| Baanderen | Baanderde | Gebaanderd
|
BaantjerijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 op de ijsbaan heen en weer rijden
| |
|
BabbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; babbelde, heeft gebabbeld; babbelaar) 1 kletsen
In Spaans overeenkomend met: Charlar sKeuvelen Praten | Babbelde | Gebabbeld
|
BabysittenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; babysitte, heeft gebabysit; babysitter) 1 als babysit optreden
| Babysitte | Gebabysit
|
Back-uppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; back-upte, heeft geback-upt) 1 een back-up maken
| Back-upte | Geback-upt
|
BackenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; backte, heeft gebackt) 1 (iem.) steunen 2 (muziek) (iem.) instrumentaal of vocaal begeleiden
| Backte | Gebackt
|
BackpackenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; backpackte, heeft gebackpackt) 1 als backpacker reizen
| Backpackte | Gebackpackt
|
BadderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; badderde, heeft gebadderd) 1 (informeel) in het bad spelen
| Badderde | Gebadderd
|
BadenALLE betekenissen van dit woord: in (werkwoord; baadde, heeft gebaad) 1 een overvloed bezitten van (onovergankelijk werkwoord; baadde, heeft gebaad) 1 zijn lichaam geheel of gedeeltelijk in het water dompelen (overgankelijk werkwoord; baadde, heeft gebaad) 1 in een bad doen
In Spaans overeenkomend met: Bañar Bañarse sEen bad nemen In bad doen Wassen | Baadde | Gebaad
|
BadinerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; badineerde, heeft gebadineerd) 1 minachtend schertsen
| Badineerde | Gebadineerd
|
BadmintonnenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; badmintonde, heeft gebadmintond; badmintonner) 1 badminton spelen
| Badmintonde | Gebadmintond
|
BagatelliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bagatelliseerde, heeft gebagatelliseerd; bagatellisering) 1 als iets onbeduidends voorstellen of behandelen
| Bagatelliseerde | Gebagatelliseerd
|
BaggerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baggerde, heeft gebaggerd; baggeraar) 1 (informeel) door de bagger lopen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; baggerde, heeft gebaggerd) 1 (modder e.d.) van de waterbodem halen met een baggermolen
In Spaans overeenkomend met: Dragar sOpbaggeren Uitbaggeren | Baggerde | Gebaggerd
|
BakenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bakende, heeft gebakend) 1 met bakens afzetten
| Bakende | Gebakend
|
BakerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bakerde, heeft gebakerd) 1 als baker werkzaam zijn
In Spaans overeenkomend met: Envolver, Vendar sInbakeren Insluiten Inzwachtelen Omwikkelen | Bakerde | Gebakerd
|
BakkeleienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bakkeleide, heeft gebakkeleid) 1 (informeel) kibbelen
| Bakkeleide | Gebakkeleid
|
BakkenIn de betekenis van: 1 (informeel) zonnebaden 2 (deeg of beslag) gaar maken in een sterk verhitte oven of op een heet vuur 3 (spijzen) door verhitting met vet gaar maken 4 (klei) door sterke verhitting hard laten worden
In Spaans overeenkomend met: Freír, Hornear Cocer Freír Hornear sBraden Frituren | Bakte | Gebakken
|
BakkenIn de betekenis van: 1 (informeel) zakken voor een examen 2 triktrakken, sjoelbakken
In Spaans overeenkomend met: sBraden Frituren | Bakte | Gebakt
|
| Baksen | Bakste | Gebakst
|
| Bakzeilhalen | Haalde bakzeil | Bakzeilgehaald
|
BalancerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balanceerde, heeft gebalanceerd) 1 zich met kleine schommelingen in evenwicht houden (overgankelijk werkwoord; balanceerde, heeft gebalanceerd) 1 (techniek) uitbalanceren
In Spaans overeenkomend met: Balancear sHobbelen Schommelen Wiegelen Wiegen Wippen | Balanceerde | Gebalanceerd
|
BalderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balderde, heeft gebalderd) 1 (van kor- en auerhoenders) roepen en dansen in de paartijd
| Balderde | Gebalderd
|
BalenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; baalde, heeft gebaald) 1 (informeel) geen plezier hebben in (onovergankelijk werkwoord; baalde, heeft gebaald) 1 (informeel) zich ergeren (overgankelijk werkwoord; baalde, heeft gebaald) 1 tot een baal of balen vormen
| Baalde | Gebaald
|
BalkaniserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balkaniseerde, is gebalkaniseerd; balkanisering) 1 (van een land) in kleine gedeelten uiteenvallen (overgankelijk werkwoord; balkaniseerde, heeft gebalkaniseerd) 1 (een land) in chaotische toestand brengen door het in kleine stukken te verdelen
| Balkaniseerde | Gebalkaniseerd
|
BalkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balkte, heeft gebalkt; balker) 1 het voor ezels kenmerkende geluid laten horen
In Spaans overeenkomend met: Balar, Gritar, Ladrar, Rebuznar sBlaten Brullen Grommen Hinniken Loeien Schreeuwen | Balkte | Gebalkt
|
BallastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; ballastte, heeft geballast) 1 van ballast voorzien
| Ballastte | Geballast
|
BallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balde, heeft gebald) 1 met de bal spelen (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Balde | Gebald
|
BallonvarenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; ballonvaarder) 1 reizen met een luchtballon
| |
|
BalloterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; balloteerde, heeft geballoteerd; ballotage) 1 stemmen over iemands toelating als lid van een sociëteit of vereniging 2 het heen en weer bewegen van een vast voorwerp in een vloeistof 3 (in België) herstemmen
In Spaans overeenkomend met: Balotar, Votar sKiezen Stemmen | Balloteerde | Geballoteerd
|
BalsemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; balsemde, heeft gebalsemd; balseming) 1 met balsem of andere welriekende dingen geurig maken 2 (een lijk) inwendig van bederfwerende stoffen voorzien 3 met geneeskrachtige balsem lichaamspijn verzachten 4 door troost en opbeuring smart lenigen
In Spaans overeenkomend met: Embalsamar sMet balsem bestrijken | Balsemde | Gebalsemd
|
BaltsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baltste, heeft gebaltst) 1 een paringsdans uitvoeren
| Baltste | Gebaltst
|
BamzaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bamzaaide, heeft gebamzaaid) 1 loten door te raden naar het aantal lucifers, knikkers of knopen dat iem. in de gesloten hand houdt
| Bamzaaide | Gebamzaaid
|
| Banderolleren | Banderolleerde | Gebanderolleerd
|
BandstotenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; bandstoter) 1 biljartspel waarbij de speelbal, alvorens de derde bal te raken, een of meer banden geraakt moet hebben
| |
|
BanenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Baande | Gebaand
|
BanjerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; banjerde, heeft/is gebanjerd) 1 (informeel) drukdoenerig, met grote stappen lopen
| Banjerde | Gebanjerd
|
BankdrukkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 (sport) bepaalde techniek voor spiertraining
| |
|
BankenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bankte, heeft gebankt) 1 (spel) eenentwintigen 2 op een zandbank in zee vissen
| Bankte | Gebankt
|
| Banketteren | Banketteerde | Gebanketteerd
|
BankierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bankierde, heeft gebankierd) 1 als geldbeheerder optreden 2 zaken doen bij een bank
| Bankierde | Gebankierd
|
BankwerkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; bankwerker) 1 metaal bewerken aan een werkbank
| |
|
BannenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bande, heeft gebannen; banning) 1 in de ban doen 2 door bezwering verdrijven
In Spaans overeenkomend met: Extrañar sVerbannen | Bande | Gebannen
|
BanvloekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; banvloekte, heeft gebanvloekt) 1 de banvloek uitspreken over
| Banvloekte | Gebanvloekt
|
| Baratteren | Baratteerde | Gebaratteerd
|
BarbecueënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; barbecuede, heeft gebarbecued) 1 vlees roosteren op een barbecue
| Barbecuede | Gebarbecued
|
| Barbieren | Barbierde | Gebarbierd
|
BarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; baarde, heeft gebaard; baring) 1 (een kind) ter wereld brengen
In Spaans overeenkomend met: Dar a luz, Engendrar, Parir sBevallen Het leven schenken Teweegbrengen Voortbrengen | Baarde | Gebaard
|
| Barnen | Barnde | Gebarnd
|
BarrerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; barreerde, heeft gebarreerd) 1 (paardensport) een hindernisbalk tijdens de sprong tegen de benen van een paard laten komen om het paard te leren de sprong hoog te nemen en zijn benen sterk in te trekken
| Barreerde | Gebarreerd
|
BarricaderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; barricadeerde, heeft gebarricadeerd; barricadering) 1 (een doorgang) door het opwerpen van een barricade versperren
In Spaans overeenkomend met: Trancar sSluiten | Barricadeerde | Gebarricadeerd
|
BarstenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; barstte, is gebarsten) 1 vergaan van, lijden door 2 (informeel) vol zitten met (onovergankelijk werkwoord; barstte, is gebarsten) 1 scheuren, splijten
In Spaans overeenkomend met: Reventarse Cuartearse, Henderse, Resquebrajarse Estallar, Reventar, Saltar sBersten In de lucht springen Ontploffen Openbarsten Openbersten Openspringen Scheuren Splijten Springen | Barstte | Gebarsten
|
BaseballenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baseballde, heeft gebaseballd; baseballer) 1 honkballen
| Baseballde | Gebaseballd
|
BasenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; basede, heeft gebased) 1 (informeel) cocaïne roken uit een waterpijp
| Basede | Gebased
|
BaserenIn Spaans overeenkomend met: Basar Fundar, Instituir, Motivar sFunderen Gronden Grondvesten Stichten Vestigen | Baseerde | Gebaseerd
|
BasketballenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; basketbalde, heeft gebasketbald; basketballer) 1 basketbal spelen
| Basketbalde | Gebasketbald
|
BaskettenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baskette, heeft gebasket) 1 (in België, niet algemeen) basketballen
| Baskette | Gebasket
|
BassenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baste, heeft gebast) 1 blaffen met een diep geluid 2 snauwen, tekeergaan 3 een basinstrument bespelen
| Baste | Gebast
|
BastaarderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bastaardeerde, heeft gebastaardeerd; bastaardering) 1 (biologie) bastaarden vormen door natuurlijke of kunstmatige bevruchting van twee erfelijk verschillende geslachtscellen
| Bastaardeerde | Gebastaardeerd
|
BatenALLE betekenissen van dit woord: (zelfstandig naamwoord, meervoud) 1 (boekhouden) het geld dat voor iets ontvangen is of ontvangen moet worden (onovergankelijk werkwoord; baatte, heeft gebaat) 1 (van zaken) helpen
In Spaans overeenkomend met: Auxiliar, Ayudar Aprovechar sBijstaan Helpen Ter zijde staan Van nut zijn | Baatte | Gebaat
|
BatikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; batikte, heeft gebatikt; batikker) 1 (weefsels) in figuren verven door het gedeelte dat niet gekleurd moet worden met was te bedekken
| Batikte | Gebatikt
|
BattenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; batte, heeft gebat) 1 bij cricket het bat hanteren ter verdediging van het wicket
| Batte | Gebat
|
| Bauwen | Bauwde | Gebauwd
|
BazelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bazelde, heeft gebazeld; bazelaar) 1 onzin praten
In Spaans overeenkomend met: Desatinar sKolderen Raaskallen | Bazelde | Gebazeld
|
BazenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; baasde, heeft gebaasd) 1 de baas spelen
| Baasde | Gebaasd
|
BeademenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beademde, heeft beademd; beademing) 1 (een patiënt) kunstmatige ademhaling toedienen met de mond of met een beademingstoestel 2 de adem laten gaan over (iets)
| Beademde | Beademd
|
BeamenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beaamde, heeft beaamd; beaming) 1 instemmen met
In Spaans overeenkomend met: Aprobar Asentir, Confirmar sBevestigen Billijken Goedkeuren Ja zeggen Toestemmen | Beaamde | Beaamd
|
BeangstenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beangstte, heeft beangst) 1 beangstigen
| Beangstte | Beangst
|
BeangstigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beangstigde, heeft beangstigd) 1 bang maken
| Beangstigde | Beangstigd
|
BeantwoordenALLE betekenissen van dit woord: aan (werkwoord; beantwoordde, heeft beantwoord) 1 voldoen aan (overgankelijk werkwoord; beantwoordde, heeft beantwoord) 1 de informatie geven waar om gevraagd is
In Spaans overeenkomend met: Contestar, Responder sAntwoorden Antwoorden op Verantwoorden | Beantwoordde | Beantwoord
|
| Bearbeiden | Bearbeidde | Bearbeid
|
BeargumenterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beargumenteerde, heeft beargumenteerd; beargumentering) 1 argumenten geven voor
| Beargumenteerde | Beargumenteerd
|
| Beasemen | Beasemde | Beasemd
|
BebakenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bebakende, heeft bebakend; bebakening) 1 (een vaarwater) van bakens voorzien
| Bebakende | Bebakend
|
| Bebinden | Bebond | Bebonden
|
| Beboeren | Beboerde | Beboerd
|
BeboetenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beboette, heeft beboet; beboeting) 1 bekeuren
In Spaans overeenkomend met: Multar
| Beboette | Beboet
|
BebossenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beboste, heeft bebost; bebossing) 1 met bomen beplanten
| Beboste | Bebost
|
BeboterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beboterde, heeft beboterd) 1 met boter besmeren
| Beboterde | Beboterd
|
BebouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bebouwde, heeft bebouwd; bebouwer, bebouwing) 1 (een terrein) met gebouwen bezetten 2 met gewassen beplanten
In Spaans overeenkomend met: Cultivar Cubrir de construcciones, Urbanizar sAankweken Beschaven Kweken Telen Verbouwen | Bebouwde | Bebouwd
|
BebroedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bebroedde, heeft bebroed; bebroeding) 1 broeden op
| Bebroedde | Bebroed
|
BecijferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; becijferde, heeft becijferd; becijfering) 1 uitrekenen 2 door cijfers aanwijzen 3 (muziek) notaties door cijfers aangeven
In Spaans overeenkomend met: Cifrar Cifrar sDoor cijfers aanwijzen Notaties door cijfers aangeven | Becijferde | Becijferd
|
BecommentariërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; becommentarieerde, heeft becommentarieerd; becommentariëring) 1 van commentaar voorzien
In Spaans overeenkomend met: Comentar
| Becommentarieerde | Becommentarieerd
|
BeconcurrerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beconcurreerde, heeft beconcurreerd; beconcurrering) 1 concurrentie aandoen
| Beconcurreerde | Beconcurreerd
|
| Bedammen | Bedamde | Bedamd
|
| Bedampen | Bedampte | Bedampt
|
BedankenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bedankte, heeft bedankt) 1 weigeren aan te nemen 2 zijn lidmaatschap of abonnement opzeggen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bedankte, heeft bedankt) 1 zijn erkentelijkheid tot uitdrukking brengen tegenover (iem.)
In Spaans overeenkomend met: Agradecer, Dar gracias, Dar gracias a Darse de baja, Dimitir, Hacer dimisión sAftreden Bedanken voor Dank betuigen Dankbaar zijn Dankbaar zijn voor Danken Te danken hebben Uittreden | Bedankte | Bedankt
|
BedarenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bedaarde, heeft bedaard) 1 tot rust komen
In Spaans overeenkomend met: Aplacarse Tranquilizar Apaciguar, Apaciguarse, Calmar, Sosegar Calmarse, Sosegarse, Tranquilizarse sGerust stellen Geruststellen Kalmeren Stillen Tot rust komen | Bedaarde | Bedaard
|
BedauwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedauwde, heeft bedauwd) 1 met dauw bedekken
| Bedauwde | Bedauwd
|
BedekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedekte, heeft bedekt; bedekker, bedekking) 1 aan het oog onttrekken door er iets over of op te leggen
In Spaans overeenkomend met: Cubrir, Tapar Cobijar, Cubrir, Tapar Nublar sBeleggen Dekken Toedekken | Bedekte | Bedekt
|
BedelenIn de betekenis van: Een vaste uitdeling geven aan
In Spaans overeenkomend met: Asistir sSchooien | Bedeelde | Bedeeld
|
bedelenIn de betekenis van: Aalmoezen vragen => zijn hand ophouden
In Spaans overeenkomend met: Mendigar, Pedir limosnaPedir sSchooien | Bedelde | Gebedeld
|
BedelvenALLE betekenissen van dit woord: on·der (werkwoord; bedolf, heeft bedolven) 1 overstelpen (overgankelijk werkwoord; bedolf, heeft bedolven; bedelving) 1 geheel bedekken
In Spaans overeenkomend met: Abrumar, Enterrar sOverstelpen Verpletteren | Bedolf | Bedolven
|
BedenkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedacht, heeft bedacht; bedenker, bedenking) 1 zijn gedachten laten gaan over, denken over 2 (een concept) door nadenken vinden 3 tot het besef of inzicht komen 4 iets schenken aan
In Spaans overeenkomend met: Discurrir, Inventar Legar Inventarse Imaginar Meditar, Reflexionar sBekokstoven Nadenken Overdenken Uitdenken Uitkienen Verzinnen Wikken Zich verbeelden Zich voorstellen Zinnen Zinnen op | Bedacht | Bedacht
|
BedervenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bedierf, is bedorven) 1 tot bederf overgaan (overgankelijk werkwoord; bedierf, heeft bedorven) 1 verknoeien 2 (iem.) te veel verwennen en zo veeleisend maken
In Spaans overeenkomend met: Desmejorar, Estropear Desmejorarse, Echar a perder Corromper Corromperse, Pudrirse Consentir, Mimar sBeschadigen Doen mislukken Havenen Knoeien Rotten Schaden Schenden Stuk maken Stukmaken Toetakelen Vergaan Verknoeien Verpesten Verrotten | Bedierf | Bedorven
|
BedienenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; bediende, heeft bediend) 1 gebruiken, gebruikmaken van (overgankelijk werkwoord; bediende, heeft bediend; bediening) 1 (iem.) dienen, helpen 2 bestellingen opnemen en opdienen in een restaurant, café enz. 3 (een toestel) doen functioneren 4 (rooms-katholiek) de laatste sacramenten toedienen aan (iem.)
