceder.)) sTerugdrijven Terugduwen Terugstoten | Duwde af | Afgeduwd
|
AfdwalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; dwaalde af, is afgedwaald; afdwaling) 1 zich onwillekeurig van de rechte weg of van zijn gezelschap verwijderen 2 onbewust overgaan op een onderwerp dat niet ter zake doet.
In Spaans overeenkomend met: Digresar Descarriarse, Extraviarse Desviarse, Ladearse sAfscheiden|Zich afscheiden Dwalen Neigen Opzij gaan Van de weg afraken Van de weg afwijken Verdwalen Zich afscheiden | Dwaalde af | Afgedwaald
|
AfdweilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dweilde af, heeft afgedweild) 1 met een dweil schoonmaken.
| Dweilde af | Afgedweild
|
AfdwingenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dwong af, heeft afgedwongen; afdwinger, afdwinging) 1 door dwang verkrijgen 2 onvermijdelijk opwekken.
In Spaans overeenkomend met: Hacer exacción, Hacer extorsión sAfpersen Knevelen | Dwong af | Afgedwongen
|
| Afeisen | Eiste af | Afgeëist
|
AfetenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; at af, heeft afgegeten) 1 doorgaan met eten tot men klaar is.
| At af | Afgegeten
|
AffakkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; fakkelde af, heeft afgefakkeld; affakkeling) 1 (overtollig gas dat bij het winnen van aardolie bovenkomt) ter plaatse verbranden.
| Fakkelde af | Afgefakkeld
|
AfficherenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; afficheerde, heeft geafficheerd) 1 de aandacht vestigen op. (overgankelijk werkwoord; afficheerde, heeft geafficheerd; affichering) 1 (reclameboodschappen) aanplakken.
| Afficheerde | Geafficheerd
|
| Affietsen | Fietste af | Afgefietst
|
AffiliërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; affilieerde, heeft geaffilieerd; affiliatie) 1 als medelid van een orde beschouwen, aan de voorrechten van een orde deelachtig maken.
In Spaans overeenkomend met: Adaptar, Prohijar sAannemen | Affilieerde | Geaffilieerd
|
AffinerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; affineerde, heeft geaffineerd) 1 (edel metaal) zuiveren 2 (kaas) laten rijpen.
| Affineerde | Geaffineerd
|
AffirmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; affirmeerde, heeft geaffirmeerd; affirmatie) 1 bevestigen, bekrachtigen.
| Affirmeerde | Geaffirmeerd
|
AffluitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; floot af, heeft afgefloten) 1 (een wedstrijd) met een fluitsignaal beëindigen of onderbreken.
| Floot af | Afgefloten
|
AffronterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; affronteerde, heeft geaffronteerd) 1 (formeel) beledigen.
In Spaans overeenkomend met: Insultar sBeledigen Krenken | Affronteerde | Geaffronteerd
|
| Affutselen | Futselde af | Afgefutseld
|
AfgaanALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; ging af, is afgegaan) 1 leiden naar, zich richten naar 2 zich baseren op. (onovergankelijk werkwoord; ging af, is afgegaan) 1 zich verwijderen, weggaan van het genoemde 2 in werking gebracht worden 3 een slechte indruk maken 4 (van hoofddeksels, accessoires) afgelegd, afgenomen worden.
In Spaans overeenkomend met: Ausentarse, Irse Visitar sBezoeken Opzoeken Vertrekken Verwijderen|Zich verwijderen Weggaan Zich verwijderen | Ging af | Afgegaan
|
AfgelastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gelastte af, heeft afgelast; afgelasting) 1 door een tegenbesluit afzeggen.
In Spaans overeenkomend met: Anular, Contramandar sAnnuleren Ontbinden Tenietdoen Terugnemen | Gelastte af | Afgelast
|
| Afgeren | Geerde af | Afgegeerd
|
AfgevenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; gaf af, heeft afgegeven) 1 zich inlaten met. (werkwoord; gaf af, heeft afgegeven) 1 afkraken, een afkeurend oordeel vellen over. (onovergankelijk werkwoord; gaf af, heeft afgegeven) 1 kleurstof loslaten en aan het aanrakende voorwerp overgeven. (overgankelijk werkwoord; gaf af, heeft afgegeven) 1 overhandigen 2 als bevoegde uitreiken 3 verspreiden, van zich laten uitgaan.
In Spaans overeenkomend met: Deshacerse, Desteñirse Dejar en depósito, Depositar, Poner en depósito Extender, Propagar Emitir Entregar sDeponeren Emitteren In bewaring geven In omloop brengen Inleggen Overgeven Overleggen Uitbetalen Uitgeven Verbreiden Verspreiden | Gaf af | Afgegeven
|
AfgietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; goot af, heeft afgegoten) 1 door gieten ontdoen van vocht 2 door gieten doen ontstaan.
In Spaans overeenkomend met: Escurrir Decantar Moldear, Vaciar sAfschenken Decanteren Gieten | Goot af | Afgegoten
|
AfglijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; gleed af, is afgegleden; afglijding) 1 minder, slechter worden.
| Gleed af | Afgegleden
|
| Afglippen | Glipte af | Afgeglipt
|
| Afgluren | Gluurde af | Afgegluurd
|
| Afgolven | Golfde af | Afgegolfd
|
AfgooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gooide af, heeft afgegooid) 1 door er iets tegen aan te gooien doen vallen 2 (hoofddeksels enz.) haastig afdoen.
| Gooide af | Afgegooid
|
| Afgorden | Gordde af | Afgegord
|
| Afgrauwen | Grauwde af | Afgegrauwd
|
AfgravenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; groef af, heeft afgegraven; afgraving) 1 door graven verwijderen, zodat de ondergrond bloot komt.
| Groef af | Afgegraven
|
AfgrazenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; graasde af, heeft afgegraasd; afgrazing) 1 (een terrein) door grazen van gras ontdoen 2 zo volledig behandelen dat er niets meer overblijft.
| Graasde af | Afgegraasd
|
AfgrendelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; grendelde af, heeft afgegrendeld; afgrendeling) 1 door grendelen afsluiten.
In Spaans overeenkomend met: Correr el cerrojo sGrendelen | Grendelde af | Afgegrendeld
|
| Afgrenzen | Grensde af | Afgegrensd
|
| Afgreppelen | Greppelde af | Afgegreppeld
|
| Afgrissen | Griste af | Afgegrist
|
| Afgutsen | Gutste af | Afgegutst
|
AfhakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; haakte af, heeft/is afgehaakt) 1 ophouden mee te doen. (overgankelijk werkwoord; haakte af, heeft afgehaakt) 1 wat aan of met een haak vastzit losmaken 2 (een haakwerk) voltooien.
In Spaans overeenkomend met: Descolgar, Desenganchar sLoshaken | Haakte af | Afgehaakt
|
AfhakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hakte af, heeft afgehakt) 1 door hakken scheiden.
| Hakte af | Afgehakt
|
AfhalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; haalde af, heeft afgehaald) 1 (iets dat gereed ligt) in ontvangst komen nemen 2 (iem.) ergens gaan halen om hem naar elders te begeleiden 3 van zijn plaats verwijderen 4 (iets) door trekken van iets anders ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Quitar, Restar Buscar Mondar habas Ir a buscar a sOphalen Rissen Ritsen Wegnemen | Haalde af | Afgehaald
|
AfhamerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hamerde af, heeft afgehamerd) 1 (ook absoluut) in een vergadering voortvarend afhandelen 2 (iem.) door slagen met de voorzittershamer het woord ontnemen.
| Hamerde af | Afgehamerd
|
AfhandelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; handelde af, heeft afgehandeld; afhandeling) 1 ten einde toe behandelen.
In Spaans overeenkomend met: Despachar sAfdoen Afwikkelen | Handelde af | Afgehandeld
|
AfhangenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; hing af, heeft afgehangen) 1 (van zaken) afhankelijk zijn van 2 (in België, niet algemeen) ressorteren onder. (onovergankelijk werkwoord; hing af, heeft afgehangen) 1 naar beneden hangen. (overgankelijk werkwoord; hing af, heeft afgehangen) 1 (hangende voorwerpen) losmaken en verwijderen 2 in de hengsels bevestigen.
In Spaans overeenkomend met: Depender sAfhankelijk zijn Deel uitmaken | Hing af | Afgehangen
|
| Afhappen | Hapte af | Afgehapt
|
AfhardenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hardde af, is afgehard; afharding) 1 (van kasplanten) langzaam wennen aan koudere lucht. (overgankelijk werkwoord; hardde af, heeft afgehard) 1 (kasplanten) laten wennen aan koudere lucht.
| Hardde af | Afgehard
|
| Afharen | Haarde af | Afgehaard
|
| Afharken | Harkte af | Afgeharkt
|
| Afhaspelen | Haspelde af | Afgehaspeld
|
AfhechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; hechtte af, heeft afgehecht; afhechting) 1 door vastmaken afwerken.
| Hechtte af | Afgehecht
|
| Afheffen | Hief af | Afgeheven
|
AfhellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; helde af, heeft afgeheld) 1 naar beneden hellen.
| Helde af | Afgeheld
|
AfhelpenIn Spaans overeenkomend met: Libertar, Poner en libertad sBevrijden Loslaten Verlossen Vrijlaten Vrijmaken | Hielp af | Afgeholpen
|
| Afhengelen | Hengelde af | Afgehengeld
|
| Afhogen | Hoogde af | Afgehoogd
|
| Afhollen | Holde af | Afgehold
|
| Afhoren | Hoorde af | Afgehoord
|
AfhoudenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hield af, heeft afgehouden) 1 het schip zó richten dat de wind meer van achteren invalt. (overgankelijk werkwoord; hield af, heeft afgehouden) 1 (ook absoluut) beletten te naderen of in aanraking te komen 2 (een verschuldigd bedrag) aftrekken van het totaal.
In Spaans overeenkomend met: Contener, Detener Apartar sOnthouden Onttrekken Weghouden | Hield af | Afgehouden
|
AfhouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hieuw af, heeft afgehouwen) 1 afhakken.
| Hieuw af | Afgehouwen
|
AfhurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; huurde af, heeft afgehuurd) 1 in zijn geheel in huur nemen.
In Spaans overeenkomend met: Alquilar, Tomar en alquiler sCharteren Huren | Huurde af | Afgehuurd
|
AfjagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; jaagde af/joeg af, heeft afgejaagd) 1 (dieren) door te sterk rijden afmatten 2 (dieren) zo lang op de jacht achtervolgen tot ze uitgeput zijn.
| Jaagde af, Joeg af | Afgejaagd
|
AfjakkerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; jakkerde af, heeft afgejakkerd) 1 afbeulen, uitputten 2 afraffelen, slordig afmaken 3 met dolle snelheid afleggen.
In Spaans overeenkomend met: Cansar, Fatigar sAfbeulen | Jakkerde af | Afgejakkerd
|
| Afjapen | Jaapte af | Afgejaapt
|
| Afjatten | Jatte af | Afgejat
|
AfkaartenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kaartte af, heeft afgekaart) 1 afstemmen, regelen.
| Kaartte af | Afgekaart
|
| Afkaatsen | Kaatste af | Afgekaatst
|
| Afkabbelen | Kabbelde af | Afgekabbeld
|
| Afkaden | Kaadde af | Afgekaad
|
AfkalkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kalkte af, heeft afgekalkt) 1 kalk loslaten. (overgankelijk werkwoord; kalkte af, heeft afgekalkt) 1 van kalk ontdoen.
| Kalkte af | Afgekalkt
|
AfkalvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; afkalving) 1 (kalfde af, is afgekalfd) (van aarden wanden en in zee schuivende gletsjers) stuksgewijs afschuiven en instorten 2 (kalfde af, heeft afgekalfd) (van koeien) een kalf werpen.
| Kalfde af | Afgekalfd
|
AfkammenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kamde af, heeft afgekamd) 1 door kammen reinigen 2 afkraken, onbillijk bekritiseren.
In Spaans overeenkomend met: Desacreditar sAfbreken Afgeven op | Kamde af | Afgekamd
|
| Afkankeren | Kankerde af | Afgekankerd
|
| Afkantelen | Kantelde af | Afgekanteld
|
AfkantenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kantte af, heeft afgekant; afkanting) 1 met een rand afwerken.
| Kantte af | Afgekant
|
| Afkapen | Kaapte af | Afgekaapt
|
AfkappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kapte af, heeft afgekapt; afkapping) 1 afhakken 2 overkappen 3 (een spreker) stoppen.
In Spaans overeenkomend met: Elidir sOnvermeld laten Overslaan Schrappen Weglaten | Kapte af | Afgekapt
|
AfkattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; katte af, heeft afgekat) 1 (informeel) afblaffen, onvriendelijk terechtwijzen.
| Katte af | Afgekat
|
| Afkauwen | Kauwde af | Afgekauwd
|
AfkerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; keerde af, heeft afgekeerd) 1 doen omdraaien 2 tegenhouden, verhinderen te treffen.
In Spaans overeenkomend met: Cambiar de dirección, Desviar sAfdraaien Pareren | Keerde af | Afgekeerd
|
| Afkerven | Kerfde af, Korf af | Afgekerfd, Afgekorven
|
AfketsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ketste af, is afgeketst; afketsing) 1 afstuiten 2 (van plannen) niet doorgaan. (overgankelijk werkwoord; ketste af, heeft afgeketst) 1 (een plan) verwerpen.
In Spaans overeenkomend met: Rebotar ((),(intr. Dicho de un cuerpo en movimiento: Retroceder o cambiar de dirección por haber chocado con un obstáculo.))
| Ketste af | Afgeketst
|
AfkeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; keurde af, heeft afgekeurd; afkeuring) 1 ongeschikt verklaren 2 (handelingen, gevoelens en gezegden) ongunstig beoordelen, verwerpelijk achten.