In Spaans overeenkomend met: Atender Viaticar Prestar servicio, Servir sDienen Helpen Van dienst zijn Zalven | Bediende | Bediend
|
BedijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedijkte, heeft bedijkt; bedijker, bedijking) 1 een dijk leggen langs of om
| Bedijkte | Bedijkt
|
BedillenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedilde, heeft bedild; bediller, bedilling) 1 te veel voor een ander regelen
In Spaans overeenkomend met: Criticar, Disputar, Zaherir sHaarkloven Het lastig maken Vitten | Bedilde | Bedild
|
BedingenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedong, heeft bedongen; bedinging) 1 bij overeenkomst bepalen
In Spaans overeenkomend met: Estipular sAls voorwaarde stellen Conditioneren Stipuleren | Bedong | Bedongen
|
BediscussiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bediscussieerde, heeft bediscussieerd; bediscussiëring) 1 in een beraadslaging behandelen
| Bediscussieerde | Bediscussieerd
|
BedisselenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedisselde, heeft bedisseld; bedisselaar, bedisseling) 1 op eigen gelegenheid beslissen
| Bedisselde | Bedisseld
|
| Bedoeken | Bedoekte | Bedoekt
|
BedoelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedoelde, heeft bedoeld) 1 met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of trachten aan te duiden 2 met een bepaald oogmerk (iets) doen
In Spaans overeenkomend met: Apuntar a, Aspirar a, Querer decir
| Bedoelde | Bedoeld
|
| Bedoen | Bedeed | Bedaan
|
BedonderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedonderde, heeft bedonderd) 1 (informeel) bedriegen
| Bedonderde | Bedonderd
|
BedottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedotte, heeft bedot; bedotter) 1 beetnemen
In Spaans overeenkomend met: Embromar, Engañar, Engañar en broma sBeduvelen Beetnemen Om de tuin leiden | Bedotte | Bedot
|
BedplassenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; bedplasser) 1 onwillekeurig urine uitscheiden in bed
| |
|
BedragenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bedroeg, heeft bedragen) 1 (een hoeveelheid of getal) uitmaken
In Spaans overeenkomend met: Ascender a, Importar sBelopen | Bedroeg | Bedragen
|
BedreigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedreigde, heeft bedreigd; bedreiger, bedreiging) 1 dreigen kwaad te berokkenen 2 een gevaar vormen voor
In Spaans overeenkomend met: Amenazar sDreigen | Bedreigde | Bedreigd
|
BedriegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bedroog, heeft bedrogen) 1 min of meer met opzet misleiden 2 ontrouw zijn aan
In Spaans overeenkomend met: Estafar Faltar al cónyuge Burlar, Engañar, Mamarse sFoppen Frauderen Knoeien Misleiden Verschalken Zwendelen | Bedroog | Bedrogen
|
BedrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedreef, heeft bedreven; bedrijver, bedrijving) 1 doen
In Spaans overeenkomend met: Cometer, Hacer sAanmaken Begaan Doen Maken Plegen Uitbrengen Uitrichten Uitvoeren | Bedreef | Bedreven
|
| Bedrinken | Bedronk | Bedronken
|
BedroevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedroefde, heeft bedroefd; bedroeving) 1 (formeel) verdriet aandoen
In Spaans overeenkomend met: Acongojar, Afligir, Desconsolar, Entristecer, Quejar Disgustar, Enojar sErgeren Grieven Mistroostig maken Ontroostbaar maken Smarten Troosteloos maken | Bedroefde | Bedroefd
|
BedroppelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie bedruppelen
| Bedroppelde | Bedroppeld
|
BedruipenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedroop, heeft bedropen; bedruiping) 1 (vlees) onder het braden met vet bedruppelen
In Spaans overeenkomend met: Rociar sArrosseren Begieten Tremperen | Bedroop | Bedropen
|
BedrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedrukte, heeft bedrukt; bedrukker) 1 met druk versieren
| Bedrukte | Bedrukt
|
BedruppelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedruppelde, heeft bedruppeld) 1 druppelend bevochtigen
| Bedruppelde | Bedruppeld
|
| Bedruppen | Bedrupte | Bedrupt
|
| Beduchten | Beduchtte | Beducht
|
BeduidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beduidde, heeft beduid) 1 met een gebaar duidelijk maken 2 betekenen
In Spaans overeenkomend met: Adivinar, Predecir, Profetizar Desarrollar Indicar Aclarar, Explicar Significar sBetekenen Duidelijk maken Ophelderen Staan voor Toelichten Uiteenzetten Uitleggen Verhelderen Verklaren Voorspellen Voorzeggen Waarzeggen | Beduidde | Beduid
|
BeduimelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beduimelde, heeft beduimeld) 1 door herhaald pakken bevlekken
| Beduimelde | Beduimeld
|
BeduvelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beduvelde, heeft beduveld) 1 (informeel) bedriegen
In Spaans overeenkomend met: Embromar, Engañar, Engañar en broma sBedotten Beetnemen Om de tuin leiden | Beduvelde | Beduveld
|
BedwaterenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 bedplassen
| |
|
BedwelmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedwelmde, heeft bedwelmd; bedwelming) 1 het bewustzijn doen verliezen 2 zijn gezond verstand, zijn inzicht doen verliezen
In Spaans overeenkomend met: Narcotizar Aturdir Embriagar sNarcotiseren Verdoven Wegmaken | Bedwelmde | Bedwelmd
|
BedwingenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bedwong, heeft bedwongen; bedwinger, bedwinging) 1 onderwerpen, beteugelen, onderdrukken 2 niet toegeven aan
In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir Dominar sBeheersen Beteugelen Betomen Domineren In toom houden Intomen Overheersen Uitschitteren | Bedwong | Bedwongen
|
BeeldhouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beeldhouwde, heeft gebeeldhouwd; beeldhouwer) 1 (een beeld) hakken uit steen, hout enz.
In Spaans overeenkomend met: Esculpir sUithakken Uithouwen | Beeldhouwde | Gebeeldhouwd
|
BeeldsnijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; beeldsnijder) 1 beelden maken uit hout, ivoor e.d.
| |
|
BeestenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beestte, heeft gebeest) 1 (informeel) zich misdragen, de beest uithangen
| Beestte | Gebeest
|
| Beetgrijpen | Greep beet | Beetgegrepen
|
BeethebbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; had beet, heeft beetgehad) 1 (ook absoluut) vasthebben 2 (ook absoluut) een vis aan de haak hebben 3 met succes beetnemen
| Had beet | Beetgehad
|
BeethoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield beet, heeft beetgehouden) 1 vasthouden
| Hield beet | Beetgehouden
|
BeetkrijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kreeg beet, heeft beetgekregen) 1 (ook absoluut) te pakken krijgen 2 (een ziekte) oplopen
In Spaans overeenkomend met: Atrapar, Capturar sBeetnemen Pakken Te pakken krijgen Vangen Vastpakken Vatten | Kreeg beet | Beetgekregen
|
BeetnemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; nam beet, heeft beetgenomen) 1 vastpakken, grijpen 2 op goedmoedige wijze misleiden
In Spaans overeenkomend met: Agarrar, Asir, Coger Atrapar, Capturar Embromar, Engañar en broma Engañar sBedotten Beduvelen Beetkrijgen Beetpakken Om de tuin leiden Pakken Smokkelen Te pakken krijgen Vangen Vastpakken Vatten Verlakken | Nam beet | Beetgenomen
|
BeetpakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pakte beet, heeft beetgepakt) 1 vastpakken
In Spaans overeenkomend met: Agarrar, Asir, Coger sBeetnemen Pakken | Pakte beet | Beetgepakt
|
BeffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; befte, heeft gebeft) 1 (informeel) (een vrouw) seksueel prikkelen door haar geslachtsdelen te likken
| Befte | Gebeft
|
| Befloersen | Befloerste | Befloerst
|
BegaanALLE betekenissen van dit woord: met (bijvoeglijk naamwoord; meer begaan met, meest begaan met) 1 medelijdend (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen (overgankelijk werkwoord; beging, heeft begaan) 1 (iets kwaads, nadeligs) doen 2 gaan op, betreden
In Spaans overeenkomend met: Cometer Montar sBedrijven Bestijgen Opgaan Plegen | Beging | Begaan
|
| Begapen | Begaapte | Begaapt
|
BegeesterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; begeesterde, heeft begeesterd) 1 enthousiast maken
| Begeesterde | Begeesterd
|
BegeleidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; begeleidde, heeft begeleid; begeleider, begeleiding) 1 als gezelschap meegaan met (iem.) 2 iem. gedurende langere tijd helpen bij een proces of bezigheid 3 (van zaken) samengaan met 4 (muziek) met een tweede partij muzikaal bijstaan
In Spaans overeenkomend met: Acompañar Acompañar Escoltar sAccompagneren Escorteren Gewapend begeleiden | Begeleidde | Begeleid
|
BegenadigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begenadigde, heeft begenadigd; begenadiging) 1 met bewijzen van genade begiftigen
In Spaans overeenkomend met: Perdonar sVergeven | Begenadigde | Begenadigd
|
BegerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begeerde, heeft begeerd) 1 (formeel) verlangen te bezitten
In Spaans overeenkomend met: Codiciar Desear sAzen op Dorsten naar Trek hebben in Verkiezen Verlangen Wensen | Begeerde | Begeerd
|
BegevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Begaf | Begeven
|
BegierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begierde, heeft begierd) 1 bemesten met gier
| Begierde | Begierd
|
BegietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begoot, heeft begoten; begieter, begieting) 1 door gieten natmaken
In Spaans overeenkomend met: Rociar Abrevar, Aguar, Regar sArrosseren Bedruipen Besproeien Bevloeien Gieten Sproeien Tremperen Water geven Wateren | Begoot | Begoten
|
BegiftigenIn Spaans overeenkomend met: Dotar sMeegeven | Begiftigde | Begiftigd
|
| Begillen | Begilde | Begild
|
BeginnenALLE betekenissen van dit woord: over (werkwoord; begon, is begonnen) 1 gaan praten over (onovergankelijk werkwoord; begon, is begonnen; beginner) 1 de eerste van een samenhangende reeks handelingen verrichten, iets op de eerste plaats doen 2 zich vanaf een bepaald punt uitstrekken 3 van een zeker ogenblik af gaan plaatshebben (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; begon, is begonnen) 1 een begin maken met