In Spaans overeenkomend met: Censurar, Desaprobar, Reprender, Reprobar Rehusar sAfwijzen Berispen Gispen Laken Terugwijzen Vertikken Weigeren Wraken | Keurde af | Afgekeurd
|
AfkickenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kickte af, heeft/is afgekickt) 1 een ontwenningskuur ondergaan om van drugs af te komen.
| Kickte af | Afgekickt
|
| Afkiezen | Koos af | Afgekozen
|
AfkijkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; keek af, heeft afgekeken; afkijker) 1 iets heimelijk overschrijven van iem. (overgankelijk werkwoord; keek af, heeft afgekeken) 1 (een vaardigheid) door kijken van iem. leren 2 zo lang kijken tot men voor wat men ziet geen gevoel meer heeft 3 ten einde toe bekijken.
| Keek af | Afgekeken
|
| Afkisten | Kistte af | Afgekist
|
| Afkladden | Kladde af | Afgeklad
|
| Afklappen | Klapte af | Afgeklapt
|
| Afklaren | Klaarde af | Afgeklaard
|
| Afklauteren | Klauterde af | Afgeklauterd
|
AfkledenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kleedde af, heeft afgekleed; afkleding) 1 (van een kledingstuk) zo kleden dat de drager slanker schijnt te zijn.
| Kleedde af | Afgekleed
|
AfklemmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; klemde af, heeft afgeklemd) 1 (ook absoluut) zich met de armen om de tegenstander heen klemmen om hem het stoten te verhinderen 2 door klemmen scheiden.
| Klemde af | Afgeklemd
|
| Afkletsen | Kletste af | Afgekletst
|
| Afklimmen | Klom af | Afgeklommen
|
| Afklinken | Klonk af | Afgeklonken
|
AfklokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; klokte af, heeft afgeklokt) 1 (sport) de tijd registreren van (een finishende sporter).
| Klokte af | Afgeklokt
|
AfkloppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; klopte af, heeft afgeklopt) 1 door kloppen reinigen .
| Klopte af | Afgeklopt
|
AfkluivenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kloof af, heeft afgekloven) 1 kluivend van iets ontdoen.
| Kloof af | Afgekloven
|
AfknabbelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knabbelde af, heeft afgeknabbeld) 1 door knabbelen van iets ontdoen.
| Knabbelde af | Afgeknabbeld
|
AfknagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knaagde af, heeft afgeknaagd) 1 door knagen van iets ontdoen.
| Knaagde af | Afgeknaagd
|
| Afknakken | Knakte af | Afgeknakt
|
AfknappenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; knapte af, is afgeknapt) 1 volledig teleurgesteld worden in. (onovergankelijk werkwoord; knapte af, is afgeknapt) 1 knappend gescheiden worden 2 een psychische instorting krijgen. (overgankelijk werkwoord; knapte af, heeft afgeknapt) 1 (iets) met een knap afbreken.
| Knapte af | Afgeknapt
|
| Afknauwen | Knauwde af | Afgeknauwd
|
AfknellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knelde af, heeft afgekneld; afknelling) 1 door knellen van het lichaam afscheiden.
| Knelde af | Afgekneld
|
| Afknevelen | Knevelde af | Afgekneveld
|
| Afknibbelen | Knibbelde af | Afgeknibbeld
|
AfknijpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kneep af, heeft afgeknepen; afknijper, afknijping) 1 door knijpen verwijderen, afbreken 2 bij voortduring het uiterste vergen van (iem.).
| Kneep af | Afgeknepen
|
AfknippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knipte af, heeft afgeknipt) 1 met een schaar afsnijden 2 (iets) door een knip met de vingers verwijderen.
| Knipte af | Afgeknipt
|
| Afknoeien | Knoeide af | Afgeknoeid
|
| Afknopen | Knoopte af | Afgeknoopt
|
AfknottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knotte af, heeft afgeknot; afknotting) 1 van een uitstekend deel ontdoen, het bovenste afkappen van 2 (bouwkunde) (de uiteinden van balken enz.) van de scherpe hoeken of kanten ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Mutilar
| Knotte af | Afgeknot
|
| Afknuppelen | Knuppelde af | Afgeknuppeld
|
| Afknutselen | Knutselde af | Afgeknutseld
|
AfkoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; koelde af, is afgekoeld; afkoeling) 1 koeler worden. (overgankelijk werkwoord; koelde af, heeft afgekoeld) 1 koeler maken.
In Spaans overeenkomend met: Refrescar Enfriar, Resfriar sKoud worden Laten schrikken Rafraichieren | Koelde af | Afgekoeld
|
| Afkoersen | Koerste af | Afgekoerst
|
AfkokenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kookte af, is afgekookt) 1 (van aardappels) fijnkoken voordat ze geheel gaar zijn. (overgankelijk werkwoord; kookte af, heeft afgekookt) 1 door koken van iets ontdoen.
| Kookte af | Afgekookt
|
AfkolvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; kolfde af, heeft afgekolfd; afkolving) 1 moedermelk met een borstkolf afnemen.
| Kolfde af | Afgekolfd
|
AfkomenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; kwam af, is afgekomen) 1 (in België, niet algemeen) aan komen zetten met. (werkwoord; kwam af, is afgekomen) 1 ontslagen, bevrijd raken van. (onovergankelijk werkwoord; kwam af, is afgekomen) 1 (van handelingen, voorvallen) ten einde komen, voltooid worden 2 uitgaan van een hogere instantie 3 (in België; informeel) langskomen, op bezoek komen.
In Spaans overeenkomend met: Suceder sAfstammen | Kwam af | Afgekomen
|
AfkondigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kondigde af, heeft afgekondigd; afkondiging) 1 op officiële wijze in het openbaar bekendmaken 2 bekendmaken dat een programma afgelopen is.
In Spaans overeenkomend met: Denunciar Promulgar Proclamar Divulgar, Publicar sOpenbaar maken Proclameren Publiceren Ruchtbaar maken Uitvaardigen Verkondigen | Kondigde af | Afgekondigd
|
AfkopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kocht af, heeft afgekocht) 1 (verplichtingen) doen ophouden door het voldoen van een prijs.
In Spaans overeenkomend met: Redimir sLoskopen Vrijkopen | Kocht af | Afgekocht
|
AfkoppelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; koppelde af, heeft afgekoppeld; afkoppeling) 1 afzonderen door het verbreken van een koppeling.
| Koppelde af | Afgekoppeld
|
| Afkorsten | Korstte af | Afgekorst
|
AfkortenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kortte af, heeft afgekort; afkorting) 1 verkorten door weglating 2 in de lengterichting kleiner maken.
In Spaans overeenkomend met: Abreviar, Acortar sBekorten Inkorten Verkorten | Kortte af | Afgekort
|
| Afkrabbelen | Krabbelde af | Afgekrabbeld
|
AfkrabbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; krabde af, heeft afgekrabd; afkrabber) 1 door krabben wegnemen 2 door krabben ontdoen van.
| Krabde af | Afgekrabd
|
AfkrakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kraakte af, heeft afgekraakt; afkraking) 1 een vernietigende kritiek leveren op.
| Kraakte af | Afgekraakt
|
| Afkrassen | Kraste af | Afgekrast
|
AfkrijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kreeg af, heeft afgekregen) 1 er in slagen te voltooien.
| Kreeg af | Afgekregen
|
| Afkronkelen | Kronkelde af | Afgekronkeld
|
| Afkruien | Kruide af | Afgekruid
|
| Afkruimelen | Kruimelde af | Afgekruimeld
|
| Afkruipen | Kroop af | Afgekropen
|
| Afkuieren | Kuierde af | Afgekuierd
|
AfkuisenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kuiste af, heeft afgekuist) 1 (in België; informeel) schoonmaken door het oppervlak ervan te reinigen, afvegen.
| Kuiste af | Afgekuist
|
| Afkukelen | Kukelde af | Afgekukeld
|
AfkunnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Kon af | Afgekund
|
AfkussenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kuste af, heeft afgekust) 1 door te kussen wegnemen 2 met een kus (een twist) bijleggen.
| Kuste af | Afgekust
|
| Aflachen | Lachte af | Afgelachen
|
AfladenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; laadde af, heeft afgeladen; aflader, aflading) 1 (wat geladen is) afnemen, uitnemen 2 van de lading ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Descargar sUitladen | Laadde af | Afgeladen
|
AflakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; lakte af, heeft afgelakt) 1 de laatste laklaag opbrengen op (iets).
| Lakte af | Afgelakt
|
| Aflangen | Langde af | Afgelangd
|
| Aflappen | Lapte af | Afgelapt
|
AflassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; laste af, heeft afgelast) 1 (niet algemeen) afgelasten.
| Laste af | Afgelast
|
AflatenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liet af, heeft afgelaten) 1 (formeel) ophouden, uitscheiden.
In Spaans overeenkomend met: Cesar sOphouden Stoppen Uitscheiden Wijken | Liet af | Afgelaten
|
| Aflaveren | Laveerde af | Afgelaveerd
|
| Aflazeren | Lazerde af | Afgelazerd
|
AflebberenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; lebberde af, heeft afgelebberd) 1 (informeel) afzoenen, op een onsmakelijke manier.
| Lebberde af | Afgelebberd
|
AfleggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; legde af, heeft afgelegd; aflegger, aflegging) 1 (kledingstukken enz.) afdoen 2 zich ontdoen van (iets dat hindert) 3 (een officiële handeling) verrichten 4 ten einde volgen 5 (een dode) verzorgen voor de begrafenis 6 (van dieren) (de huid, de hoorns) verliezen, doordat nieuwe aangroeien 7 (biologie) (een ondertak of rank) van de moederplant af- en ombuigen en met aarde bedekken, zodat hij wortel kan schieten .
In Spaans overeenkomend met: Andar ((een weg),(un camino)) Dejar caer Quitar, Sacar Atravesar, Recorrer sAfdoen Aflopen Afzetten Doorgaan Gaan Gaan door Lopen Opgeven Prijsgeven Te voet gaan Uitdoen Uitkrijgen Uittrekken Wandelen (snel) | Legde af | Afgelegd
|
AfleidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leidde af, heeft afgeleid) 1 (ook absoluut) (iem.) bezighouden met iets anders dan waaraan hij werkte 2 van een plaats afbrengen en naar een andere plaats geleiden 3 (een nieuw woord) van of uit bestaande woorden vormen met behulp van affixen 4 uit bepaalde gegevens (iets nieuws) concluderen.
In Spaans overeenkomend met: Deducir Derivar Distraer, Distraerse Extraer Desviar Concluir, Sacar conclusión sAbstraheren Aftappen Besluiten Concluderen Deduceren Een gevolgtrekking maken Laten afvloeien Verstrooien Wegleiden Wegvoeren Zetten | Leidde af | Afgeleid
|
| Afleken | Leekte af | Afgeleekt
|
| Aflekken | Lekte af | Afgelekt
|
| Aflenzen | Lensde af | Afgelensd
|
AflerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leerde af, heeft afgeleerd) 1 (gewoonten, hebbelijkheden, denkbeelden) langzamerhand afleggen, zich ontwennen 2 maken dat iem. (bepaalde gewoonten, hebbelijkheden, denkbeelden) aflegt.
In Spaans overeenkomend met: Desacostumbrar, Desaprender, Olvidar, Olvidarse sAfwennen Verleren | Leerde af | Afgeleerd
|
AfleverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leverde af, heeft afgeleverd; aflevering) 1 op de bepaalde plaats bezorgen 2 (in België) (een document) afgeven, uitreiken.
In Spaans overeenkomend met: Entregar, Suministrar sBestellen Bezorgen Inleveren Leveren Toevoeren | Leverde af | Afgeleverd
|
AflezenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; las af, heeft afgelezen; aflezing) 1 in het openbaar voorlezen 2 opmaken uit de stand van wijzers e.d.
In Spaans overeenkomend met: Controlar, Examinar, Verificar sControleren Checken Nakijken Surveilleren Toezien | Las af | Afgelezen
|
| Aflichten | Lichtte af | Afgelicht
|
| Afliegen | Loog af | Afgelogen
|
| Afliggen | Lag af | Afgelegen
|
| Aflijnen | Lijnde af | Afgelijnd
|
AflikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; likte af, heeft afgelikt) 1 door likken schoonmaken 2 (pejoratief) afzoenen.
| Likte af | Afgelikt
|
| Afloden | Loodde af | Afgelood
|
| Afloeren | Loerde af | Afgeloerd
|
| Aflogen | Loogde af | Afgeloogd
|
| Aflokken | Lokte af | Afgelokt
|
AflopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep af, is afgelopen) 1 eindigen, verstrijken 2 (van wekkers) ratelen 3 (van vloeistoffen) neerwaarts stromen 4 zich naar beneden uitstrekken. (overgankelijk werkwoord; liep af, heeft afgelopen) 1 door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten 2 een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen.
In Spaans overeenkomend met: Terminar Boquear, Expirar, Terminarse Disminuir Atravesar, Recorrer sAfleggen Afnemen Doorgaan Eindigen Gaan door Ophouden Slinken Tanen Uitgaan Uitlopen Uitraken Verflauwen Verlopen | Liep af | Afgelopen
|
AflossenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; loste af, heeft afgelost; aflosser, aflossing) 1 in zijn taak vervangen 2 (een schuld) voldoen, terugbetalen.
In Spaans overeenkomend met: Amortizar Reemplazar, Remplazar, Substituir Saldar una deuda Sustituir sAfbetalen Amortiseren De plaats innemen van Delgen Dempen Inspringen Vervangen | Loste af | Afgelost
|
AfluisterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; luisterde af, heeft afgeluisterd) 1 heimelijk beluisteren.
| Luisterde af | Afgeluisterd
|
AfluizenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; luisde af, heeft afgeluisd) 1 (in België; informeel) aftroggelen.
| Luisde af | Afgeluisd
|
| Afmaaien | Maaide af | Afgemaaid
|
AfmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte af, heeft afgemaakt; afmaker) 1 een einde maken aan 2 (een reeds gewond of weerloos dier of mens) doden 3 vernietigend beoordelen, machteloos maken. (wederkerend werkwoord; maakte zich af, heeft zich afgemaakt) ¶ alleen in verbindingen.
In Spaans overeenkomend met: Rematar Acabar, Finalizar, Terminar Completar sAanvullen Afsluiten Afwerken Besluiten Beëindigen Bijwerken Completeren Eindigen Uitmaken Uitwerken Voleinden Voleindigen Voltooien | Maakte af | Afgemaakt
|
AfmalenIn de betekenis van: Afschilderen
| Maalde af | Afgemaald
|
AfmalenIn de betekenis van: Geheel malen
| Maalde af | Afgemalen
|
AfmarcherenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; marcheerde af, is afgemarcheerd) 1 wegmarcheren.
| Marcheerde af | Afgemarcheerd
|
AfmartelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; martelde af, heeft afgemarteld; afmarteling) 1 tot uitputtens toe sterk kwellen.
| Martelde af | Afgemarteld
|
AfmattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; matte af, heeft afgemat) 1 door te zware inspanning zeer vermoeien.
| Matte af | Afgemat
|
AfmeldenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; meldde af, heeft afgemeld; afmelder, afmelding) 1 iemands afwezigheid of vertrek aanzeggen.
| Meldde af | Afgemeld
|
| Afmelken | Melkte af, Molk af | Afgemolken
|
AfmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; meerde af, heeft afgemeerd) 1 (een vaartuig) aan de wal vastleggen.
| Meerde af | Afgemeerd
|
AfmetenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; mat af, heeft afgemeten) 1 (hoedanigheden, handelingen) schatten of beoordelen door ze te vergelijken met iets anders. (overgankelijk werkwoord; mat af, heeft afgemeten; afmeting) 1 opmeten 2 bepalen in de juiste maat of hoeveelheid.