In Spaans overeenkomend met: Encabezar ((lijst, inschrijving),(lista, inscripción)), Iniciar Abrir, Abrirse, Comenzar, Echarse, Empezar, Principiar Entablar sAanbreken Aanvangen De stoot geven tot Het initiatief nemen tot Ingaan Openen | Begon | Begonnen
|
BeglurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begluurde, heeft begluurd) 1 met glurende blik bespieden
| Begluurde | Begluurd
|
BegoochelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begoochelde, heeft begoocheld; begoocheling) 1 verblinden, misleiden
In Spaans overeenkomend met: Hechizar sBeheksen Betoveren | Begoochelde | Begoocheld
|
BegravenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begroef, heeft begraven) 1 onder of in de aarde bergen 2 (een dode) in een graf leggen
In Spaans overeenkomend met: Enterrar Sepultar Sumir sIn de grond verstoppen Kuilen Onder water stoppen Ter aarde bestellen | Begroef | Begraven
|
| Begrazen | Begraasde | Begraasd
|
BegrenzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begrensde, heeft begrensd; begrenzing) 1 de grens of grenzen vormen van 2 kleiner in omvang maken
In Spaans overeenkomend met: Limitar, Restringir sBeknotten Beperkingen opleggen aan | Begrensde | Begrensd
|
BegrijpenALLE betekenissen van dit woord: in, on·der (werkwoord; begreep, heeft begrepen) 1 rekenen tot, deel laten uitmaken van (overgankelijk werkwoord; begreep, heeft begrepen) 1 met het verstand kunnen volgen 2 een bepaalde uitleg aan iets geven
In Spaans overeenkomend met: Comprender, Entender, Explicarse, Penetrar, Penetrarse, Rodear Trascender Vadear sBeseffen Bevatten Doordringen in Doorgronden Doorzien Omvatten Snappen Vatten Verstaan | Begreep | Begrepen
|
| Begrinden | Begrindde | Begrind
|
| Begrinten | Begrintte | Begrint
|
| Begroeien | Begroeide | Begroeid
|
BegroetenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begroette, heeft begroet; begroeting) 1 verwelkomen, groetende ontvangen
In Spaans overeenkomend met: Recibir Saludar sGroeten | Begroette | Begroet
|
| Begrommen | Begromde | Begromd
|
BegrotenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begrootte, heeft begroot; begroting) 1 schatten hoe groot iets (onkosten, een ruimte, een afstand) wordt
In Spaans overeenkomend met: Apreciar, Estimar, Evaluar, Tasar sSchatten Taxeren Waarderen | Begrootte | Begroot
|
| Begruizen | Begruisde | Begruisd
|
BegunstigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; begunstigde, heeft begunstigd; begunstiger, begunstiging) 1 (iem.) helpen door hem een gunst te bewijzen
In Spaans overeenkomend met: Favorecer, Secundar Sufragar sBevoordelen Bijstaan Helpen Voorstaan Voortrekken | Begunstigde | Begunstigd
|
BehagenALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 (formeel) genoegen (onovergankelijk werkwoord; behaagde, heeft behaagd) 1 (formeel) aanstaan, goed bevallen
In Spaans overeenkomend met: Agradar, Gustar, Placer sAanstaan Bevallen Prettig vinden Zinnen | Behaagde | Behaagd
|
| Behakken | Behakte | Behakt
|
BehalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; behaalde, heeft behaald) 1 door inspanning verwerven
In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Obtener Alcanzar, Conseguir, Lograr Ganar Sacar sBereiken Buitmaken Inhalen Kopen Krijgen Reiken tot Verdienen Verkrijgen Verwerven Winnen | Behaalde | Behaald
|
| Behameren | Behamerde | Behamerd
|
BehandelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; behandelde, heeft behandeld; behandeling) 1 hanteren, omgaan met 2 bespreken of beschrijven 3 op de vereiste wijze bewerken 4 op een bepaalde wijze omgaan met (iem.) 5 (een patiënt) trachten te genezen van een ziekte
In Spaans overeenkomend met: Cursar Curar, Medicar Discutir, Hablar de, Tratar de Tratar sobre Tramitar sBepraten Bespreken Cureren Verhandelen | Behandelde | Behandeld
|
BehangenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; behing, heeft behangen; behanger) 1 (wanden) met behangselpapier beplakken 2 bedekken door er iets aan, op of tegen te hangen
In Spaans overeenkomend met: Tapizar
| Behing | Behangen
|
| Beharen | Behaarde | Behaard
|
BehartigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; behartigde, heeft behartigd; behartiger, behartiging) 1 met toewijding zorgen voor
In Spaans overeenkomend met: Atender a, Cuidar de sVerzorgen | Behartigde | Behartigd
|
BeheersenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beheerste, heeft beheerst; beheerser, beheersing) 1 overheersen 2 kennis hebben van
In Spaans overeenkomend met: Poseer Dominar sBedwingen Domineren Grondig kennen Overheersen Uitschitteren | Beheerste | Beheerst
|
BeheksenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; behekste, heeft behekst; beheksing) 1 betoveren
In Spaans overeenkomend met: Hechizar sBegoochelen Betoveren | Behekste | Behekst
|
| Behelpen | Behielp | Beholpen
|
BehelzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; behelsde, heeft behelsd) 1 inhouden
In Spaans overeenkomend met: Contener
| Behelsde | Behelsd
|
BeherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beheerde, heeft beheerd; beheerder) 1 het beheer hebben over 2 (een bedrijf) leiden, besturen
In Spaans overeenkomend met: Administrar Cuidar la casa, Llevar la casa sAdministreren Besturen Huishouden Toedienen | Beheerde | Beheerd
|
BehoedenIn Spaans overeenkomend met: Guardar Abrigar, Preservar, Proteger, Resguardar sBeschermen Beschutten Bewaren | Behoedde | Behoed
|
BehoevenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; behoefde, heeft behoefd) 1 (formeel) hoeven (overgankelijk werkwoord; behoefde, heeft behoefd) 1 nodig hebben
In Spaans overeenkomend met: Necesitar sHoeven Toe zijn aan | Behoefde | Behoefd
|
BehorenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; behoorde, heeft behoord) 1 (formeel) gerekend worden tot bij (werkwoord; behoorde, heeft behoord) 1 (formeel) een onderdeel uitmaken van (onovergankelijk werkwoord; behoorde, heeft behoord) 1 (formeel) toebehoren 2 (formeel) horen, volgens bepaalde normen moeten
In Spaans overeenkomend met: Pertenecer, Pertenecer a, Ser de Ser conforme, Ser conveniente, Ser decoroso Tener que sBehoren tot Betamen Dienen Horen Moeten Passen Toebehoren Toebehoren aan Toekomen aan Voegen | Behoorde | Behoord
|
BehoudenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord; behoudener, meest behouden) 1 ongedeerd (overgankelijk werkwoord; behield, heeft behouden) 1 handhaven, in stand houden 2 redden
In Spaans overeenkomend met: Conservar Salvar sBergen Bewaren Conserveren Onderhouden Overhouden Redden | Behield | Behouden
|
| Behouwen | Behieuw | Behouwen
|
| Behuwen | Behuwde | Behuwd
|
| Beiaarden | Beiaardde | Gebeiaard
|
BeidenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beidde, heeft gebeid) 1 (archaïsch) treuzelen (overgankelijk werkwoord; beidde, heeft gebeid) 1 (archaïsch) afwachten
| Beidde | Gebeid
|
BeierenALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 deelstaat in Zuid-Duitsland
In Spaans overeenkomend met: Repicar sKlepperen Luiden | Beierde | Gebeierd
|
| Beijveren | Beijverde | Beijverd
|
BeitelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beitelde, heeft gebeiteld) 1 met de beitel bewerken 2 met een beitel uithakken
In Spaans overeenkomend met: Cincelar, Labrar
| Beitelde | Gebeiteld
|
BeitsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beitste, heeft gebeitst) 1 kleuren met beits
In Spaans overeenkomend met: Morder sBijten Happen Knauwen | Beitste | Gebeitst
|
BejagenIn Spaans overeenkomend met: Cazar sJacht maken op Jagen | Bejaagde, Bejoeg | Bejaagd
|
BejammerenIn Spaans overeenkomend met: Lamentar Deplorar, Llorar sBetreuren Bewenen Spijt hebben van | Bejammerde | Bejammerd
|
BejegenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bejegende, heeft bejegend; bejegening) 1 (formeel) zich op een bepaalde wijze jegens iem. of iets gedragen
In Spaans overeenkomend met: Tratar
| Bejegende | Bejegend
|
BejubelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bejubelde, heeft bejubeld; bejubeling) 1 met gejuich begroeten
| Bejubelde | Bejubeld
|
BekabelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekabelde, heeft bekabeld; bekabeling) 1 van kabels voorzien
| Bekabelde | Bekabeld
|
| Bekaden | Bekaadde | Bekaad
|
| Bekakken | Bekakte | Bekakt
|
| Bekalken | Bekalkte | Bekalkt
|
| Bekamen | Bekaamde | Bekaamd
|
| Bekampen | Bekampte | Bekampt
|
BekappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekapte, heeft bekapt; bekapping) 1 een bekapping maken op 2 door kappen bewerken 3 de hoeven besnijden van
| Bekapte | Bekapt
|
BekendmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte bekend, heeft bekendgemaakt; bekendmaking) 1 openbaar maken, aan veel mensen doen weten
| Maakte bekend | Bekendgemaakt
|
BekendstaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stond bekend, heeft bekendgestaan) 1 op de genoemde manier gekend worden
| Stond bekend | Bekendgestaan
|
BekennenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) 1 (ook absoluut; bekende, heeft bekend) meedelen dat men schuldig is aan (een misdaad) 2 (bekende, heeft bekend) toegeven, erkennen 3 (is bekend) zien 4 (bekende, heeft bekend) (Bijbel) seksuele omgang hebben met
In Spaans overeenkomend met: Confesar, Declarar sErkennen Toegeven | Bekende | Bekend
|
BekerenIn de betekenis van: 1 (iemand) overhalen om een bepaald geloof te belijden 2 tot een geloof overgaan
In Spaans overeenkomend met: Convertir
| Bekeerde | Bekeerd
|
bekerenIn de betekenis van: Een bekerwedstrijd spelen
| Bekerde | Gebekerd
|
BekeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekeurde, heeft bekeurd; bekeuring) 1 als bevoegd ambtenaar wegens een overtreding proces-verbaal opmaken tegen (iem.)