In Spaans overeenkomend met: Proporcionar Medir, Tomar la medida sAfwegen Evenredig maken Meten Opmeten Opnemen Roeien Uitmeten | Mat af | Afgemeten
|
| Afmetselen | Metselde af | Afgemetseld
|
| Afmetsen | Metste af | Afgemetst
|
| Afmieteren | Mieterde af | Afgemieterd
|
AfmijnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; mijnde af, heeft afgemijnd) 1 koper, huurder of aannemer worden door eerder 'mijn' te roepen dan een ander.
| Mijnde af | Afgemijnd
|
AfmikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; mikte af, heeft afgemikt) 1 uitkienen.
| Mikte af | Afgemikt
|
AfmixenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; mixte af, heeft afgemixt) 1 (mbt. op verschillende banden opgenomen geluiden) samenvoegen tot de definitieve mix.
| Mixte af | Afgemixt
|
AfmonsterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; monsterde af, heeft afgemonsterd; afmonstering) 1 ontslag nemen uit de scheepsdienst. (overgankelijk werkwoord; monsterde af, heeft afgemonsterd) 1 (iem.) uit de scheepsdienst ontslaan.
In Spaans overeenkomend met: Despedir sOntslaan | Monsterde af | Afgemonsterd
|
| Afmonteren | Monteerde af | Afgemonteerd
|
| Afmoorden | Moordde af | Afgemoord
|
| Afmunten | Muntte af | Afgemunt
|
| Afmuren | Muurde af | Afgemuurd
|
AfnaaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; naaide af, heeft afgenaaid) 1 een naaiwerk afmaken.
| Naaide af | Afgenaaid
|
| Afnaasten | Naastte af | Afgenaast
|
AfnemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; nam af, is afgenomen; afnemer, afneming) 1 verminderen. (overgankelijk werkwoord; nam af, heeft afgenomen) 1 van een bepaalde plaats verwijderen 2 (een hoofddeksel) van het hoofd nemen 3 ontdoen van wat er op ligt of staat 4 afhandig maken 5 plechtig laten afleggen, doen ondergaan 6 kopen 7 (spel) couperen .
In Spaans overeenkomend met: Comprar, Procurarse Recoger la mesa Arrebatar Amainar, Decrecer, Disminuir, Menguar Tomar sAankopen Aanschaffen Aflopen Afpakken Afruimen Inkopen Kopen Minder worden Overnemen Slinken Tanen Verflauwen Verminderen Weghalen Wegnemen | Nam af | Afgenomen
|
| Afneuzen | Neusde af | Afgeneusd
|
| Afnijpen | Neep af | Afgenepen
|
AfnokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; nokte af, is afgenokt) 1 (informeel) weggaan.
| Nokte af | Afgenokt
|
AfnummerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; nummerde af, heeft afgenummerd) 1 (van opgestelde legertroepen) in volgorde zijn nummer zeggen.
| Nummerde af | Afgenummerd
|
| Afogen | Oogde af | Afgeoogd
|
| Afoogsten | Oogstte af | Afgeoogst
|
AfpakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pakte af, heeft afgepakt) 1 afnemen.
In Spaans overeenkomend met: Arrebatar sAfnemen Weghalen Wegnemen | Pakte af | Afgepakt
|
AfpalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; paalde af, heeft afgepaald; afpaling) 1 met palen afzetten 2 de grens bepalen van.
| Paalde af | Afgepaald
|
| Afpanden | Pandde af | Afgepand
|
AfpassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; paste af, heeft afgepast; afpassing) 1 nauwkeurig afmeten.
| Paste af | Afgepast
|
| Afpeddelen | Peddelde af | Afgepeddeld
|
AfpeigerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; peigerde af, heeft afgepeigerd) 1 (informeel) uitputten.
| Peigerde af | Afgepeigerd
|
| Afpeilen | Peilde af | Afgepeild
|
| Afpeinzen | Peinsde af | Afgepeinsd
|
AfpelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; peelde af, heeft afgepeeld) 1 (huiden) in de leerlooierij van het haar ontdoen.
| Peelde af | Afgepeeld
|
AfpellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pelde af, heeft afgepeld) 1 van schil, dop of bast ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Descortezar, Mondar, Pelar sJassen Pellen Schillen | Pelde af | Afgepeld
|
| Afpennen | Pende af | Afgepend
|
AfperkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; perkte af, heeft afgeperkt; afperking) 1 de grenzen van een ruimte door zichtbare tekens aanduiden 2 nauwkeurig begrenzen.
| Perkte af | Afgeperkt
|
AfpersenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; perste af, heeft afgeperst; afperser, afpersing) 1 iem. onder bedreiging dwingen (iets) af te staan.
In Spaans overeenkomend met: Hacer exacción, Hacer extorsión sAfdwingen Knevelen | Perste af | Afgeperst
|
| Afpeuteren | Peuterde af | Afgepeuterd
|
| Afpeuzelen | Peuzelde af | Afgepeuzeld
|
| Afpijnen | Pijnde af | Afgepijnd
|
AfpijnigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pijnigde af, heeft afgepijnigd) 1 uitputten door pijnlijke of afmattende gedachten.
| Pijnigde af | Afgepijnigd
|
AfpikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pikte af, heeft afgepikt) 1 (informeel) afhandig maken .
| Pikte af | Afgepikt
|
AfpingelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; pingelde af, heeft afgepingeld) 1 kleingeestig afdingen.
| Pingelde af | Afgepingeld
|
| Afpitsen | Pitste af | Afgepitst
|
| Afplaggen | Plagde af | Afgeplagd
|
AfplakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; plakte af, heeft afgeplakt) 1 met plakband, pleister enz. afdekken.
| Plakte af | Afgeplakt
|
AfplattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; platte af, heeft afgeplat; afplatting) 1 platter maken.
| Platte af | Afgeplat
|
| Afpleiten | Pleitte af | Afgepleit
|
| Afplekken | Plekte af | Afgeplekt
|
| Afpletten | Plette af | Afgeplet
|
| Afploegen | Ploegde af | Afgeploegd
|
| Afploffen | Plofte af | Afgeploft
|
| Afplooien | Plooide af | Afgeplooid
|
AfpluizenIn de betekenis van: Van pluisjes ontdoen of reinigen
| Pluisde af | Afgepluisd
|
AfpluizenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pluisde af, heeft afgeplozen/afgepluisd) 1 (vlees) in kleine vezeltjes, plukjes van het bot afplukken 2 (kledingstukken) van pluisjes ontdoen of reinigen.
| Ploos af | Afgeplozen
|
AfplukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; plukte af, heeft afgeplukt) 1 door plukken aftrekken.
In Spaans overeenkomend met: Desgranar Arrancar, Cortar Coger, Pellizcar, Pizcar, Pulsar, Puntear sAfbreken Afrukken Doppen Oprapen Plukken Tokkelen Uitrukken Uittrekken Wegscheuren | Plukte af | Afgeplukt
|
AfplunderenIn Spaans overeenkomend met: Infestar sDoor invallen verwoesten Onveilig maken | Plunderde af | Afgeplunderd
|
AfpoeierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; poeierde af, heeft afgepoeierd; afpoeiering) 1 (informeel) (iem.) weten weg te krijgen.
| Poeierde af | Afgepoeierd
|
AfpoetsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; poetste af, heeft afgepoetst) 1 (vuil) door poetsen verwijderen 2 door poetsen schoonmaken.
| Poetste af | Afgepoetst
|
| Afpolderen | Polderde af | Afgepolderd
|
| Afpompen | Pompte af | Afgepompt
|
| Afponden | Pondde af | Afgepond
|
| Afprakkiseren | Prakkiseerde af | Afgeprakkiseerd
|
| Afpramen | Praamde af | Afgepraamd
|
| Afpraten | Praatte af | Afgepraat
|
| Afpreken | Preekte af | Afgepreekt
|
| Afprevelen | Prevelde af | Afgepreveld
|
AfprijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; prijsde af, heeft afgeprijsd) 1 in prijs verlagen.
| Prijsde af | Afgeprijsd
|
| Afprikken | Prikte af | Afgeprikt
|
| Afpulken | Pulkte af | Afgepulkt
|
| Afpunten | Puntte af | Afgepunt
|
| Afrabbelen | Rabbelde af | Afgerabbeld
|
AfradenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ried af, heeft afgeraden) 1 de raad geven (iets niet te doen).
In Spaans overeenkomend met: Desaconsejar sOntraden | Raadde af, Ried af | Afgeraden
|
| Afrafelen | Rafelde af | Afgerafeld
|
AfraffelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raffelde af, heeft afgeraffeld) 1 een taak haastig en slordig afmaken.
In Spaans overeenkomend met: Farfullar
| Raffelde af | Afgeraffeld
|
| Afragen | Raagde af | Afgeraagd
|
AfraggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ragde af, heeft afgeragd) 1 al te snel en onzorgvuldig afwerken 2 (wielersport) onbehouwen hard uitrijden 3 ruw hanteren waardoor het snel kapotgaat.
| Ragde af | Afgeragd
|
| Afraken | Raakte af | Afgeraakt
|
AframmelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rammelde af, heeft afgerammeld; aframmeling) 1 (informeel) afranselen.
| Rammelde af | Afgerammeld
|
| Afranden | Randde af | Afgerand
|
AfranselenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ranselde af, heeft afgeranseld) 1 met slagen mishandelen.
In Spaans overeenkomend met: Aporrear, Brumar, Pegar, Zurrar Trillar sAfrossen Aftuigen Beuken Dorsen | Ranselde af | Afgeranseld
|
| Afrapen | Raapte af | Afgeraapt
|
AfraspenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raspte af, heeft afgeraspt) 1 door raspen wegnemen 2 met een rasp ontdoen van iets.
| Raspte af | Afgeraspt
|
AfrasterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rasterde af, heeft afgerasterd; afrastering) 1 (een open ruimte) door een rasterwerk afscheiden en zo de toegang afsluiten.
| Rasterde af | Afgerasterd
|
AfratelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ratelde af, heeft afgerateld) 1 snel en driftig sprekend, tot het einde toe vertellen, opzeggen of oplezen.
| Ratelde af | Afgerateld
|
AfreagerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; reageerde af, heeft afgereageerd) 1 heftige gemoedsaandoeningen ontladen.
In Spaans overeenkomend met: Descargar
| Reageerde af | Afgereageerd
|
| Afreden | Reedde af | Afgereed
|
| Afregelen | Regelde af | Afgeregeld
|
| Afregenen | Regende af | Afgeregend
|
| Afreiken | Reikte af | Afgereikt
|
AfreizenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; reisde af, is afgereisd) 1 weggaan op een reis.
| Reisde af | Afgereisd
|
AfrekenenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; rekende af, heeft afgerekend) 1 (informeel) (iem.) beoordelen naar zijn prestaties, eigenschappen enz. (werkwoord; rekende af, heeft afgerekend) 1 zich wreken op 2 afzweren. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; rekende af, heeft afgerekend; afrekening) 1 (een aankoop of schuld) betalen.
| Rekende af | Afgerekend
|
AfremmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; remde af, heeft afgeremd) 1 (ook absoluut) snelheid minderen of tot nul terugbrengen van (een auto, machine) 2 minder intensief maken.
In Spaans overeenkomend met: Frenar Enfrenar sRemmen | Remde af | Afgeremd
|
AfrennenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rende af, heeft afgerend) 1 (dieren) vermoeien door ze te hard of te lang te laten rennen.
| Rende af | Afgerend
|
| Afrepelen | Repelde af | Afgerepeld
|
| Afrepen | Reepte af | Afgereept
|
AfrichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; richtte af, heeft afgericht; africhting) 1 door onderricht en oefening voor een bepaald doel geschikt maken.
In Spaans overeenkomend met: Amaestrar Adiestrar sDresseren Temmen Tot gehoorzaamheid dwingen | Richtte af | Afgericht
|
AfrijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; reed af, heeft afgereden) 1 rijexamen afleggen. (overgankelijk werkwoord; reed af, heeft afgereden) 1 (een rijdier) vertrouwd maken met tuig en ruiter 2 (een rijdier) afmatten.
In Spaans overeenkomend met: Salir sUitlopen Uitvaren Wegrijden | Reed af | Afgereden
|
| Afrijgen | Reeg af | Afgeregen
|
| Afrijten | Reet af | Afgereten
|
| Afrijzelen | Rijzelde af | Afgerijzeld
|
| Afrijzen | Rees af | Afgerezen
|
AfrikaniserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; afrikaniseerde, is geafrikaniseerd; afrikanisering/afrikanisatie) 1 zich aan de Afrikaanse cultuur aanpassen. (overgankelijk werkwoord; afrikaniseerde, heeft geafrikaniseerd) 1 aan de Afrikaanse cultuur aanpassen.
| Afrikaniseerde | Geafrikaniseerd
|
| Afrissen | Riste af | Afgerist
|
AfristenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ristte af, heeft afgerist) 1 van de ris afnemen.
| Ristte af | Afgerist
|
| Afritsen | Ritste af | Afgeritst
|
| Afroeien | Roeide af | Afgeroeid
|
AfroepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; riep af, heeft afgeroepen) 1 (namen) één voor één luid uitspreken 2 in het openbaar afkondigen .
| Riep af | Afgeroepen
|
| Afroesten | Roestte af | Afgeroest
|
AfroffelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; roffelde af, heeft afgeroffeld) 1 slordig en achteloos afmaken 2 (grof gezaagd hout) schaven met de roffelschaaf.
| Roffelde af | Afgeroffeld
|
| Afroken | Rookte af | Afgerookt
|
AfrokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rokte af, heeft afgerokt) 1 stof rondom (een tafel, podium e.d.) draperen als decoratie.
| Rokte af | Afgerokt
|
AfrollenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; rolde af, is afgerold) 1 zich ontrollen. (overgankelijk werkwoord; rolde af, heeft afgerold) 1 (opgerolde voorwerpen) ontrollen, uiteenrollen 2 door oprollen van iets wegnemen.
| Rolde af | Afgerold
|
AfromenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; roomde af, heeft afgeroomd; afroming) 1 de room afscheppen van 2 het beste wegnemen van.
In Spaans overeenkomend met: Desnatar sOntromen Romen | Roomde af | Afgeroomd
|
AfrondenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rondde af, heeft afgerond; afronding) 1 geheel of gedeeltelijk rond maken 2 beëindigen, afmaken 3 (een getal, bedrag) zo aanpassen dat een geheel aantal eenheden ontstaat.
In Spaans overeenkomend met: Redondear sRondmaken | Rondde af | Afgerond
|
| Afronselen | Ronselde af | Afgeronseld
|
| Afrooien | Rooide af | Afgerooid
|
AfrossenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; roste af, heeft afgerost; afrossing) 1 afranselen 2 (paarden) door hard of lang rijden zwaar vermoeien.
In Spaans overeenkomend met: Trillar Almohazar sAfranselen Dorsen Roskammen | Roste af | Afgerost
|
| Afrotten | Rotte af | Afgerot
|
| Afroven | Roofde af | Afgeroofd
|
| Afruien | Ruide af | Afgeruid
|
| Afruilen | Ruilde af | Afgeruild
|
AfruimenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; ruimde af, heeft afgeruimd) 1 voorwerpen weghalen van (een gedekte tafel).
In Spaans overeenkomend met: Recoger la mesa sAfnemen | Ruimde af | Afgeruimd
|
| Afruisen | Ruiste af | Afgeruist
|
AfrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; rukte af, heeft afgerukt) 1 met een ruk van of uit iets lostrekken 2 (vulgair) (een man) met de hand seksueel bevredigen.
In Spaans overeenkomend met: Arrancar, Cortar sAfbreken Afplukken Plukken Uitrukken Uittrekken Wegscheuren | Rukte af | Afgerukt
|
| Afsabbelen | Sabbelde af | Afgesabbeld
|
| Afsabberen | Sabberde af | Afgesabberd
|
| Afsabelen | Sabelde af | Afgesabeld
|
| Afsappelen | Sappelde af | Afgesappeld
|
| Afschaduwen | Schaduwde af | Afgeschaduwd
|
AfschaffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schafte af, heeft afgeschaft; afschaffer, afschaffing) 1 zich niet meer bedienen van 2 (een gewoonte, gebruik) doen ophouden.
In Spaans overeenkomend met: Abolir, Abrogar, Anular, Cancelar, Derogar, Rescindir, Suprimir Eliminar sElimineren Opdoeken Uitmaken Verwijderen Wegdoen | Schafte af | Afgeschaft
|
| Afschakelen | Schakelde af | Afgeschakeld
|
| Afschaken | Schaakte af | Afgeschaakt
|
AfschalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schaalde af, heeft afgeschaald) 1 op een kleinere schaal brengen, d.w.z. in kracht, grootte, omvang, uitwerking enz. doen afnemen.
| Schaalde af | Afgeschaald
|
AfschampenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schampte af, is afgeschampt) 1 slechts de oppervlakte raken en doorschieten.
| Schampte af | Afgeschampt
|
| Afschansen | Schanste af | Afgeschanst
|
| Afscharren | Scharde af | Afgeschard
|
AfschattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; afschatting) 1 schatten.
| Schatte af | Afgeschat
|
AfschavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schaafde af, heeft afgeschaafd) 1 met een schaaf bewerken 2 door sterke wrijving of schuring wegnemen.
In Spaans overeenkomend met: Acepillar sSchaven | Schaafde af | Afgeschaafd
|
AfscheidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scheidde af, heeft afgescheiden; afscheiding) 1 (een kleiner geheel) scheiden van een groter geheel 2 (een ruimte) van een aangrenzende ruimte scheiden 3 (een stof) afvoeren uit het orgaan waarin ze is gevormd.
In Spaans overeenkomend met: Escupir Apartar, Desprender ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Dispersar, Liberar ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Secretar ((de lever scheidt gal af),(el hígado produce/libera/secreta bilis)), Segregar, Separar sAfzonderen Opzij schuiven Scheiden Schiften Weghalen Wegzetten | Scheidde af | Afgescheiden
|
| Afschemeren | Schemerde af | Afgeschemerd
|
AfschenkenIn Spaans overeenkomend met: Decantar sAfgieten Decanteren | Schonk af | Afgeschonken
|
AfschepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scheepte af, heeft afgescheept; afscheping) 1 (iem.) onder enig voorwendsel wegsturen 2 (handelswaren) in een schip laden en wegzenden.
| Scheepte af | Afgescheept
|
| Afscheppen | Schepte af | Afgeschept
|
AfscherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoor af, heeft afgeschoren) 1 door scheren wegnemen.
| Schoor af | Afgeschoren
|
AfschermenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schermde af, heeft afgeschermd; afscherming) 1 als met een scherm afsluiten.
| Schermde af | Afgeschermd
|
| Afscherven | Scherfde af | Afgescherfd
|
| Afschetsen | Schetste af | Afgeschetst
|
AfscheurenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheurde af, is afgescheurd; afscheuring) 1 losgaan door scheuren. (overgankelijk werkwoord; scheurde af, heeft afgescheurd) 1 door scheuren van iets scheiden.
| Scheurde af | Afgescheurd
|
AfschietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoot af, heeft afgeschoten) 1 (een projectiel) werpen met behulp van een schiettuig 2 (dieren) doodschieten 3 (een ruimte) afscheiden door het aanbrengen van een beschot 4 (sport) (een wedstrijd) door schieten onderbreken 5 (een voorstel, een plan) verwerpen .
In Spaans overeenkomend met: Descargar sOntladen | Schoot af | Afgeschoten
|
| Afschijnen | Scheen af | Afgeschenen
|
AfschilderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schilderde af, heeft afgeschilderd; afschildering) 1 d.m.v. klanken, woorden, gebaren e.d. zeer levendig beschrijven 2 (een schilderstuk) afmaken.
In Spaans overeenkomend met: Pintar sSchilderen Uitschilderen Verven | Schilderde af | Afgeschilderd
|
AfschilferenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schilferde af, heeft/is afgeschilferd; afschilfering) 1 in schilfers loslaten 2 (van een oppervlak) zijn buitenste laag in schilfers verliezen.
In Spaans overeenkomend met: Desconcharse sAfbladderen | Schilferde af | Afgeschilferd
|
AfschillenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schilde af, heeft afgeschild) 1 door schillen verwijderen 2 van de schil ontdoen.
| Schilde af | Afgeschild
|
| Afschitteren | Schitterde af | Afgeschitterd
|
AfschminkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schminkte af, heeft afgeschminkt; afschminking) 1 van schmink ontdoen 2 het schminken voltooien.
| Schminkte af | Afgeschminkt
|
| Afschoffelen | Schoffelde af | Afgeschoffeld
|
| Afschokken | Schokte af | Afgeschokt
|
AfschooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schooide af, heeft afgeschooid) 1 door bedelen van iem. weten te verkrijgen.
| Schooide af | Afgeschooid
|
| Afschoppen | Schopte af | Afgeschopt
|
| Afschrabben | Schrabde af | Afgeschrabd
|
AfschrapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schraapte af, heeft afgeschraapt; afschraper) 1 door schrapen verwijderen.
| Schraapte af | Afgeschraapt
|
AfschrappenIn Spaans overeenkomend met: Trazar sAftekenen Trekken | Schrapte af | Afgeschrapt
|
| Afschreeuwen | Schreeuwde af | Afgeschreeuwd
|
| Afschreien | Schreide af | Afgeschreid
|
AfschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schreef af, heeft afgeschreven; afschrijver, afschrijving) 1 door boeking van een bepaald saldo aftrekken 2 schriftelijk afzeggen 3 (informeel) uit het hoofd zetten, niet meer rekenen op 4 het schrijven voltooien 5 de boekwaarde van de vaste bezittingen op de balans verlagen.
In Spaans overeenkomend met: Amortiguar Amortizar Descargar sAfbetalen Afboeken Amortiseren | Schreef af | Afgeschreven
|
AfschrikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schrikte af, heeft afgeschrikt; afschrikking) 1 door verschrikking afweren.
In Spaans overeenkomend met: Desanimar Acobardar, Espantar sOntmoedigen Verjagen Vrees aanjagen Wegjagen | Schrikte af | Afgeschrikt
|
AfschrobbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schrobde af, heeft afgeschrobd) 1 door schrobben reinigen.
| Schrobde af | Afgeschrobd
|
| Afschroeien | Schroeide af | Afgeschroeid
|
AfschroevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schroefde af, heeft afgeschroefd) 1 door een schroevende beweging losmaken.
| Schroefde af | Afgeschroefd
|
| Afschubben | Schubde af | Afgeschubd
|
AfschuddenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schudde af, heeft afgeschud) 1 door schudden af doen vallen 2 zich door een schuddende beweging ontdoen of bevrijden van. (wederkerend werkwoord; schudde zich af, heeft zich afgeschud) 1 zich door schudden van iets ontdoen.
| Schudde af | Afgeschud
|
AfschuierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuierde af, heeft afgeschuierd) 1 afborstelen.
| Schuierde af | Afgeschuierd
|
AfschuimenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuimde af, heeft afgeschuimd) 1 (schuim of andere onzuivere stoffen) verwijderen 2 van schuim of andere onzuiverheden reinigen 3 (een gebied) afzoeken op wat men van zijn gading vindt.
In Spaans overeenkomend met: Desespumar, Despumar, Espumar
| Schuimde af | Afgeschuimd
|
AfschuinenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuinde af, heeft afgeschuind; afschuining) 1 schuin af- of bijwerken.
| Schuinde af | Afgeschuind
|
AfschuivenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoof af, heeft afgeschoven) 1 op een ander laten neerkomen.
| Schoof af | Afgeschoven
|
AfschurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuurde af, heeft afgeschuurd) 1 door schuren verwijderen 2 door schuren gladmaken 3 (van een stroom) door schuring loswerken en wegspoelen.
| Schuurde af | Afgeschuurd
|
AfschuttenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schutte af, heeft afgeschut; afschutting) 1 (een ruimte) afscheiden door een schut of heining 2 door middel van schutsluizen afsluiten.
In Spaans overeenkomend met: Atajar
| Schutte af | Afgeschut
|
| Afseinen | Seinde af | Afgeseind
|
AfserverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; serveerde af, heeft afgeserveerd) 1 door sterk serveren verslaan 2 afwijzen, afdanken, aan de kant zetten.
| Serveerde af | Afgeserveerd
|
| Afsijpelen | Sijpelde af | Afgesijpeld
|
| Afsjacheren | Sjacherde af | Afgesjacherd
|
| Afsjokken | Sjokte af | Afgesjokt
|
| Afsjouwen | Sjouwde af | Afgesjouwd
|
AfslaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloeg af, is afgeslagen) 1 zijwaarts, naar links of naar rechts gaan 2 (van motoren e.d.) ophouden te werken 3 minder worden in prijs. (overgankelijk werkwoord; sloeg af, heeft afgeslagen) 1 verdrijven 2 stellig weigeren te accepteren 3 met geweld afscheiden 4 door slaan of kloppen reinigen 5 bij afslag veilen.
In Spaans overeenkomend met: Desviarse Detenerse, Parar Rechazar, Rehusar, Suspender Bajar Repulsar Torcer Girar sAftrekken Afwijzen Blijven staan Halt houden Korten Korting geven Nee zeggen tegen Pareren Stilhouden Stilstaan Stoppen Terugslaan Terugstoten Verwerpen Weigeren Wraken | Sloeg af | Afgeslagen
|
AfslachtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slachtte af, heeft afgeslacht; afslachter, afslachting) 1 massaal vermoorden 2 zeer slecht beoordelen.
In Spaans overeenkomend met: Matar sSlachten | Slachtte af | Afgeslacht
|
AfslankenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slankte af, is afgeslankt; afslanking) 1 slanker worden 2 (eufemisme) (van organisaties) kleiner worden. (overgankelijk werkwoord; slankte af, heeft afgeslankt) 1 slanker maken, slanker doen lijken 2 (een organisatie) inkrimpen.
| Slankte af | Afgeslankt
|
| Afslaven | Slaafde af | Afgeslaafd
|
| Afslechten | Slechtte af | Afgeslecht
|
| Afslenteren | Slenterde af | Afgeslenterd
|
| Afslepen | Sleepte af | Afgesleept
|
| Afsleuren | Sleurde af | Afgesleurd
|
| Afslibben | Slibde af | Afgeslibd
|
| Afslibberen | Slibberde af | Afgeslibberd
|
| Afslieren | Slierde af | Afgeslierd
|
AfslijpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sleep af, heeft afgeslepen) 1 door slijpen wegnemen 2 door slijpen gladmaken.
| Sleep af | Afgeslepen
|
AfslijtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleet af, is afgesleten; afslijting) 1 door slijten de buitenste delen verliezen. (overgankelijk werkwoord; sleet af, heeft afgesleten) 1 door slijten de buitenste delen doen verliezen.
In Spaans overeenkomend met: Erosionar Desgastarse sDoorslijten Eroderen Slijten Uitslijten Verslijten | Sleet af | Afgesleten
|
| Afslingeren | Slingerde af | Afgeslingerd
|
| Afslippen | Slipte af | Afgeslipt
|
| Afsloffen | Slofte af | Afgesloft
|
| Afslonzen | Slonsde af | Afgeslonsd
|
| Afslopen | Sloopte af | Afgesloopt
|
| Afslorpen | Slorpte af | Afgeslorpt
|
| Afsloten | Slootte af | Afgesloot
|
AfslovenALLE betekenissen van dit woord: (wederkerend werkwoord; sloofde zich af, heeft zich afgesloofd; afsloving) 1 door langdurige inspanning en zorg afmatten.
| Sloofde af | Afgesloofd
|
| Afsluipen | Sloop af | Afgeslopen
|
AfsluitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sloot af, heeft afgesloten; afsluiter, afsluiting) 1 door sluiting ontoegankelijk maken 2 op slot doen 3 (lucht, licht, water, gas enz.) door een afscheiding beletten door te dringen 4 (een overeenkomst) sluiten met inachtneming van de verschillende formaliteiten of handelingen 5 een eind maken aan 6 (iem.) verwijderd houden van iets.
In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso Acabar, Terminar, Zanjar Ajustar, Contratar, Destajar Obturar Saldar Cerrar, Cerrar con llave sAangaan Aannemen Afdammen Afdoen Afmaken Belemmeren Besluiten Beëindigen Contracteren Eindigen Op slot doen Salderen Sluiten Stuwen Uitmaken Vereffenen Versperren Voleindigen Vullen | Sloot af | Afgesloten
|
| Afslurpen | Slurpte af | Afgeslurpt
|
| Afsmakken | Smakte af | Afgesmakt
|
| Afsmeden | Smeedde af | Afgesmeed
|
AfsmekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smeekte af, heeft afgesmeekt; afsmeking) 1 (iets) door dringend bidden van iemand trachten te verwerven.