In Spaans overeenkomend met: Multar sNotuleren Verbaliseren | Bekeurde | Bekeurd
|
BekijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekeek, heeft bekeken) 1 met aandacht kijken naar 2 overwegen
In Spaans overeenkomend met: Mirar Ver sBlikken Kijken Kijken naar Schouwen Toekijken Toezien | Bekeek | Bekeken
|
| Bekijven | Bekeef | Bekeven
|
BekistenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekistte, heeft bekist; bekisting) 1 van een kist of kisting voorzien
| Bekistte | Bekist
|
BekkenALLE betekenissen van dit woord: (het; bekkens) 1 wijde, ondiepe ronde schaal 2 (biologie) benige ring, gevormd door de beide heupbeenderen, het heiligbeen en het stuitbeen 3 (muziek) slaginstrument bestaande uit een concave koperen schijf, zowel enkel als dubbel gebruikt 4 kom, holte 5 (geologie) glooiende laagte, bodeminzinking (onovergankelijk werkwoord; bekte, heeft gebekt) 1 (van vogels) met de bek pikken 2 (informeel) snauwen 3 (scheepvaart) te veel op de wind liggen, loefgierig zijn 4 natuurlijk uit te spreken zijn 5 (informeel) tongzoenen
| Bekte | Gebekt
|
BekladdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekladde, heeft beklad; bekladder, bekladding) 1 bevuilen met inkt, verf enz. 2 belasteren
In Spaans overeenkomend met: Manchar sSmetten Vlekken | Bekladde | Beklad
|
BeklagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beklaagde, heeft beklaagd) 1 medelijden uiten met 2 weeklagen over
In Spaans overeenkomend met: Compadecer sMedelijden hebben Medelijden hebben met | Beklaagde | Beklaagd
|
| Beklampen | Beklampte | Beklampt
|
| Beklappen | Beklapte | Beklapt
|
| Beklauteren | Beklauterde | Beklauterd
|
BekledenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; bekleedde, heeft bekleed) 1 (iem.) een functie toevertrouwen (overgankelijk werkwoord; bekleedde, heeft bekleed; bekleder, bekleding) 1 (een oppervlakte) bedekken met hout, lood, marmer, textiel enz. 2 (een functie) uitoefenen
In Spaans overeenkomend met: Camisar, Encamisar, Enfundar, Forrar Desempeñar, Ocupar Enfundar, Forrar, Recubrir, Revestir sBeslaan Bezetten Bezig houden Chemiseren In beslag nemen Inpakken Instoppen Overtrekken Vervullen Voeren Vullen | Bekleedde | Bekleed
|
BeklemmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beklemde, heeft beklemd) 1 vastpakken als in een klem 2 een bedrukt, bezwaard gevoel geven 3 (juridisch) onder beklemrecht brengen
In Spaans overeenkomend met: Obsesionar sObsederen | Beklemde | Beklemd
|
BeklemtonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beklemtoonde, heeft beklemtoond; beklemtoning) 1 de klemtoon leggen op 2 als belangrijk, met nadruk naar voren brengen
In Spaans overeenkomend met: Acentuar sAccentueren Benadrukken De klemtoon leggen op | Beklemtoonde | Beklemtoond
|
| Bekletsen | Bekletste | Bekletst
|
BeklijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beklijfde, heeft/is beklijfd; beklijving) 1 in de herinnering blijven
In Spaans overeenkomend met: Durar sAanhouden Duren Standhouden Voortduren | Beklijfde | Beklijfd
|
BeklimmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beklom, heeft beklommen; beklimmer, beklimming) 1 klimmen op
In Spaans overeenkomend met: Trepar Subir Ascender, Escalar, Subir a sBestijgen Klauteren Klimmen Naar boven gaan Rijzen Stijgen | Beklom | Beklommen
|
BeklinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beklinking) 1 (beklonk, is beklonken) inklinken 2 (beklonk, heeft beklonken) vast afspreken, tot stand brengen
| Beklonk | Beklonken
|
| Beklonteren | Beklonterde | Beklonterd
|
BekloppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beklopte, heeft beklopt; beklopper, beklopping) 1 kloppen op 2 (geneeskunde) door kloppen de gesteldheid van de inwendige organen onderzoeken
| Beklopte | Beklopt
|
| Beknabbelen | Beknabbelde | Beknabbeld
|
| Beknagen | Beknaagde | Beknaagd
|
BeknellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beknelde, heeft bekneld; beknelling) 1 beklemmen
| Beknelde | Bekneld
|
BeknibbelenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; beknibbelde, heeft beknibbeld) 1 kleine bedragen uitsparen of inhouden (overgankelijk werkwoord; beknibbelde, heeft beknibbeld) 1 op een kleingeestige of schraperige manier ondermijnen, afdingen op, tornen aan
| Beknibbelde | Beknibbeld
|
| Beknijpen | Bekneep | Beknepen
|
BeknorrenIn Spaans overeenkomend met: Censurar, Regañar, Reprobar, Reprochar, Vituperar sBerispen Terechtwijzen Verwijten | Beknorde | Beknord
|
BeknottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beknotte, heeft beknot; beknotting) 1 (iemands vrijheid) beperken 2 (iem., iets) in zijn vrijheid beperken
In Spaans overeenkomend met: Limitar, Restringir sBegrenzen Beperkingen opleggen aan | Beknotte | Beknot
|
BekoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bekoelde, is bekoeld) 1 minder hevig, minder intens worden
In Spaans overeenkomend met: Calmarse, Sosegarse Enfriarse Rebelarse ((vriendschap),(amistad)) Resfriarse sLuwen Minder worden Tot rust komen Uitrazen Uitwoeden Verflauwen Verminderen | Bekoelde | Bekoeld
|
BekogelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekogelde, heeft bekogeld; bekogeling) 1 iets in grote hoeveelheden gooien naar
In Spaans overeenkomend met: Bombardear sBeschieten Bombarderen | Bekogelde | Bekogeld
|
BekokstovenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekokstoofde, heeft bekokstoofd) 1 heimelijk, buiten iem. om tot stand brengen
In Spaans overeenkomend met: Discurrir, Inventar sBedenken Uitdenken Uitkienen Verzinnen | Bekokstoofde | Bekokstoofd
|
BekomenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; bekwam, is bekomen van) 1 weer tot zichzelf komen (onovergankelijk werkwoord; bekwam, is bekomen) 1 (van spijzen en dranken) uitwerking op iem. hebben (overgankelijk werkwoord; bekwam, heeft bekomen) 1 (archaïsch of in België, niet algemeen) krijgen
| Bekwam | Bekomen
|
| Bekommeren | Bekommerde | Bekommerd
|
BekonkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekonkelde, heeft bekonkeld; bekonkelaar, bekonkeling) 1 (iets slechts) bekokstoven
In Spaans overeenkomend met: Intrigar, Tramar sIntrigeren Konkelen | Bekonkelde | Bekonkeld
|
BekopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekocht, heeft bekocht) 1 boeten voor (wat men misdreven of verkeerd gedaan heeft)
| Bekocht | Bekocht
|
BekorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekoorde, heeft bekoord; bekoorder, bekoring) 1 aantrekken, op aangename wijze boeien 2 (rooms-katholiek) verlokken tot zonde
In Spaans overeenkomend met: Atraer, Cautivar, Seducir Deleitar Tentar Embelesar, Encantar sAanlokken Aantrekken Charmeren Genot verschaffen aan In verzoeking brengen Toelachen Trekken Verheugen Verleiden Verlekkeren Verlokken Verzoeken | Bekoorde | Bekoord
|
| Bekorsten | Bekorstte | Bekorst
|
BekortenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekortte, heeft bekort; bekorting) 1 korter maken dan aanvankelijk de bedoeling was
In Spaans overeenkomend met: Abreviar, Acortar sAfkorten Inkorten Verkorten | Bekortte | Bekort
|
BekostigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekostigde, heeft bekostigd; bekostiging) 1 de kosten dragen van
In Spaans overeenkomend met: Costear, Sufragar
| Bekostigde | Bekostigd
|
| Bekrabbelen | Bekrabbelde | Bekrabbeld
|
| Bekrabben | Bekrabde | Bekrabd
|
BekrachtigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekrachtigde, heeft bekrachtigd; bekrachtiging) 1 (een handeling of overeenkomst) officieel erkennen en daardoor volledige kracht geven
In Spaans overeenkomend met: Confirmar Ratificar sBevestigen Erkennen Ratificeren Staven Vormen | Bekrachtigde | Bekrachtigd
|
| Bekrammen | Bekramde | Bekramd
|
| Bekransen | Bekranste | Bekranst
|
BekrassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekraste, heeft bekrast; bekrasser, bekrassing) 1 krassen aanbrengen op
| Bekraste | Bekrast
|
| Bekreunen | Bekreunde | Bekreund
|
| Bekribben | Bekribde | Bekribd
|
| Bekrimpen | Bekromp | Bekrompen
|
BekritiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekritiseerde, heeft bekritiseerd) 1 afkeurende kritiek uitoefenen op
In Spaans overeenkomend met: Criticar sKeuren Kritiseren | Bekritiseerde | Bekritiseerd
|
BekronenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekroonde, heeft bekroond; bekroning) 1 een prijs toekennen aan 2 op geslaagde wijze afronden, afsluiten
In Spaans overeenkomend met: Coronar Premiar sEen prijs toekennen Kronen | Bekroonde | Bekroond
|
BekruipenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekroop, heeft bekropen; bekruiping) 1 (van gevoelens) opkomen, komen over
| Bekroop | Bekropen
|
| Bekruisen | Bekruiste | Bekruist
|
| Bekuipen | Bekuipte | Bekuipt
|
BekvechtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bekvechtte, heeft gebekvecht) 1 ruziën
| Bekvechtte | Gebekvecht
|
BekwamenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bekwaamde, heeft bekwaamd; bekwaming) 1 de nodige kennis en vaardigheid bijbrengen
In Spaans overeenkomend met: Capacitar
| Bekwaamde | Bekwaamd
|
| Bekwijlen | Bekwijlde | Bekwijld
|
BeladenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord; beladenheid) 1 een bepaalde gevoelslading bezittend (overgankelijk werkwoord; belaadde, heeft beladen; belader, belading) 1 bezwaren met een lading
In Spaans overeenkomend met: Cargar sBelasten Inladen | Belaadde | Beladen
|
BelagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belaagde, heeft belaagd; belager) 1 in het nauw brengen
In Spaans overeenkomend met: Acechar
| Belaagde | Belaagd
|
BelandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; belandde, is beland) 1 toevallig ergens terechtkomen
| Belandde | Beland
|
| Belangen | Belangde | Belangd
|
| Belangstellen | Stelde belang | Belanggesteld
|
BelastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belastte, heeft belast; belasting) 1 lasten, gewichten plaatsen op 2 als prestatie vergen van (installaties) 3 bezwaren met een geldelijke verplichting
In Spaans overeenkomend met: Imponer Cargar sAanslaan Beladen Belasting heffen op Inladen Veraccijnzen | Belastte | Belast
|
BelasterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belasterde, heeft belasterd; belastering) 1 lasteren
In Spaans overeenkomend met: Calumniar, Infamar sKwaadspreken Roddelen | Belasterde | Belasterd
|
| Belatafelen | Belatafelde | Belatafeld
|
BelazerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belazerde, heeft belazerd) 1 (informeel) bedriegen
| Belazerde | Belazerd
|
BeledigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beledigde, heeft beledigd; belediging) 1 (iem.) pijnlijk treffen in zijn eergevoel
In Spaans overeenkomend met: Insultar Ofender sAffronteren Grieven Krenken Verongelijken | Beledigde | Beledigd
|
BelegerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belegerde, heeft belegerd; belegeraar, belegering) 1 (een stad, vesting enz.) met een leger insluiten, met het doel ze tot overgave te dwingen 2 zich verdringen rond
In Spaans overeenkomend met: Asediar, Sitiar
| Belegerde | Belegerd
|
BeleggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belegde, heeft belegd) 1 (ook absoluut) (geld) in waardepapieren omzetten om de waarde te behouden of te vergroten 2 bijeenroepen, houden 3 bedekken door er iets op te leggen 4 (scheepvaart) vastmaken, vastsjorren
In Spaans overeenkomend met: Invertir, Investir Cubrir, Tapar Dar lugar a, Ocasionar Colocar ahorros a rédito, Poner ahorros a rédito sBedekken Dekken Houden Inhuldigen Investeren Teweegbrengen Toedekken Uitschrijven Uitzetten | Belegde | Belegd
|
BelemmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belemmerde, heeft belemmerd; belemmering) 1 de vrije beweging, het vrije gebruik, de voortgang bemoeilijken
In Spaans overeenkomend met: Interceptar, Privar el paso Atajar, Desbaratar, Vedar Estancar, Obstruir Dificultar, Estorbar, Molestar, Perturbar sAfdammen Afsluiten Beletten Hinderen Obstructie voeren Opstoppen Storen Stuiten Stuwen Tegenhouden Verhinderen Verijdelen Versperren Verstoppen Verstoren | Belemmerde | Belemmerd
|
| Belenden | Belendde | Belend
|
BelenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beleende, heeft beleend; belening) 1 in onderpand geven om geld op te nemen 2 (geschiedenis) (iem.) met een leen begiftigen
In Spaans overeenkomend met: Empeñar, Pignorar sLenen tegen een onderpand Verpanden | Beleende | Beleend
|
| Beleren | Beleerde | Beleerd
|
BelettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belette, heeft belet) 1 verhinderen
In Spaans overeenkomend met: Atajar, Desbaratar, Estorbar, Impedir, Oponerse, Vedar sBelemmeren Bestrijden Blokkeren Stuiten Tegenhouden Verhinderen Verhoeden Verijdelen Voorkomen | Belette | Belet
|
BelevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beleefde, heeft beleefd; beleving) 1 ondervinden, meemaken 2 gevoelsmatig ondergaan
In Spaans overeenkomend met: Experimentar, Pasar la experiencia Vivir un hecho, Vivir un suceso sDoorleven Doormaken Ervaren Ondergaan Ondervinden | Beleefde | Beleefd
|
BelezenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord; meer belezen, meest belezen; belezenheid) 1 (van personen) door lezen veel kennis bezittend (overgankelijk werkwoord; belas, heeft belezen; belezer, belezing) 1 een bezweringsformule of gebed ter uitdrijving of afwering van de boze geest uitspreken over 2 door bezweringsformules uitbannen 3 overreden
| Belas | Belezen
|
BelichamenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belichaamde, heeft belichaamd; belichaming) 1 de concrete verschijningsvorm zijn van (iets onstoffelijks)
| Belichaamde | Belichaamd
|
BelichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; belichtte, heeft belicht; belichter, belichting) 1 licht laten vallen op 2 (iets) vanuit een zeker standpunt uiteenzetten
In Spaans overeenkomend met: Exponer, Impresionar, Presentar, Realzar ((schilderij),(pintura artística)) Encender, Iluminar Alumbrar sAansteken Beschijnen Tentoonstellen Uiteenzetten Uitstallen Verlichten Voorlichten | Belichtte | Belicht
|
BeliegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beloog, heeft belogen) 1 (iem.) door leugens bedriegen
| Beloog | Belogen
|
BelievenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beliefde, heeft beliefd) 1 goeddunken (overgankelijk werkwoord; beliefde, heeft beliefd) 1 (formeel) willen doen
| Beliefde | Beliefd
|
BelijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beleed, heeft beleden; belijder) 1 verkondigen waarvan men overtuigd is 2 een geloof aanhangen
| Beleed | Beleden
|
| Belijmen | Belijmde | Belijmd
|
| Belijnen | Belijnde | Belijnd
|
| Belikken | Belikte | Belikt
|
BellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; belde, heeft gebeld; beller) 1 de deurbel over laten gaan 2 met een bel een signaal geven (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; belde, heeft gebeld) 1 telefoneren naar, (iem.) opbellen 2 met een bel roepen
In Spaans overeenkomend met: Llamar, Tocar la campanilla Llamar por teléfono, Telefonear sAanbellen Luiden Schellen | Belde | Gebeld
|
BellenblazenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 met een pijpje luchtbellen maken uit zeepsop
| Blies bellen | Bellengeblazen
|
BeloerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beloerde, heeft beloerd; beloering) 1 heimelijk kijken naar
In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar sBespieden Bespioneren Spieden Spioneren Verspieden | Beloerde | Beloerd
|
| Belommeren | Belommerde | Belommerd
|
BelonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beloonde, heeft beloond; beloning) 1 een stoffelijke vergelding voor diensten of verdiensten geven aan
In Spaans overeenkomend met: Recompensar, Retribuir sLonen Schadeloos stellen Terugdoen Vergelden | Beloonde | Beloond
|
| Belonken | Belonkte | Belonkt
|
BelopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beliep, heeft belopen) 1 lopen over, begaan 2 lopende afleggen 3 bedragen
In Spaans overeenkomend met: Ascender a, Importar sBedragen | Beliep | Belopen
|
BelovenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beloofde, heeft beloofd) 1 zich verplichten iets te doen of te geven 2 (van zaken) aanleiding zijn voor iem. om op iets te hopen
In Spaans overeenkomend met: Prometer sToezeggen Uitloven Verzeggen | Beloofde | Beloofd
|
| Beluchten | Beluchtte | Belucht
|
| Beluiden | Beluidde | Beluid
|
BeluisterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beluisterde, heeft beluisterd; beluistering) 1 luisterend waarnemen
In Spaans overeenkomend met: Escuchar sAanhoren Luisteren Toehoren Toeluisteren | Beluisterde | Beluisterd
|
BemachtigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemachtigde, heeft bemachtigd; bemachtiging) 1 door inspanning verkrijgen
In Spaans overeenkomend met: Agarrar, Asir, Coger sAangrijpen Grijpen Vastgrijpen Vasthouden Vastpakken | Bemachtigde | Bemachtigd
|
BemalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemaalde, heeft bemaald/bemalen; bemaling) 1 (land) kunstmatig met een watermolen of pomp ontlasten van het overtollige water
| Bemaalde | Bemalen
|
BemannenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemande, heeft bemand; bemanning) 1 van het benodigde personeel voorzien
| Bemande | Bemand
|
BemantelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemantelde, heeft bemanteld; bemanteling) 1 verbloemen
In Spaans overeenkomend met: Paliar sBewimpelen Maskeren Verbergen Verbloemen | Bemantelde | Bemanteld
|
| Bemasten | Bemastte | Bemast
|
| Bematten | Bematte | Bemat
|
| Bemeesteren | Bemeesterde | Bemeesterd
|
BemensenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemenste, heeft bemenst; bemensing) 1 bemannen
| Bemenste | Bemenst
|
BemerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemerkte, heeft bemerkt; bemerking) 1 gewaar worden
In Spaans overeenkomend met: Percibir Advertir, Notar, Observar, Percatar, Percatarse sGewaar worden Merken Opmerken Vernemen Waarnemen | Bemerkte | Bemerkt
|
BemestenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemestte, heeft bemest; bemesting) 1 door het opbrengen van mest vruchtbaar maken
In Spaans overeenkomend met: Abonar sGieren Mesten | Bemestte | Bemest
|
BemeubelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemeubelde, heeft bemeubeld) 1 (in België) meubileren
| Bemeubelde | Bemeubeld
|
BemiddelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bemiddelde, heeft bemiddeld; bemiddelaar, bemiddeling) 1 tussenbeide komen om een overeenkomst tot stand te brengen
In Spaans overeenkomend met: Mediar, Terciar sAls bemiddelaar optreden Tussenbeide komen | Bemiddelde | Bemiddeld
|
BeminnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beminde, heeft bemind; beminnaar) 1 (formeel) houden van, liefhebben
In Spaans overeenkomend met: Amar, Querer sHouden van Liefhebben | Beminde | Bemind
|
| Bemodderen | Bemodderde | Bemodderd
|
BemoederenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemoederde, heeft bemoederd) 1 te zorgzaam optreden tegenover
| Bemoederde | Bemoederd
|
BemoedigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemoedigde, heeft bemoedigd; bemoediging) 1 met moed bezielen
In Spaans overeenkomend met: Alentar, Animar sAanmoedigen Stijven | Bemoedigde | Bemoedigd
|
| Bemoeien | Bemoeide | Bemoeid
|
BemoeilijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemoeilijkte, heeft bemoeilijkt; bemoeilijking) 1 moeilijker, lastig maken
In Spaans overeenkomend met: Dificultar
| Bemoeilijkte | Bemoeilijkt
|
| Bemonsteren | Bemonsterde | Bemonsterd
|
BemorsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bemorste, heeft bemorst) 1 vuilmaken
| Bemorste | Bemorst
|
| Bemuren | Bemuurde | Bemuurd
|
| Benaarstigen | Benaarstigde | Benaarstigd
|
BenadelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benadeelde, heeft benadeeld; benadeling) 1 schade berokkenen
In Spaans overeenkomend met: Desfavorecer Perjudicar
| Benadeelde | Benadeeld
|
BenaderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benaderde, heeft benaderd; benadering) 1 naderen, dichter komen bij 2 dichter komen bij (iem.) om hem te spreken 3 (een probleem) op een bepaalde manier aanpakken 4 (wiskunde) tot een bepaalde graad de precieze waarde berekenen van 5 beslag leggen op goederen 6 behandelen, interpreteren
| Benaderde | Benaderd
|
BenadrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benadrukte, heeft benadrukt; benadrukking) 1 nadrukkelijk naar voren brengen
In Spaans overeenkomend met: Resaltar Destacar Acentuar, Enfatizar sAccentueren Beklemtonen De klemtoon leggen op Wijzen op | Benadrukte | Benadrukt
|
| Benagelen | Benagelde | Benageld
|
BenauwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benauwde, heeft benauwd) 1 de ademhaling belemmeren 2 beklemmen
In Spaans overeenkomend met: Perturbar, Preocupar sVerontrusten | Benauwde | Benauwd
|
BenchmarkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benchmarkte, heeft gebenchmarkt) 1 (de prestaties van een product of onderneming) vergelijken met die van concurrerende producten of collegabedrijven
| Benchmarkte | Gebenchmarkt
|
BenemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benam, heeft benomen) 1 (iets onstoffelijks) ontnemen, wegnemen van
| Benam | Benomen
|
BenenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van been (onovergankelijk werkwoord; beende, heeft/is gebeend) 1 met forse schreden lopen
| Beende | Gebeend
|
BenevelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benevelde, heeft beneveld; beneveling) 1 bedwelmen
| Benevelde | Beneveld
|
BengelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bengelde, heeft gebengeld) 1 heen en weer slingeren
| Bengelde | Gebengeld
|
BenieuwenALLE betekenissen van dit woord: (onpersoonlijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Benieuwde | Benieuwd
|
BenijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benijdde, heeft benijd) 1 jaloers zijn op
In Spaans overeenkomend met: Envidiar sJaloers zijn op Misgunnen | Benijdde | Benijd
|
BenoemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benoemde, heeft benoemd; benoeming) 1 aanstellen in een ambt, een betrekking 2 met een naam aanduiden
In Spaans overeenkomend met: Designar Llamar Nombrar sAanwijzen Bestemmen Heten Noemen Uitmaken voor | Benoemde | Benoemd
|
BenuttenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; benutte, heeft benut; benutter, benutting) 1 voordelig gebruiken
In Spaans overeenkomend met: Aprovechar Utilizar Emplear, Hacer uso de, Usar sAanwenden Gebruiken Te baat nemen Waarnemen | Benutte | Benut
|
| Benuttigen | Benuttigde | Benuttigd
|
BeoefenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beoefende, heeft beoefend; beoefenaar, beoefening) 1 zich geregeld bezighouden met een vak, sport, kunst of wetenschap
In Spaans overeenkomend met: Practicar sBetrachten In de praktijk brengen Uitoefenen | Beoefende | Beoefend
|
BeogenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beoogde, heeft beoogd; beoging) 1 (iets) trachten te bereiken
| Beoogde | Beoogd
|
| Beoliën | Beoliede | Beolied
|
BeoordelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beoordeelde, heeft beoordeeld; beoordelaar, beoordeling) 1 een oordeel vellen, zijn goed- of afkeuring uitspreken over 2 zich een oordeel vormen over
In Spaans overeenkomend met: Criticar, Juzgar
| Beoordeelde | Beoordeeld
|
| Beoorlogen | Beoorloogde | Beoorloogd
|
| Bepakken | Bepakte | Bepakt
|
BepalenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; bepaalde, heeft bepaald) 1 zich beperken tot (overgankelijk werkwoord; bepaalde, heeft bepaald; bepaler, bepaling) 1 als regel, voorschrift geven 2 vaststellen 3 richten, niet doen afwijken van 4 beslissend beïnvloeden 5 (taalkunde) als bepaling dienen bij of voor
In Spaans overeenkomend met: Determinar Definir Fijar Establecer sBeschikken Bevelen Bevestigen Definiëren Determineren Fixeren Instellen Nauwkeurig bepalen Omschrijven Vastmaken Vaststellen | Bepaalde | Bepaald
|
BepantserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepantserde, heeft bepantserd; bepantsering) 1 van een pantser of pantserplaten voorzien
| Bepantserde | Bepantserd
|
| Beparelen | Beparelde | Bepareld
|
| Bepeinzen | Bepeinsde | Bepeinsd
|
| Bepekken | Bepekte | Bepekt
|
BeperkenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; beperkte, heeft beperkt) 1 zich concentreren op, het houden bij (overgankelijk werkwoord; beperkte, heeft beperkt; beperking) 1 kleiner maken, begrenzen 2 (iem.) niet vrij laten, hinderen in zijn mogelijkheden
In Spaans overeenkomend met: Limitar, Restringir
| Beperkte | Beperkt
|
| Bepikken | Bepikte | Bepikt
|
BeplakkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beplakte, heeft beplakt; beplakking) 1 plakken op
| Beplakte | Beplakt
|
| Beplanken | Beplankte | Beplankt
|
BeplantenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beplantte, heeft beplant; beplanting) 1 met planten of gewassen bezetten
| Beplantte | Beplant
|
BepleisterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepleisterde, heeft bepleisterd; bepleistering) 1 met pleister bestrijken
In Spaans overeenkomend met: Revocar sPleisteren Stukadoren | Bepleisterde | Bepleisterd
|
BepleitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepleitte, heeft bepleit; bepleiter, bepleiting) 1 met argumenten pleiten voor
In Spaans overeenkomend met: Abogar sVerdedigen | Bepleitte | Bepleit
|
BeploegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beploegde, heeft beploegd; beploeger, beploeging) 1 met de ploeg bewerken
In Spaans overeenkomend met: Arar sOmploegen Ploegen | Beploegde | Beploegd
|
BepoederenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepoederde, heeft bepoederd) 1 met poeder bestrooien
In Spaans overeenkomend met: Espolvorear sBestrooien | Bepoederde | Bepoederd
|
| Bepoeieren | Bepoeierde | Bepoeierd
|
| Bepolderen | Bepolderde | Bepolderd
|
BepotelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepotelde, heeft bepoteld) 1 (informeel) betasten
| Bepotelde | Bepoteld
|
| Bepoten | Bepootte | Bepoot
|
BepratenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bepraatte, heeft bepraat; beprating) 1 bespreken 2 door praten overhalen, overreden
In Spaans overeenkomend met: Persuadir, Trastornar Discutir, Hablar de, Tratar de sBehandelen Bespreken Overhalen Overreden Overtuigen | Bepraatte | Bepraat
|
| Bepreken | Bepreekte | Bepreekt
|
BeproevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beproefde, heeft beproefd; beproeving) 1 (iem.) een taak opleggen om zijn vaardigheid te testen 2 (formeel) proberen
In Spaans overeenkomend met: Afligir, Entristecer Ensayar, Intentar, Probar sAanpassen Passen Proberen Testen Toetsen Uitproberen | Beproefde | Beproefd
|
| Bepruiken | Bepruikte | Bepruikt
|
BeraadslagenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beraadslaagde, heeft beraadslaagd; beraadslaging) 1 iets met elkaar ernstig overwegen en overleggen
In Spaans overeenkomend met: Deliberar sOverleggen | Beraadslaagde | Beraadslaagd
|
BeradenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord; beradener, meest beraden; beradenheid) 1 bedachtzaam, bezonnen
| Beraadde, Beried | Beraden
|
BeramenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beraamde, heeft beraamd; beramer, beraming) 1 bedenken (wat men wil doen) 2 begroten
In Spaans overeenkomend met: Proyectar, Tramar sOntwerpen Plannen | Beraamde | Beraamd
|
BerapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beraapte, heeft beraapt; beraping) 1 (muren) met kalkspecie ruw bepleisteren
| Beraapte | Beraapt
|
BerechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berechtte, heeft berecht; berechting) 1 recht spreken over
In Spaans overeenkomend met: Ajusticiar, Juzgar sOordelen Veroordelen Vonnissen | Berechtte | Berecht
|
BeredderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beredderde, heeft beredderd; bereddering) 1 (iets ingewikkelds) met enige moeite en haast in orde maken
| Beredderde | Beredderd
|
BeredenerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beredeneerde, heeft beredeneerd; beredenering) 1 verstandelijk verklaren
In Spaans overeenkomend met: Tratar sHandelen over | Beredeneerde | Beredeneerd
|
BeregelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beregelde, heeft beregeld) 1 door middel van regels ordenen
| Beregelde | Beregeld
|
BeregenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beregende, heeft beregend; beregening) 1 (grond, gewassen) besproeien met een beregeningsinstallatie
| Beregende | Beregend
|
BereidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bereidde, heeft bereid; bereider, bereiding) 1 klaarmaken 2 volgens een procedé gereedmaken
In Spaans overeenkomend met: Cocinar, Preparar Elaborar Aderezar, Adobar Preparar sAanmaken Gereedmaken Klaarmaken Koken Produceren Toebereiden Vervaardigen Voorbereiden | Bereidde | Bereid
|
BereikenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bereikte, heeft bereikt) 1 na een tocht aankomen in een plaats 2 komen tot een resultaat 3 verbinding, contact met iemand krijgen
In Spaans overeenkomend met: Alcanzar, Conseguir, Lograr sBehalen Inhalen Reiken tot | Bereikte | Bereikt
|
BereizenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bereisde, heeft bereisd) 1 (een gebied) reizend doortrekken
In Spaans overeenkomend met: Recorrer
| Bereisde | Bereisd
|
BerekenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berekende, heeft berekend; berekening) 1 door rekenen vaststellen 2 betaling vragen voor 3 uit zekere gegevens afleiden 4 voor- en nadeel afwegen van
In Spaans overeenkomend met: Calcular Calcular, Contar Computar Cargar, Llevar sCalculeren In rekening brengen Meerekenen Rekenen Tellen Uitrekenen | Berekende | Berekend
|
BerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beerde, heeft gebeerd) 1 (van olifanten, neushoorns) schreeuwen 2 goederen op krediet verhandelen (overgankelijk werkwoord; beerde, heeft gebeerd) 1 (het land) met beer bemesten
| Beerde | Gebeerd
|
| Berennen | Berende | Berend
|
| Berenten | Berentte | Berent
|
BergenALLE betekenissen van dit woord: (het; Bergens, Bergenaar) 1 hoofdstad van de Belgische provincie Henegouwen
In Spaans overeenkomend met: Conservar Almacenar Salvar sBehouden Bewaren Conserveren Herbergen Onderhouden Overhouden Redden | Borg | Geborgen
|
BerichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berichtte, heeft bericht) 1 ter kennis brengen, kennis geven van
In Spaans overeenkomend met: Informar Comunicar Referir sAanbrengen Informeren Inlichten Mededelen Meedelen Melden Verhalen Verslaan Vertellen Voorlichten Voortzeggen | Berichtte | Bericht
|
| Beridderen | Beridderde | Beridderd
|
BerijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bereed, heeft bereden; berijder) 1 rijden op (een voertuig, een rijdier) 2 rijden over (een weg)
In Spaans overeenkomend met: Cabalgar, Montar
| Bereed | Bereden
|
BerijmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berijmde, heeft berijmd; berijming) 1 (iets) op rijm zetten
| Berijmde | Berijmd
|
BeringenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beringde, heeft beringd; beringing) 1 met een ringdijk afsluiten
| Beringde | Beringd
|
BerispenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berispte, heeft berispt; berisping) 1 ongenoegen of afkeuring te kennen geven aan (iem.)