In Spaans overeenkomend met: Implorar, Suplicar sSmeken | Smeekte af | Afgesmeekt
|
AfsmeltenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smolt af, is afgesmolten; afsmelting) 1 wegsmelten.
| Smolt af | Afgesmolten
|
| Afsmeren | Smeerde af | Afgesmeerd
|
| Afsmetten | Smette af | Afgesmet
|
| Afsmijten | Smeet af | Afgesmeten
|
AfsnauwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snauwde af, heeft afgesnauwd) 1 (iem.) op bitse toon kortaf antwoorden.
In Spaans overeenkomend met: Dar dentelladas a
| Snauwde af | Afgesnauwd
|
| Afsnellen | Snelde af | Afgesneld
|
AfsnijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sneed af, heeft afgesneden; afsnijding) 1 door snijden afscheiden 2 op de vereiste lengte doorsnijden 3 afsluiten, onmogelijk maken 4 (de afstand) verkleinen .
In Spaans overeenkomend met: Amputar, Cercenar, Truncar sAfsteken | Sneed af | Afgesneden
|
| Afsnipperen | Snipperde af | Afgesnipperd
|
AfsnoeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snoeide af, heeft afgesnoeid; afsnoeiing) 1 (takken en twijgen) met het snoeimes afsnijden 2 (bomen, planten) ontdoen van de overtollige takken.
| Snoeide af | Afgesnoeid
|
AfsnoepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snoepte af, heeft afgesnoept) 1 iem. voor zijn met.
| Snoepte af | Afgesnoept
|
| Afsnoeren | Snoerde af | Afgesnoerd
|
| Afsnorren | Snorde af | Afgesnord
|
| Afsnuffelen | Snuffelde af | Afgesnuffeld
|
| Afsnuiten | Snuitte af, Snoot af | Afgesnuit, Afgesnoten
|
| Afsollen | Solde af | Afgesold
|
AfsoppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sopte af, heeft afgesopt; afsopping) 1 met water en zeep reinigen.
| Sopte af | Afgesopt
|
| Afspaden | Spaadde af | Afgespaad
|
| Afspanen | Spaande af | Afgespaand
|
| Afspannen | Spande af | Afgespannen
|
| Afspatten | Spatte af | Afgespat
|
AfspeldenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speldde af, heeft afgespeld) 1 (een lap stof) door spelden op de juiste maat brengen.
| Speldde af | Afgespeld
|
AfspelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speelde af, heeft afgespeeld) 1 (grammofoonplaten, cd's, banden of cassettes) afdraaien 2 (een muziekstuk) tot het einde toe spelen 3 (een muziekinstrument) door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken. (wederkerend werkwoord; speelde zich af, heeft zich afgespeeld) 1 gebeuren.
| Speelde af | Afgespeeld
|
| Afspeten | Speette af | Afgespeet
|
| Afspetteren | Spetterde af | Afgespetterd
|
AfspeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speurde af, heeft afgespeurd) 1 afzoeken.
| Speurde af | Afgespeurd
|
| Afspieden | Spiedde af | Afgespied
|
AfspiegelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spiegelde af, heeft afgespiegeld; afspiegeling) 1 doen voorkomen. (wederkerend werkwoord; spiegelde zich af, heeft zich afgespiegeld) 1 weerkaatst worden.
| Spiegelde af | Afgespiegeld
|
| Afspinnen | Spinde af, Spon af | Afgesponnen
|
| Afspioneren | Spioneerde af | Afgespioneerd
|
| Afspitten | Spitte af | Afgespit
|
| Afsplijten | Spleet af | Afgespleten
|
| Afsplinteren | Splinterde af | Afgesplinterd
|
AfsplitsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; splitste af, heeft afgesplitst; afsplitsing) 1 door splitsen afscheiden. (wederkerend werkwoord; splitste zich af, heeft zich afgesplitst) 1 (van wegen of leidingen) uit de hoofdweg of de hoofdleiding afbuigen 2 (van groepen personen) zich afscheiden van een groter geheel.
| Splitste af | Afgesplitst
|
AfspoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spoelde af, is afgespoeld; afspoeling) 1 door een stroom of golfslag weggespoeld worden. (overgankelijk werkwoord; spoelde af, heeft afgespoeld) 1 lichtjes afwassen 2 door golfslag doen wegspoelen.
In Spaans overeenkomend met: Enjuagar Gargarizar sGorgelen Spoelen | Spoelde af | Afgespoeld
|
AfsponsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie afsponzen.
| Sponste af | Afgesponst
|
AfsponzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sponsde af, heeft afgesponsd) 1 met een spons reinigen.
| Sponsde af | Afgesponsd
|
| Afsporen | Spoorde af | Afgespoord
|
AfsprekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sprak af, heeft afgesproken) 1 een afspraak maken. (overgankelijk werkwoord; sprak af, heeft afgesproken) 1 bij overeenkomst vaststellen.
In Spaans overeenkomend met: Convenir, Pactar Quedar sEen schikking treffen Het eens zijn Overeenkomen | Sprak af | Afgesproken
|
AfspringenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sprong af, is afgesprongen) 1 afschampen 2 (van plannen) afgebroken worden.
| Sprong af | Afgesprongen
|
| Afspruiten | Sproot af | Afgesproten
|
AfspuitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spoot af, heeft afgespoten) 1 door spuiten reinigen.
| Spoot af | Afgespoten
|
AfstaanALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stond af, heeft afgestaan) 1 afstand doen van 2 aan een ander tijdelijk in gebruik geven.
In Spaans overeenkomend met: Ceder, Resignar ((het bevel),(el mando)) sToegeven Wijken | Stond af | Afgestaan
|
AfstammenIn Spaans overeenkomend met: Descender, Originarse, Proceder, Suceder sAfkomen Afkomstig zijn Het gevolg zijn van Ontspruiten Voortkomen | Stamde af | Afgestamd
|
| Afstampen | Stampte af | Afgestampt
|
AfstappenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stapte af, is afgestapt) 1 ervan afzien, ermee ophouden. (onovergankelijk werkwoord; stapte af, is afgestapt) 1 naar beneden stappen 2 (in België) uitstappen (uit een bus of een trein).
In Spaans overeenkomend met: Bajar Apearse sUitstappen | Stapte af | Afgestapt
|
| Afstaren | Staarde af | Afgestaard
|
AfstekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (stak af, heeft afgestoken) sterk uitkomen 2 (stak af, is afgestoken) afvaren. (overgankelijk werkwoord; stak af, heeft afgestoken; afsteker, afsteking) 1 doen ontbranden 2 (toespraken, gelukwensen enz.) uitspreken 3 door steken verwijderen 4 door steken van iets ontdoen 5 (een licht vaartuig) van de wal of van een ander schip afduwen met een boom of haak om een vaart te beginnen .
In Spaans overeenkomend met: Contrastar, Destacarse Amputar, Cercenar, Truncar sAfsnijden Contrasteren Opvallen Uitkomen | Stak af | Afgestoken
|
| Afstekken | Stekte af | Afgestekt
|
| Afstelen | Stal af | Afgestolen
|
AfstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde af, heeft afgesteld) 1 goed instellen.
| Stelde af | Afgesteld
|
AfstemmenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stemde af, heeft afgestemd) 1 in overeenstemming brengen met. (overgankelijk werkwoord; stemde af, heeft afgestemd; afstemming) 1 (voorstellen) bij stemming verwerpen 2 (een muziekinstrument) geheel zuiver stemmen 3 (een radio, tv) zo regelen dat een zuivere klankweergave verkregen wordt.
In Spaans overeenkomend met: Rechazar Sintonizar sVerwerpen | Stemde af | Afgestemd
|
AfstempelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stempelde af, heeft afgestempeld; afstempeling) 1 van een stempel voorzien 2 (economie) (de waardevermindering) met een stempel op de aandelen drukken 3 (munten) met een stempel van het opschrift of de figuur voorzien.
| Stempelde af | Afgestempeld
|
AfstervenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stierf af, is afgestorven; afsterving) 1 (van lichaams- of plantendelen) doodgaan 2 (van het bouquet van wijn) verdwijnen door onderkoeling.
| Stierf af | Afgestorven
|
| Afstevenen | Stevende af | Afgestevend
|
AfstijgenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; steeg af, is afgestegen) 1 van een rijdier afstappen.
| Steeg af | Afgestegen
|
| Afstikken | Stikte af | Afgestikt
|
| Afstippen | Stipte af | Afgestipt
|
AfstoffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stofte af, heeft afgestoft) 1 reinigen door er het stof af te vegen.
In Spaans overeenkomend met: Quitar el polvo, Quitar el polvo a sStof afnemen Stoffen | Stofte af | Afgestoft
|
| Afstoken | Stookte af | Afgestookt
|
| Afstomen | Stoomde af | Afgestoomd
|
| Afstommelen | Stommelde af | Afgestommeld
|
AfstompenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stompte af, is afgestompt; afstomping) 1 (van personen) minder ontvankelijk worden voor emoties 2 stomp, minder scherp worden. (overgankelijk werkwoord; stompte af, heeft afgestompt) 1 (ook absoluut) (iem.) minder ontvankelijk maken voor emoties 2 stomp maken.
In Spaans overeenkomend met: Embrutecer Arromar, Despuntar sBot maken | Stompte af | Afgestompt
|
AfstoppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stopte af, heeft afgestopt; afstopper, afstopping) 1 (openingen) opvullen, dichtmaken 2 (sport) de doorgang belemmeren.
| Stopte af | Afgestopt
|
| Afstormen | Stormde af | Afgestormd
|
AfstortenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stortte af, heeft afgestort) 1 (contant geld) storten bij een bank, in een kluis.
| Stortte af | Afgestort
|
AfstotenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stiet af, heeft afgestoten) 1 (ook absoluut) (iem.) afkeer inboezemen 2 (ook absoluut) door stoten verwijderen 3 van de hand doen 4 (van een organisme) niet als eigen onderdeel laten functioneren 5 (natuurkunde) door een fysische kracht van zich verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Rechazar, Repeler sVerdringen Verduwen Wegdringen Wegduwen Wegstoten | Stootte af, Stiet af | Afgestoten
|
| Afstoven | Stoofde af | Afgestoofd
|
AfstraffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; strafte af, heeft afgestraft; afstraffing) 1 (iem.) de nodige straf toedienen 2 profiteren van een fout van de tegenstander.
| Strafte af | Afgestraft
|
AfstralenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; straalde af, heeft afgestraald) 1 (licht, warmte enz.) stralend doen uitgaan.
| Straalde af | Afgestraald
|
AfstrepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streepte af, heeft afgestreept; afstreping) 1 door het plaatsen van een streepje schrappen.
| Streepte af | Afgestreept
|
AfstrijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streed af, heeft afgestreden) 1 (een bewering) tegenspreken.
| Streed af | Afgestreden
|
AfstrijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streek af, heeft afgestreken; afstrijker) 1 (lucifers) doen ontbranden 2 door strijken van het overtollige ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Rasar
| Streek af | Afgestreken
|
AfstrippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stripte af, heeft afgestript) 1 strippen.
| Stripte af | Afgestript
|
| Afstromen | Stroomde af | Afgestroomd
|
| Afstrompelen | Strompelde af | Afgestrompeld
|
AfstropenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stroopte af, heeft afgestroopt) 1 (een omhulsel) verwijderen 2 van het omhulsel ontdoen 3 afstruinen.
In Spaans overeenkomend met: Desollar Despojar, Saquear sUitschudden Villen | Stroopte af | Afgestroopt
|
AfstruinenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; struinde af, heeft afgestruind) 1 overal zoeken of men iets van zijn gading kan vinden.
| Struinde af | Afgestruind
|
AfstuderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; studeerde af, heeft/is afgestudeerd) 1 zijn studie voltooien.
In Spaans overeenkomend met: Graduarse
| Studeerde af | Afgestudeerd
|
AfstuitenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stuitte af, is afgestuit) 1 (van plannen, voorstellen) verijdeld worden door. (onovergankelijk werkwoord; stuitte af, is afgestuit; afstuiting) 1 na aanraking teruggeworpen worden.
| Stuitte af | Afgestuit
|
AfstuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stoof af, is afgestoven) 1 (van zandheuvels of duinen) door het wegstuiven van zand lager of kleiner worden.
| Stoof af | Afgestoven
|
| Afsturen | Stuurde af | Afgestuurd
|
| Afstuwen | Stuwde af | Afgestuwd
|
| Afsuffen | Sufte af | Afgesuft
|
| Afsukkelen | Sukkelde af | Afgesukkeld
|
AftaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; taaide af, is afgetaaid) 1 (informeel) weggaan.
| Taaide af | Afgetaaid
|
AftakelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; takelde af, is afgetakeld; aftakeling) 1 achteruitgaan, verminderen in ijver, kracht enz.
In Spaans overeenkomend met: Envejecer sGebrekkig worden In verval raken Vervallen | Takelde af | Afgetakeld
|
AftakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; takte af, heeft afgetakt; aftakking) 1 (een weg of leiding) zijwaarts afsplitsen. (wederkerend werkwoord; takte zich af, heeft zich afgetakt) 1 (van wegen, leidingen) zich zijwaarts afsplitsen.
| Takte af | Afgetakt
|
| Aftanden | Tandde af | Afgetand
|
AftankenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tankte af, heeft afgetankt) 1 (van voer-, vaar-, en vliegtuigen) vullen met brandstof.
| Tankte af | Afgetankt
|
AftapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tapete af, heeft afgetapet) 1 (kieren, naden) met tape dichtmaken.
| Tapete af | Afgetapet
|
AftappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tapte af, heeft afgetapt) 1 (een vat, omhulsel) leegmaken door een vloeistof of gas eruit te laten lopen 2 (een vloeistof, gas enz.) uit een omhulsel verwijderen 3 (een telefoonlijn) afluisteren.
In Spaans overeenkomend met: Derivar Drenar Barrenar sAfleiden Afwateren Doorsteken Draineren Droogleggen | Tapte af | Afgetapt
|
| Aftarren | Tarde af | Afgetard
|
AftastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tastte af, heeft afgetast; aftasting) 1 tastend onderzoeken 2 een voorzichtig onderzoek instellen naar.
In Spaans overeenkomend met: Tantear sTasten | Tastte af | Afgetast
|
| Afteilen | Teilde af | Afgeteild
|
AftekenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tekende af, heeft afgetekend; aftekenaar, aftekening) 1 (de grenzen) afbakenen, aangeven 2 voor gezien tekenen 3 aantekenen op een kaart. (wederkerend werkwoord; tekende zich af, heeft zich afgetekend) 1 zichtbaar of merkbaar worden.
In Spaans overeenkomend met: Dibujar Trazar Visar sAfschrappen Schetsen Tekenen Trekken Uittekenen Viseren | Tekende af | Afgetekend
|
| Aftelefoneren | Telefoneerde af | Afgetelefoneerd
|
| Aftelegraferen | Telegrafeerde af | Afgetelegrafeerd
|
AftellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; telde af, heeft afgeteld) 1 een aftelliedje of -rijmpje opzeggen. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; telde af, heeft afgeteld; aftelling) 1 een naderend tijdstip afwachten door het tellen van (tijdseenheden).
In Spaans overeenkomend met: Deducir, Descontar Contar, Enumerar sAftrekken Inhouden Korten Neertellen Tellen | Telde af | Afgeteld
|
AfterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; afterde, heeft geafterd) 1 een afterparty bezoeken 2 na een party doorfeesten, zich met een paar mensen thuis, in een ongedwongen sfeer, ontspannen.
| Teerde af | Afgeteerd
|
AftikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tikte af, heeft afgetikt) 1 (ook absoluut) door tikken met de dirigeerstok (een muziekstuk) laten beginnen of onderbreken 2 door tikken buiten het spel zetten, uitschakelen.
| Tikte af | Afgetikt
|
| Aftillen | Tilde af | Afgetild
|
AftimmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; timmerde af, heeft afgetimmerd; aftimmering) 1 (timmerwerk) voltooien 2 met hout afwerken.
| Timmerde af | Afgetimmerd
|
| Aftippelen | Tippelde af | Afgetippeld
|
| Aftippen | Tipte af | Afgetipt
|
AftobbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tobde af, heeft afgetobd) 1 afmatten door te veel moeite, zorg enz.
| Tobde af | Afgetobd
|
| Aftoffelen | Toffelde af | Afgetoffeld
|
| Aftomen | Toomde af | Afgetoomd
|
| Aftonnen | Tonde af | Afgetond
|
AftoppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; topte af, heeft afgetopt; aftopping) 1 de top afhalen van.
| Topte af | Afgetopt
|
| Aftornen | Tornde af | Afgetornd
|
| Aftoveren | Toverde af | Afgetoverd
|
AftrainenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trainde af, heeft afgetraind) 1 (sport) de training aan het einde van een sportcarrière of een -seizoen geleidelijk verminderen.
| Trainde af | Afgetraind
|
AftrappenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trapte af, heeft afgetrapt) 1 (voetbal) de aftrap verrichten.
| Trapte af | Afgetrapt
|
AftredenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trad af, is afgetreden) 1 zijn ambt of functie neerleggen.
In Spaans overeenkomend met: Abdicar Darse de baja, Dimitir, Hacer dimisión sAbdiceren Abdiqueren Afstand doen Afstand doen van Bedanken Uittreden | Trad af | Afgetreden
|
AftrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok af, is afgetrokken; aftrekker, aftrekking) 1 zich verwijderen. (overgankelijk werkwoord; trok af, heeft afgetrokken) 1 (ook absoluut) (een getal, algebraïsche vorm) in mindering brengen op een andere 2 korten, inhouden 3 verwijderen door te trekken 4 (een man) met de hand seksueel bevredigen 5 villen 6 (in België, niet algemeen) (bloed) aftappen.
In Spaans overeenkomend met: Infusionar Deducir, Descontar Hacer una infusión, Infundir Bajar Retirarse Sustraer sAfslaan Aftellen Aftreksel maken De aftocht blazen Inhouden Korten Korting geven Laten trekken Terugkrabbelen Terugtrekken|Zich terugtrekken Uit de voeten maken|Zich uit de voeten maken Zetten Zich terugtrekken Zich uit de voeten maken | Trok af | Afgetrokken
|
AftroevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; troefde af, heeft afgetroefd) 1 (ook absoluut) (een slag) door het spelen van een troefkaart winnen 2 (ook absoluut) (iem.) door een raak antwoord, een snelle handeling te slim af zijn 3 (in België; informeel) afranselen.
| Troefde af | Afgetroefd
|
AftroggelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; troggelde af, heeft afgetroggeld) 1 op behendige wijze, door slinkse streken van iemand verkrijgen.
| Troggelde af | Afgetroggeld
|
| Aftrommelen | Trommelde af | Afgetrommeld
|
| Aftrompetten | Trompette af | Afgetrompet
|
| Aftronen | Troonde af | Afgetroond
|
| Aftruggelen | Truggelde af | Afgetruggeld
|
AftuigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; tuigde af, heeft afgetuigd) 1 afranselen 2 (een dier) van trektuig ontdoen 3 (een schip) van de tuigage ontdoen.
In Spaans overeenkomend met: Aporrear, Pegar, Zurrar sAfranselen Beuken | Tuigde af | Afgetuigd
|
| Aftuimelen | Tuimelde af | Afgetuimeld
|
| Aftuinen | Tuinde af | Afgetuind
|
| Afturen | Tuurde af | Afgetuurd
|
| Afturven | Turfde af | Afgeturfd
|
| Aftypen | Typte af | Afgetypt
|
AfvaardigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vaardigde af, heeft afgevaardigd; afvaardiging) 1 (iem.) afzenden en machtigen om een vereniging, staat enz. te vertegenwoordigen.
In Spaans overeenkomend met: Delegar Diputar sDelegeren Deputeren Tot afgevaardigde kiezen | Vaardigde af | Afgevaardigd
|
| Afvagen | Vaagde af | Afgevaagd
|
AfvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel af, is afgevallen) 1 naar beneden vallen 2 niet meer meetellen 3 ontrouw worden aan 4 afnemen in gewicht 5 (scheepvaart) minder scherp gaan zeilen.
In Spaans overeenkomend met: Apostatar Caerse, Desprenderse Caer Desertar Adelgazar sAfvallig worden Neervallen Ontrouw worden Uitvallen Vallen Verschieten | Viel af | Afgevallen
|
AfvangenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Ving af | Afgevangen
|
AfvarenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; voer af, heeft/is afgevaren) 1 van de wal wegvaren.
| Voer af | Afgevaren
|
| Afvechten | Vocht af | Afgevochten
|
AfvegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; veegde af, heeft afgeveegd) 1 door vegen reinigen 2 door vegen verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Enjuagar, Enjugar, Fregar, Secar sAfdrogen Afwissen Vegen Wissen | Veegde af | Afgeveegd
|
| Afvellen | Velde af | Afgeveld
|
| Afvenen | Veende af | Afgeveend
|
| Afvergen | Vergde af | Afgevergd
|
| Afverven | Verfde af | Afgeverfd
|
| Afvezelen | Vezelde af | Afgevezeld
|
| Afvijlen | Vijlde af | Afgevijld
|
AfvijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vees af, heeft afgevezen) 1 (in België, niet algemeen) afschroeven.
| Vees af | Afgevezen
|
| Afvillen | Vilde af | Afgevild
|
AfvinkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; vinkte af, heeft afgevinkt) 1 (op een lijst vermelde zaken) met een V-vormig teken markeren, bijvoorbeeld om aan te geven dat controle heeft plaatsgevonden.
| Vinkte af | Afgevinkt
|
| Afvissen | Viste af | Afgevist
|
AfvlaggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; vlagde af, heeft afgevlagd) 1 (sport) met een vlagsignaal beëindigen, stopzetten.
| Vlagde af | Afgevlagd
|
AfvlakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vlakte af, heeft afgevlakt; afvlakking) 1 vlak maken 2 (techniek) (spanningsverschillen) dempen.
| Vlakte af | Afgevlakt
|
| Afvleien | Vleide af | Afgevleid
|
| Afvlekken | Vlekte af | Afgevlekt
|
| Afvlieden | Vlood af | Afgevloden
|
| Afvliegen | Vloog af | Afgevlogen
|
AfvloeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; vloeide af, is afgevloeid; afvloeiing) 1 (van personeel) langzamerhand al dan niet gedwongen weggaan 2 (van kapitaal, goud) wegvloeien. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; vloeide af, heeft afgevloeid) 1 met vloeipapier bestrijken.
| Vloeide af | Afgevloeid
|
| Afvlotten | Vlotte af | Afgevlot
|
| Afvluchten | Vluchtte af | Afgevlucht
|
AfvoerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voerde af, heeft afgevoerd; afvoering) 1 naar elders voeren 2 van een lijst enz. verwijderen.
| Voerde af | Afgevoerd
|
| Afvorderen | Vorderde af | Afgevorderd
|
| Afvormen | Vormde af | Afgevormd
|
AfvragenALLE betekenissen van dit woord: (wederkerend werkwoord; vraagde zich af/vroeg zich af, heeft zich afgevraagd) 1 zichzelf een vraag stellen 2 zijn vraagtekens plaatsen bij.
| Vraagde af, Vroeg af | Afgevraagd
|
| Afvreten | Vrat af | Afgevreten
|
AfvriezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; vroor af, is afgevroren) 1 door de werking van de vorst afsterven.
| Vroor af | Afgevroren
|
| Afvrijen | Vrijde af, Vree af | Afgevrijd, Afgevreeën
|
| Afvullen | Vulde af | Afgevuld
|
AfvurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vuurde af, heeft afgevuurd; afvuring) 1 met een vuurwapen afschieten.
| Vuurde af | Afgevuurd
|
AfwaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; waaide af/woei af, is afgewaaid) 1 door de wind weggedreven worden.
| Waaide af, Woei af | Afgewaaid
|
AfwaarderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; waardeerde af, heeft afgewaardeerd) 1 in waarde doen verminderen 2 (economie) devalueren.
| Waardeerde af | Afgewaardeerd
|
AfwachtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; wachtte af, heeft afgewacht; afwachting) 1 wachten totdat iets gebeurt, iem. komt enz.
In Spaans overeenkomend met: Aguardar, Esperar
| Wachtte af | Afgewacht
|
| Afwaggelen | Waggelde af | Afgewaggeld
|
| Afwandelen | Wandelde af | Afgewandeld
|
AfwassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; waste af, heeft afgewassen) 1 (ook absoluut) door wassen reinigen 2 door wassen verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Fregar, Lavar
| Waste af | Afgewassen
|
AfwaterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; waterde af, heeft afgewaterd; afwatering) 1 overtollig water laten afvloeien.
In Spaans overeenkomend met: Drenar sAftappen Draineren Droogleggen | Waterde af | Afgewaterd
|
AfwegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; woog af, heeft afgewogen; afweging) 1 nauwkeurig wegen 2 overwegen welk alternatief het beste is.
In Spaans overeenkomend met: Proporcionar Pesar sAfmeten Evenredig maken Het gewicht bepalen | Woog af | Afgewogen
|
| Afweiden | Weidde af | Afgeweid
|
AfwekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; weekte af, is afgeweekt; afweking) 1 door vocht loslaten. (overgankelijk werkwoord; weekte af, heeft afgeweekt) 1 door week maken verwijderen.
| Weekte af | Afgeweekt
|
AfwendenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wendde af, heeft afgewend; afwending) 1 in een andere richting draaien 2 (gevaren) voorkomen.
In Spaans overeenkomend met: Conjurar
| Wendde af | Afgewend
|
| Afwenken | Wenkte af | Afgewenkt
|
AfwennenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wende af, heeft afgewend; afwenning) 1 ervoor zorgen, dat iem. (een gewoonte) opgeeft.
In Spaans overeenkomend met: Desacostumbrar sAfleren | Wende af | Afgewend
|
AfwentelenIn Spaans overeenkomend met: Transbordar sOverladen Verladen | Wentelde af | Afgewenteld
|
AfwerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; weerde af, heeft afgeweerd) 1 op een afstand houden 2 (een gevaar) doen wijken.
In Spaans overeenkomend met: Repeler
| Weerde af | Afgeweerd
|
AfwerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; werkte af, heeft afgewerkt; afwerking) 1 geheel afmaken 2 de laatste hand leggen aan 3 totaal gebruiken.
In Spaans overeenkomend met: Rematar Acabar sAfmaken Uitwerken | Werkte af | Afgewerkt
|
AfwerpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wierp af, heeft afgeworpen) 1 afdoen, zich ontdoen van 2 door werpen van iets verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Producir sOpbrengen Opleveren Voortbrengen | Wierp af | Afgeworpen
|
AfwijkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; week af, is afgeweken) 1 tegengesteld handelen aan. (onovergankelijk werkwoord; week af, is afgeweken; afwijking) 1 langzamerhand een andere richting aannemen 2 in strijd zijn met.
In Spaans overeenkomend met: Desviarse
| Week af | Afgeweken
|
AfwijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wees af, heeft afgewezen; afwijzing) 1 (iem.) niet toelaten, niet ontvangen 2 weigeren iets te aanvaarden of zich te laten welgevallen.
In Spaans overeenkomend met: Desechar, Excluir Desestimar, Rechazar, Suspender Rehusar Descartar sAfkeuren Afslaan Buitensluiten Nee zeggen tegen Terugwijzen Uitsluiten Vertikken Verwerpen Weigeren Wraken | Wees af | Afgewezen
|
AfwikkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wikkelde af, heeft afgewikkeld; afwikkeling) 1 afrollen 2 afhandelen.
In Spaans overeenkomend met: Despachar Liquidar Devanar Desenvolver sAfdoen Afhandelen Liquideren Ontrollen Opheffen Solveren Uitrollen | Wikkelde af | Afgewikkeld
|
AfwimpelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wimpelde af, heeft afgewimpeld; afwimpeling) 1 min of meer indirect te kennen geven dat men iets niet wenst.
| Wimpelde af | Afgewimpeld
|
AfwindenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wond af, heeft afgewonden) 1 door te winden geleidelijk verwijderen.
| Wond af | Afgewonden
|
| Afwinnen | Won af | Afgewonnen
|
| Afwippen | Wipte af | Afgewipt
|
AfwisselenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; wisselde af, is afgewisseld; afwisseling) 1 onderling wisselen, beurtelings voorkomen. (overgankelijk werkwoord; wisselde af, heeft afgewisseld) 1 elkaar beurtelings vervangen.
In Spaans overeenkomend met: Alternar, Cambiar, Turnar, Variar sOmwisselen Rouleren Variëren Werken | Wisselde af | Afgewisseld
|
AfwissenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wiste af, heeft afgewist; afwissing) 1 (formeel) met een doek of spons reinigen.
In Spaans overeenkomend met: Enjuagar, Enjugar, Fregar, Secar sAfdrogen Afvegen Vegen Wissen | Wiste af | Afgewist
|
| Afwoelen | Woelde af | Afgewoeld
|
| Afwonen | Woonde af | Afgewoond
|
AfwrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wreef af, heeft afgewreven; afwrijving) 1 door wrijven verwijderen 2 wrijvend schoonmaken.
| Wreef af | Afgewreven
|
| Afwrikken | Wrikte af | Afgewrikt
|
| Afwringen | Wrong af | Afgewrongen
|
| Afzabbelen | Zabbelde af | Afgezabbeld
|
| Afzabberen | Zabberde af | Afgezabberd
|
AfzadelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; zadelde af, heeft afgezadeld) 1 het zadel afhalen van (een paard of ander lastdier).
| Zadelde af | Afgezadeld
|
AfzagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zaagde af, heeft afgezaagd) 1 met een zaag afscheiden 2 met een zaag verkorten, versmallen.
| Zaagde af | Afgezaagd
|
AfzakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zakte af, is afgezakt) 1 langzaam naar beneden schuiven 2 langzaam stroomafwaarts drijven 3 komen naar zuidelijker of lager gelegen streken 4 langzaamaan minder in kwaliteit, in prestatie worden.
| Zakte af | Afgezakt
|
| Afzanden | Zandde af | Afgezand
|
| Afzanen | Zaande af | Afgezaand
|
AfzeggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; zei af, heeft afgezegd) 1 meedelen dat iets niet door zal gaan.
In Spaans overeenkomend met: Cancelar
| Zegde af, Zei af | Afgezegd
|
AfzeikenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zeikte af, heeft afgezeikt/afgezeken) 1 (informeel) (iem.) onbehoorlijk belachelijk maken, voor schut zetten.
| Zeikte af, Zeek af | Afgezeikt, Afgezeken
|
| Afzeilen | Zeilde af | Afgezeild
|
| Afzemen | Zeemde af | Afgezeemd
|
AfzendenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zond af, heeft afgezonden; afzender, afzending) 1 van de ene plaats naar een andere versturen.
In Spaans overeenkomend met: Despachar, Despedir, Enviar, Expedir sUitsturen Versturen Verzenden Wegsturen Wegzenden | Zond af | Afgezonden
|
| Afzengen | Zengde af | Afgezengd
|
| Afzepen | Zeepte af | Afgezeept
|
AfzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette af, heeft afgezet; afzetter, afzetting) 1 van het hoofd, van de schouders enz. nemen 2 uitschakelen 3 (ledematen) van het lichaam scheiden 4 van iem. aftroggelen, ontfutselen 5 (iem.) te veel laten betalen 6 (een ruimte) ontoegankelijk maken 7 uit zijn ambt ontzetten 8 op de plaats van bestemming laten uitstappen 9 (kleding, stoffen) omboorden 10 verkopen 11 de afmetingen van een werkstuk, het verloop van iets door tekens aanduiden 12 laten bezinken of neerslaan. (wederkerend werkwoord; zette zich af, heeft zich afgezet) 1 zich afduwen tegen iets vasts en zich zo in beweging zetten.
In Spaans overeenkomend met: Acordonar Amputar Quitar, Sacar Destituir Guarnecer Parar Apear Estafar sAfdoen Afleggen Amputeren Beslaan Buiten werking stellen Garneren Onttronen Snijden Stilzetten Stofferen Stopzetten Uitdoen Uitkrijgen Uitmonsteren Uittrekken Van de troon stoten Wegsnijden | Zette af | Afgezet
|
| Afzeulen | Zeulde af | Afgezeuld
|
| Afzeven | Zeefde af | Afgezeefd
|
| Afzichten | Zichtte af | Afgezicht
|
AfzienALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; zag af, heeft afgezien) 1 besluiten iets niet te doen of er niet aan te beginnen. (onovergankelijk werkwoord; zag af, heeft afgezien) 1 lijden. (overgankelijk werkwoord; zag af, heeft afgezien) 1 (een vaardigheid) afkijken, door kijken van iem. leren.
In Spaans overeenkomend met: Desistir, Renunciar
| Zag af | Afgezien
|
| Afziften | Ziftte af | Afgezift
|
| Afzijgen | Zeeg af | Afgezegen
|
AfzinkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zonk af, heeft afgezonken; afzinking) 1 laten zinken.
| Zonk af | Afgezonken
|
| Afzitten | Zat af | Afgezeten
|
| Afzoden | Zoodde af | Afgezood
|
AfzoekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zocht af, heeft afgezocht) 1 (een ruimte) doorzoeken.
In Spaans overeenkomend met: Escudriñar, Indagar, Registrar sDoorzoeken | Zocht af | Afgezocht
|
AfzoenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zoende af, heeft afgezoend) 1 door zoenen goedmaken en wegnemen 2 (pejoratief) langdurig zoenen.
| Zoende af | Afgezoend
|
| Afzomen | Zoomde af | Afgezoomd
|
AfzonderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zonderde af, heeft afgezonderd; afzondering) 1 afscheiden 2 door scheikundige of andere middelen uit een mengsel of een verbinding afscheiden. (wederkerend werkwoord; zonderde zich af, heeft zich afgezonderd) 1 (van mensen) zich van anderen verwijderen.
In Spaans overeenkomend met: Apartar, Dispersar, Segregar, Separar Aislar sAfscheiden Alleen zetten Isoleren Opzij schuiven Scheiden Schiften Weghalen Wegzetten | Zonderde af | Afgezonderd
|
| Afzouten | Zoutte af | Afgezouten
|
| Afzuchten | Zuchtte af | Afgezucht
|
AfzuigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zoog af, heeft afgezogen; afzuiger, afzuiging) 1 door zuigen verwijderen 2 (een man) met de mond seksueel bevredigen.
| Zoog af | Afgezogen
|
| Afzuipen | Zoop af | Afgezopen
|
AfzwaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwaaide af, is afgezwaaid) 1 (informeel) (van dienstplichtigen) voor onbepaalde tijd uit de dienst weggaan.
| Zwaaide af | Afgezwaaid
|
AfzwakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwakte af, is afgezwakt; afzwakking) 1 zwakker worden. (overgankelijk werkwoord; zwakte af, heeft afgezwakt) 1 zwakker maken.
| Zwakte af | Afgezwakt
|
AfzwemmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwom af, heeft afgezwommen) 1 examen doen voor het behalen van een zwemdiploma.
| Zwom af | Afgezwommen
|
AfzwenkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwenkte af, is afgezwenkt) 1 zijwaarts afslaan (van colonnes) 2 zich met een draai verwijderen.
| Zwenkte af | Afgezwenkt
|
| Afzwepen | Zweepte af | Afgezweept
|
AfzwerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zwoer af, heeft afgezworen) 1 voorgoed opgeven, verwerpen 2 (een regerend vorst) de gehoorzaamheid opzeggen.
| Zweerde af, Zwoor af | Afgezworen
|
AfzwerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zwoer af, heeft afgezworen) 1 voorgoed opgeven, verwerpen 2 (een regerend vorst) de gehoorzaamheid opzeggen.
In Spaans overeenkomend met: Abjurar
| Zwoer af | Afgezworen
|
| Afzwerven | Zwierf af | Afgezworven
|
| Afzweven | Zweefde af | Afgezweefd
|
| Afzwieren | Zwierde af | Afgezwierd
|
| Afzwoegen | Zwoegde af | Afgezwoegd
|
AgenderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; agendeerde, heeft geagendeerd; agendering) 1 op de agenda plaatsen.
| Agendeerde | Geagendeerd
|
AgerenIn Spaans overeenkomend met: Actuar, Obrar sBezig zijn Doen Handelen Optreden Te werk gaan | Ageerde | Geageerd
|
AgglutinerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; agglutineerde, is geagglutineerd; agglutinatie) 1 samenklonteren . (overgankelijk werkwoord; agglutineerde, heeft geagglutineerd) 1 doen samenklonteren.
In Spaans overeenkomend met: Aglutinar sDoen samenkleven Samen plakken | Agglutineerde | Geagglutineerd
|
| Aggregeren | Aggregeerde | Geaggregeerd
|
| Agioteren | Agioteerde | Geagioteerd
|
AgiterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; agiteerde, heeft geagiteerd; agitator, agitatie) 1 onrust stoken. (overgankelijk werkwoord; agiteerde, heeft geagiteerd) 1 (iem.) in een staat van zenuwachtige opwinding brengen.
In Spaans overeenkomend met: Agitar, Perturbar sOphitsen Opruien Opstoken Opwinden Schudden | Agiteerde | Geagiteerd
|
| Agnosceren | Agnosceerde | Geagnosceerd
|
| Akkeren | Akkerde | Geakkerd
|
AlarmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; alarmeerde, heeft gealarmeerd) 1 (ook absoluut) in opschudding brengen 2 door alarm oproepen of bijeenroepen.
In Spaans overeenkomend met: Alarmar sOp de been brengen Te wapen roepen | Alarmeerde | Gealarmeerd
|
AlcoholiserenIn Spaans overeenkomend met: Alcoholizar sAlcohol voegen bij | Alcoholiseerde | Gealcoholiseerd
|
AlfabetiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; alfabetiseerde, heeft gealfabetiseerd; alfabetisering) 1 alfabetisch rangschikken 2 (een groep personen) leren lezen en schrijven.
In Spaans overeenkomend met: Alfabetizar
| Alfabetiseerde | Gealfabetiseerd
|
| Aligneren | Aligneerde | Gealigneerd
|
AlkaliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; alkaliseerde, heeft gealkaliseerd) 1 alkaliën toevoegen aan.
| Alkaliseerde | Gealkaliseerd
|
AllitererenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; allitereerde, heeft geallitereerd) 1 een alliteratie vormen.
| Allitereerde | Geallitereerd
|
| Allittereren | Allittereerde | Geallittereerd
|
| Alloceren | Alloceerde | Gealloceerd
|
AlluderenIn Spaans overeenkomend met: Aludir, Citar sEen toespeling maken Toespelen Zinspelen | Alludeerde | Gealludeerd
|
AlpineskiënALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 skiën op betrekkelijk korte, brede ski's waarop men zeer wendbaar is en waarop men hoge snelheid kan bereiken.
| Alpineskiede | Gealpineskied
|
AltererenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; altereerde, heeft gealtereerd) 1 veranderen.
| Altereerde | Gealtereerd
|
AlternerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; alterneerde, heeft gealterneerd) 1 elkaar afwisselen.
In Spaans overeenkomend met: Alternar sElkaar afwisselen | Alterneerde | Gealterneerd
|
| Aluinen | Aluinde | Gealuind
|
AluminiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; aluminiseerde, heeft gealuminiseerd) 1 een laagje aluminium aanbrengen op.
| Aluminiseerde | Gealuminiseerd
|
AmalgamerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amalgameerde, heeft geamalgameerd) 1 met kwikzilver legeren 2 samensmelten.
| Amalgameerde | Geamalgameerd
|
AmbiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; ambieerde, heeft geambieerd) 1 dingen naar.
In Spaans overeenkomend met: Ambicionar, Aspirar, Desear sAspireren Dingen naar Najagen Nastreven Streven naar Verlangen naar | Ambieerde | Geambieerd
|
AmenderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amendeerde, heeft geamendeerd; amendering) 1 bij amendement wijzigen.
| Amendeerde | Geamendeerd
|
AmerikaniserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; amerikaniseerde, is geamerikaniseerd; amerikanisering/amerikanisatie) 1 zich aanpassen aan de Amerikaanse cultuur. (overgankelijk werkwoord; amerikaniseerde, heeft geamerikaniseerd) 1 aan de Amerikaanse cultuur aanpassen.
| Amerikaniseerde | Geamerikaniseerd
|
AmortiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amortiseerde, heeft geamortiseerd; amortisatie) 1 (geldswaardig papier, dat verloren is gegaan) gerechtelijk van onwaarde verklaren 2 (een schuld) aflossen 3 bij biljart (de speelbal) stilleggen door met deze speelbal een aangespeelde bal vol te raken.
In Spaans overeenkomend met: Amortiguar, Amortizar sAfbetalen Aflossen Afschrijven Dempen | Amortiseerde | Geamortiseerd
|
AmplificerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amplificeerde, heeft geamplificeerd; amplificatie) 1 vergroten, uitbreiden.
| Amplificeerde | Geamplificeerd
|
AmputerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amputeerde, heeft geamputeerd; amputatie) 1 (een lichaamsdeel) afzetten.
In Spaans overeenkomend met: Amputar sAfzetten Wegsnijden | Amputeerde | Geamputeerd
|
AmuserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; amuseerde, heeft geamuseerd) 1 vermaken, aangenaam bezighouden. (wederkerend werkwoord; amuseerde zich, heeft zich geamuseerd) 1 zich vermaken.
In Spaans overeenkomend met: Divertir, Entretener sOnderhouden Opvrolijken Vermaken | Amuseerde | Geamuseerd
|
AnalyserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; analyseerde, heeft geanalyseerd) 1 een analyse toepassen op.
In Spaans overeenkomend met: Analizar
| Analyseerde | Geanalyseerd
|
AnatomiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; anatomiseerde, heeft geanatomiseerd) 1 ontleden.
| Anatomiseerde | Geanatomiseerd
|
AnimerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; animeerde, heeft geanimeerd) 1 (iem.) lust geven om iets te doen.
In Spaans overeenkomend met: Animar sAanmoedigen Bemoedigen Bezielen Opmonteren Opvrolijken Opwekken | Animeerde | Geanimeerd
|
AnkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ankerde, heeft/is geankerd; ankering) 1 voor anker gaan. (overgankelijk werkwoord; ankerde, heeft geankerd) 1 voor anker leggen 2 (bouwkunde) met ankers vastmaken.
In Spaans overeenkomend met: Aferrar, Anclar, Fondear sHet anker uitwerpen Ten anker liggen Voor anker liggen | Ankerde | Geankerd
|
AnnexerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; annexeerde, heeft geannexeerd; annexatie) 1 (een gebied) al of niet gewelddadig bij het eigen grondgebied inlijven 2 zich toe-eigenen.
In Spaans overeenkomend met: Anexar, Anexionar
| Annexeerde | Geannexeerd
|
AnnoncerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; annonceerde, heeft geannonceerd) 1 per advertentie bekendmaken 2 een bod doen bij het kaartspel.
In Spaans overeenkomend met: Anunciar sAandienen Aankondigen Adverteren Bekend maken | Annonceerde | Geannonceerd
|
AnnoterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; annoteerde, heeft geannoteerd; annotatie) 1 van verklarende aantekeningen voorzien.
| Annoteerde | Geannoteerd
|
AnnulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; annuleerde, heeft geannuleerd; annulering) 1 afgelasten.
In Spaans overeenkomend met: Anular, Contramandar sAfgelasten Ontbinden Tenietdoen Terugnemen | Annuleerde | Geannuleerd
|
AnodiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; anodiseerde, heeft geanodiseerd; anodisering/anodisatie) 1 (aluminium en aluminiumlegeringen) elektrolytisch oxideren.
| Anodiseerde | Geanodiseerd
|
AnonimiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; anonimiseerde, heeft geanonimiseerd; anonimiseerder, anonimisering) 1 anoniem maken.
| Anonimiseerde | Geanonimiseerd
|
AntecederenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; antecedeerde, heeft geantecedeerd) 1 de voorrang hebben.
| Antecedeerde | Geantecedeerd
|
AntedaterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie antidateren.
| Antedateerde | Geantedateerd
|
AntichambrerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; antichambreerde, heeft geantichambreerd) 1 zijn opwachting maken.
| Antichambreerde | Geantichambreerd
|
AnticiperenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; anticipeerde, heeft geanticipeerd) 1 vanuit een bepaalde verwachting handelen. (onovergankelijk werkwoord; anticipeerde, heeft geanticipeerd; anticipatie) 1 voor iets anders plaatshebben 2 (juridisch) het recht van anticipatie uitoefenen 3 van tevoren beschikken over later inbare of vervallende bedragen.
In Spaans overeenkomend met: Avanzar Anticipar sPrejudiciëren Vooruitlopen Vooruitlopen op | Anticipeerde | Geanticipeerd
|
AntidaterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; antidateerde, heeft geantidateerd) 1 voorzien van een te vroege datum.
| Antidateerde | Geantidateerd
|
AntwoordenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; antwoordde, heeft geantwoord; antwoorder) 1 een mondeling of schriftelijk antwoord geven 2 reageren door een daad of handeling.
In Spaans overeenkomend met: Replicar Contestar, Chistar, Rechistar, Reponer, Responder Contestar a, Responder a sAntwoord geven Antwoorden op Beantwoorden Repliceren Verantwoorden | Antwoordde | Geantwoord
|
ApaiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; apaiseerde, heeft geapaiseerd) 1 kalmeren.
| Apaiseerde | Geapaiseerd
|
ApocoperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; apocopeerde, heeft geapocopeerd) 1 (taalkunde) (een slotklank) weglaten.
| Apocopeerde | Geapocopeerd
|
ApostillerenIn Spaans overeenkomend met: Apostillar sKanttekeningen maken bij | Apostilleerde | Geapostilleerd
|
ApparenterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; apparenteerde, heeft geapparenteerd) 1 (in België) (verkiezingslijsten) volgens het systeem van apparentering met elkaar verbinden ter verdeling van de restzetels.
| Apparenteerde | Geapparenteerd
|
AppellerenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; appelleerde, heeft geappelleerd) 1 een beroep doen op, speculeren op. (onovergankelijk werkwoord; appelleerde, heeft geappelleerd) 1 in hoger beroep gaan 2 (sport) als speler de aandacht van een scheidsrechter vestigen op een bepaalde spelsituatie.
In Spaans overeenkomend met: Apelar sEen beroep doen op In appel gaan In beroep gaan | Appelleerde | Geappelleerd
|
ApplaudisserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; applaudisseerde, heeft geapplaudisseerd) 1 in de handen klappen als teken van goedkeuring of bewondering.
In Spaans overeenkomend met: Palmear, Vitorear Aplaudir sAdhesie betuigen Bejubelen Klappen Toejuichen | Applaudisseerde | Geapplaudisseerd
|
AppliquerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; appliqueerde, heeft geappliqueerd) 1 voorzien van oplegwerk.
| Appliqueerde | Geappliqueerd
|
ApporterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; apporteerde, heeft geapporteerd) 1 (van honden) (een weggeworpen voorwerp) terugbrengen.
In Spaans overeenkomend met: Portar
| Apporteerde | Geapporteerd
|
AppreciërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; apprecieerde, heeft geapprecieerd; appreciatie) 1 beoordelen 2 waarderen.
In Spaans overeenkomend met: Apreciar
| Apprecieerde | Geapprecieerd
|
AppreterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; appreteerde, heeft geappreteerd) 1 (textiel) nader behandelen, verstevigen e.d.
| Appreteerde | Geappreteerd
|
ApprovianderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; approviandeerde, heeft geapproviandeerd; approviandering) 1 bevoorraden.
| Approviandeerde | Geapproviandeerd
|
Après-skiënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; après-skiede, heeft geaprès-skied) 1 zich ontspannen na het skiën.
| Après-skiede | Geaprès-skied
|
AquarellerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; aquarelleerde, heeft geaquarelleerd) 1 in waterverf schilderen.
| Aquarelleerde | Geaquarelleerd
|
| Arabiseren | Arabiseerde | Gearabiseerd
|
ArbeidenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; arbeidde, heeft gearbeid; arbeider) 1 werk verrichten.
In Spaans overeenkomend met: Trabajar sWerken | Arbeidde | Gearbeid
|
ArbitrerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; arbitreerde, heeft gearbitreerd) 1 (juridisch) door arbitrage afdoen 2 (sport) als scheidsrechter leiden.
| Arbitreerde | Gearbitreerd
|
ArcerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; arceerde, heeft gearceerd; arcering) 1 (op een oppervlak) dicht naast elkaar geplaatste, onderling evenwijdige lijnen trekken, om de verschillende vlakken te laten uitkomen.
In Spaans overeenkomend met: Sombrear con rayas Sombrear sSchaduwen | Arceerde | Gearceerd
|
ArchaïserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; archaïseerde, heeft gearchaïseerd) 1 (iets) van een ouderwets uiterlijk voorzien.
| Archaïseerde | Gearchaïseerd
|
ArchiverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; archiveerde, heeft gearchiveerd; archivering) 1 behandelen voor en opbergen in het archief.
In Spaans overeenkomend met: Archivar
| Archiveerde | Gearchiveerd
|
| Ardoiseren | Ardoiseerde | Geardoiseerd
|
| Aren | Aarde | Geaard
|
ArgumenterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; argumenteerde, heeft geargumenteerd; argumentatie) 1 bewijsgronden aanvoeren. (overgankelijk werkwoord; argumenteerde, heeft geargumenteerd) 1 met argumenten staven.
In Spaans overeenkomend met: Argumentar, Argüir sBewijsgronden aanvoeren | Argumenteerde | Geargumenteerd
|
| Argwanen | Argwaande | Geargwaand
|
| Armworstelen | |
|
AromatiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aromatiseerde, heeft gearomatiseerd) 1 kruiden, aroma geven.
In Spaans overeenkomend met: Aromatizar, Perfumar
| Aromatiseerde | Gearomatiseerd
|
ArrangerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; arrangeerde, heeft gearrangeerd; arrangeur) 1 ordenen zodat een ordelijk of sierlijk geheel ontstaat 2 de schikkingen treffen waardoor iets op de gewenste wijze kan plaatshebben of aflopen 3 (juridisch) (een geschil) bij schikking afdoen 4 (een muziekstuk) voor een andere instrumentale uitvoering geschikt maken dan waarvoor het oorspronkelijk geschreven was.
In Spaans overeenkomend met: Arreglar sAanrichten Ordenen | Arrangeerde | Gearrangeerd
|
| Arren | Arde | Geard
|
ArresterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; arresteerde, heeft gearresteerd; arrestatie) 1 in hechtenis nemen 2 beslag leggen op 3 bij besluit vaststellen.
In Spaans overeenkomend met: Arrestar, Detener sAanhouden In verzekerde bewaring nemen Inrekenen Stoppen | Arresteerde | Gearresteerd
|
ArriverenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; arriveerde, is gearriveerd) 1 aankomen.
In Spaans overeenkomend met: Llegar sAankomen | Arriveerde | Gearriveerd
|
ArroserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; arroseerde, heeft gearroseerd) 1 (culinaria) bedruipen.
In Spaans overeenkomend met: Regar sArroser | Arroseerde | Gearroseerd
|
ArticulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; articuleerde, heeft gearticuleerd; articulatie) 1 (woorden) nauwkeurig en duidelijk uitspreken.
| Articuleerde | Gearticuleerd
|
AsemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; asemde, heeft geasemd) 1 (informeel) ademen.
| Asemde | Geasemd
|
AsfalterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; asfalteerde, heeft geasfalteerd; asfaltering) 1 met asfalt bestraten.
In Spaans overeenkomend met: Asfaltar
| Asfalteerde | Geasfalteerd
|
AsfyxiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; asfyxieerde, heeft geasfyxieerd) 1 door inademing van gassen laten stikken.
| Asfyxieerde | Geasfyxieerd
|
AspirerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; aspireerde, heeft geaspireerd; aspiratie) 1 met aanblazing uitspreken 2 (geneeskunde) opzuigen.
In Spaans overeenkomend met: Aspirar, Desear sAmbiëren Dingen naar Najagen Nastreven Streven naar | Aspireerde | Geaspireerd
|
AssaisonerenIn Spaans overeenkomend met: Sazonar sAssaisoner Op smaak brengen | Assaisoneerde | Geassaisoneerd
|
AssemblerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; assembleerde, heeft geassembleerd; assembleur, assemblage) 1 (machines e.d.) uit elders gemaakte onderdelen in elkaar zetten 2 (computer) een programma omzetten in binaire machinetaal.
| Assembleerde | Geassembleerd
|
| Asserteren | Asserteerde | Geasserteerd
|
AssimilerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; assimileerde, is geassimileerd; assimilatie) 1 (taalkunde) (van twee aangrenzende medeklinkers) geheel of gedeeltelijk gelijk worden 2 zich aanpassen. (overgankelijk werkwoord; assimileerde, heeft geassimileerd) 1 gelijkvormig maken, gelijkstellen 2 (taalkunde) (twee aangrenzende medeklinkers) geheel of gedeeltelijk gelijkmaken 3 (biologie) (voedingsstoffen) opnemen en in organisch weefsel omzetten 4 in zich opnemen.
In Spaans overeenkomend met: Asimilar sIn zich opnemen | Assimileerde | Geassimileerd
|
AssisterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; assisteerde, heeft geassisteerd; assistent, assistentie) 1 (iem.) bij de uitvoering van iets bijstaan.
In Spaans overeenkomend met: Asistir sBijstaan Helpen Meehelpen Ter zijde staan Verzorgen | Assisteerde | Geassisteerd
|
AssociërenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; associeerde, heeft geassocieerd) 1 in een biologische gemeenschap verbinden. (wederkerend werkwoord; associeerde zich, heeft zich geassocieerd) 1 zich met een ander verbinden om zakelijke redenen. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; associeerde, heeft geassocieerd; associatie) 1 in gedachten dingen met elkaar in verband brengen.
In Spaans overeenkomend met: Asociar sVerenigen | Associeerde | Geassocieerd
|
| Assoneren | Assoneerde | Geassoneerd
|
| Assorteren | Assorteerde | Geassorteerd
|
AssumerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; assumeerde, heeft geassumeerd; assumptie) 1 (leden) toevoegen aan de eigen commissie 2 veronderstellen.
| Assumeerde | Geassumeerd
|
AssurerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; assureerde, heeft geassureerd) 1 verzekeren.
In Spaans overeenkomend met: Asegurar, Hacer un segura sVeilig stellen Verzekeren | Assureerde | Geassureerd
|
AtomiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; atomiseerde, heeft geatomiseerd; atomisering) 1 tot in de kleinst mogelijke delen verdelen.
| Atomiseerde | Geatomiseerd
|
AtrofiërenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; atrofieerde, is geatrofieerd) 1 (geneeskunde) atrofie vertonen.
| Atrofieerde | Geatrofieerd
|
AttacherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; attacheerde, heeft geattacheerd) 1 als attaché toevoegen.
| Attacheerde | Geattacheerd
|
AttaquerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; attaqueerde, heeft geattaqueerd) 1 (iem.) aanvallen.
In Spaans overeenkomend met: Agredir, Atacar sAangrijpen Aantasten Aanvallen Tackelen | Attaqueerde | Geattaqueerd
|
| Attenderen | Attendeerde | Geattendeerd
|
AttesterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; attesteerde, heeft geattesteerd) 1 met een attest bekrachtigen.
| Attesteerde | Geattesteerd
|
AttraperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; attrapeerde, heeft geattrapeerd) 1 op heterdaad betrappen.
| Attrapeerde | Geattrapeerd
|
AuditerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; auditeerde, heeft geauditeerd) 1 auditie doen.
| Auditeerde | Geauditeerd
|
AuralezenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 emoties, karaktertrekken en fysieke gesteldheid aflezen aan iemands aura.
| |
|
| Ausculteren | Ausculteerde | Geausculteerd
|
AutodatenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 autodelen.
| Autodatete | Geautodatet
|
AutomatiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; automatiseerde, heeft geautomatiseerd; automatisering) 1 (een proces) automatisch maken, automatisch laten werken 2 overgaan op een productiewijze waarbij handwerk vervangen is door computers.
In Spaans overeenkomend met: Mecanizar
| Automatiseerde | Geautomatiseerd
|
AutopettenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; is geautopet) 1 steppen.
| Autopette | Geautopet
|
AutorijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; reed auto, heeft autogereden) 1 een auto besturen.
In Spaans overeenkomend met: Conducir
| Reed auto | Autogereden
|
AutoriserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; autoriseerde, heeft geautoriseerd; autorisatie) 1 machtigen 2 geldigheid geven.
In Spaans overeenkomend met: Autorizar sMachtigen | Autoriseerde | Geautoriseerd
|
AvalerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; avaleerde, heeft geavaleerd) 1 aval geven, voor aval tekenen.
| Avaleerde | Geavaleerd
|
AvancerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; avanceerde, is geavanceerd) 1 voorwaarts gaan 2 in rang bevorderd worden. (overgankelijk werkwoord; avanceerde, heeft geavanceerd) 1 (handel) op voorschot geven.
In Spaans overeenkomend met: Ascender, Subir en categoría sIn rang opklimmen Oprukken Overgaan Promotie maken | Avanceerde | Geavanceerd
|
| Avondmalen | Avondmaalde | Geavondmaald
|
| Avonturen | Avontuurde | Geavontuurd
|
AvonturierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; avonturierde, heeft geavonturierd) 1 op avontuur gaan, het geluk beproeven.
| Avonturierde | Geavonturierd
|
AzenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; aasde, heeft geaasd) 1 hebzuchtig naar iets verlangen 2 (van dieren) iets als prooi begeren. (overgankelijk werkwoord; aasde, heeft geaasd) 1 (wild waarop gejaagd wordt) aas geven, voeren 2 (een hengel of een hoekwant) van aas voorzien.
| Aasde | Geaasd
|