In Spaans overeenkomend met: Desaprobar, Reprender Censurar, Regañar, Reprobar, Reprochar, Vituperar sAfkeuren Beknorren Gispen Laken Terechtwijzen Verwijten Wraken | Berispte | Berispt
|
| Beroemen | Beroemde | Beroemd
|
BeroepenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; beriep, heeft beroepen op) 1 de autoriteit inroepen van, een recht ontlenen aan (overgankelijk werkwoord; beriep, heeft beroepen; beroeper, beroeping) 1 (een predikant) uitnodigen een gemeente te komen bedienen
| Beriep | Beroepen
|
BeroerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beroerde, heeft beroerd; beroering) 1 (formeel) even, heel licht aanraken 2 (het gevoel, verstand) in beweging brengen, verontrusten
In Spaans overeenkomend met: Rozar, Tocar ligeramente Estar en contacto, Tocar sAankomen Aanraken Raken Strijken langs Toucheren | Beroerde | Beroerd
|
BerokenIn Spaans overeenkomend met: Fumigar
| Berookte | Berookt
|
BerokkenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berokkende, heeft berokkend; berokkening) 1 (iets kwaads) teweegbrengen, veroorzaken
| Berokkende | Berokkend
|
BerouwenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; berouwde, heeft berouwd) 1 berouw doen hebben
| Berouwde | Berouwd
|
BerovenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; beroofde, heeft beroofd) 1 iem. het genot van iets doen missen, zaken ontdoen van iets (overgankelijk werkwoord; beroofde, heeft beroofd; beroving) 1 door roof iets ontnemen van
In Spaans overeenkomend met: Despojar, Privar Robar sBuitmaken Plunderen Roven Stropen Uitplunderen | Beroofde | Beroofd
|
BerstenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; borst, is geborsten) 1 barsten
In Spaans overeenkomend met: Estallar, Reventar sBarsten Openbarsten Openbersten Scheuren Springen | Berstte, Borst | Geborsten
|
| Beruiken | Berook | Beroken
|
BerustenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; berustte, heeft berust) 1 gebaseerd zijn op bij (werkwoord; berustte, heeft berust) 1 in bezit of bewaring zijn van (onovergankelijk werkwoord; berustte, heeft berust; berusting) 1 zonder verzet aanvaarden
In Spaans overeenkomend met: Consistir Resignarse sBestaan Gegrond zijn Steunen Zich schikken | Berustte | Berust
|
| Besausen | Besauste | Besaust
|
BeschadigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschadigde, heeft beschadigd; beschadiging) 1 schade toebrengen aan 2 belemmeren in het functioneren
In Spaans overeenkomend met: Estropearse Desmejorar, Estropear Echar a perder sBederven Havenen Knoeien Schenden Stuk maken Stukmaken Toetakelen Verknoeien Verpesten | Beschadigde | Beschadigd
|
BeschaduwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschaduwde, heeft beschaduwd) 1 schaduw werpen op
| Beschaduwde | Beschaduwd
|
BeschamenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschaamde, heeft beschaamd; beschaming) 1 bedrogen uit doen komen, niet waarmaken
In Spaans overeenkomend met: Avergonzar Confundir sBeschaamd maken Vernietigen | Beschaamde | Beschaamd
|
| Beschansen | Beschanste | Beschanst
|
BeschavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschaafde, heeft beschaafd; beschaving) 1 tot beschaving, ontwikkeling brengen
In Spaans overeenkomend met: Civilizar Cultivar sAankweken Bebouwen Civiliseren Kweken Telen Verbouwen | Beschaafde | Beschaafd
|
BescheidenALLE betekenissen van dit woord: (zelfstandig naamwoord, meervoud) 1 stukken, papieren (bijvoeglijk naamwoord; bescheidener, bescheidenst; bescheidenheid) 1 geen te hoge gedachten van zichzelf hebbend, niet aanmatigend 2 beleefd, niet opdringerig 3 niet groots
| Bescheidde | Bescheiden
|
BeschenkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschonk, heeft beschonken) 1 (formeel) geschenken geven aan
| Beschonk | Beschonken
|
BeschermenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschermde, heeft beschermd; beschermer, bescherming) 1 behoeden voor iets nadeligs
In Spaans overeenkomend met: Cubrir Proteger Abrigar, Amparar, Preservar, Resguardar sBehoeden Beschutten Bewaren | Beschermde | Beschermd
|
| Bescheuren | Bescheurde | Bescheurd
|
BeschietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschoot, heeft beschoten; beschieting) 1 schieten op 2 (een oppervlak) bekleden
In Spaans overeenkomend met: Bombardear sBekogelen Bombarderen | Beschoot | Beschoten
|
BeschijnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bescheen, heeft beschenen; beschijning) 1 schijnen op, over
In Spaans overeenkomend met: Alumbrar sBelichten | Bescheen | Beschenen
|
BeschijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bescheet, heeft bescheten) 1 (vulgair) schijten op of in
| Bescheet | Bescheten
|
BeschikkenALLE betekenissen van dit woord: over (werkwoord; beschikte, heeft beschikt) 1 tot zijn dienst hebben, bij de hand hebben (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beschikte, heeft beschikt) 1 beslissen
In Spaans overeenkomend met: Disponer Establecer sBepalen Beschikken over Bevelen Disponeren Instellen | Beschikte | Beschikt
|
BeschilderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschilderde, heeft beschilderd; beschildering) 1 voorstellingen schilderen op
| Beschilderde | Beschilderd
|
BeschimmelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beschimmelde, is beschimmeld; beschimmeling) 1 schimmelig worden, zich met schimmel overdekken
In Spaans overeenkomend met: Enmohecerse sSchimmelen Verschimmelen | Beschimmelde | Beschimmeld
|
BeschimpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschimpte, heeft beschimpt; beschimping) 1 honen
In Spaans overeenkomend met: Injuriar, Insultar sSchimpen | Beschimpte | Beschimpt
|
BeschoeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschoeide, heeft beschoeid; beschoeiing) 1 (rivieroevers, kaden enz.) van een rechtopstaande wand voorzien tegen afkabbeling, uitspoeling en instorting
| Beschoeide | Beschoeid
|
BeschouwenALLE betekenissen van dit woord: als (werkwoord; beschouwde, heeft beschouwd) 1 op de genoemde wijze zien, beoordelen (overgankelijk werkwoord; beschouwde, heeft beschouwd; beschouwer, beschouwing) 1 beoordelen, overwegen 2 oplettend, aandachtig bezien 3 ambtshalve keuren 4 (visserij) zijn deel van de vangst krijgen
In Spaans overeenkomend met: Considerar, Tomar en consideración Contemplar sNagaan Overwegen Rekening houden met | Beschouwde | Beschouwd
|
| Beschreeuwen | Beschreeuwde | Beschreeuwd
|
| Beschreien | Beschreide | Beschreid
|
| Beschrijden | Beschreed | Beschreden
|
BeschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschreef, heeft beschreven; beschrijver, beschrijving) 1 schrijven op 2 een mondelinge of schriftelijke voorstelling van iets geven, door opsomming van kenmerken en bijzonderheden 3 een gebogen lijn trekken of een beweging maken volgens zo'n lijn
In Spaans overeenkomend met: Dibujar Describir
| Beschreef | Beschreven
|
BeschuldigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschuldigde, heeft beschuldigd; beschuldiging) 1 (iem.) verantwoordelijk stellen voor een vergrijp
In Spaans overeenkomend met: Acriminar, Culpar, Denunciar, Inculpar Acusar, Achacar, Imputar sAan de kaak stellen Aanklagen Betichten | Beschuldigde | Beschuldigd
|
BeschuttenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beschutte, heeft beschut; beschutting) 1 beschermen tegen wind, regen, zon enz.
In Spaans overeenkomend met: Abrigar, Amparar, Proteger, Resguardar sBehoeden Beschermen | Beschutte | Beschut
|
BeseffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besefte, heeft beseft) 1 zich realiseren
In Spaans overeenkomend met: Comprender, Entender Ser consciente, Tener conciencia de sBegrijpen Bevatten Omvatten Snappen Vatten Verstaan Zich bewust zijn Zich realiseren | Besefte | Beseft
|
BesjoemelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besjoemelde, heeft besjoemeld) 1 (informeel) bedriegen
| Besjoemelde | Besjoemeld
|
BeslaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; besloeg, is beslagen) 1 (van glanzende of heldere oppervlakten) met een waas, een condenslaag overtrokken worden (overgankelijk werkwoord; besloeg, heeft beslagen) 1 bekleden om het beter, mooier te maken 2 (een paard) ijzers onder de hoeven leggen 3 (ruimte) innemen, een omvang hebben van 4 (een boomstam) vierzijdig behakken om er een balk van te maken 5 (een stof) aanmengen met een vloeistof
In Spaans overeenkomend met: Ocupar espacio Herrar Guarnecer Empañarse ((ruiten),(vidrios)) Desempeñar, Ocupar sAanslaan Afzetten Bekleden Bezetten Bezig houden Garneren In beslag nemen Stofferen Uitmonsteren Vervullen | Besloeg | Beslagen
|
BeslapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besliep, heeft beslapen) 1 als bed gebruiken
| Besliep | Beslapen
|
BeslechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beslechtte, heeft beslecht; beslechting) 1 (twist, geschil, moeilijkheden) uit de weg ruimen door een vergelijk of door een gevecht 2 (techniek) vlak maken
| Beslechtte | Beslecht
|
BeslissenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; besliste, heeft beslist; beslissing) 1 vaststellen wat er gedaan moet worden 2 een bepaalde uitkomst doen hebben, de doorslag geven in
In Spaans overeenkomend met: Decidir, Decidirse sBesluiten Uitmaken Zich voornemen | Besliste | Beslist
|
BesluipenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besloop, heeft beslopen; besluiping) 1 sluipend (iem., iets) naderen om hem of het te overvallen
| Besloop | Beslopen
|
BesluitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besloot, heeft besloten) 1 (ook absoluut) beëindigen 2 (ook absoluut) kiezen wat er gedaan wordt 3 (archaïsch) concluderen, een gevolgtrekking maken als uitkomst van een redenering
In Spaans overeenkomend met: Decidir, Decidirse, Optar Acabar, Terminar Concluir, Sacar conclusión sAfleiden Afmaken Afsluiten Beslissen Beëindigen Concluderen Een gevolgtrekking maken Eindigen Opteren Overgaan Uitmaken Voleindigen Zich voornemen | Besloot | Besloten
|
BesmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besmeerde, heeft besmeerd; besmering) 1 met een halfvaste substantie bestrijken 2 bevuilen, besmeuren
In Spaans overeenkomend met: Engrasar, Untar sDoorsmeren Smeren | Besmeerde | Besmeerd
|
BesmettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besmette, heeft besmet; besmetting) 1 ziektekiemen overbrengen op 2 (iets kwalijks) op anderen overbrengen
In Spaans overeenkomend met: Infectar, Infestar Contaminar Contagiar sAansteken Infecteren Verpesten | Besmette | Besmet
|
BesmeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besmeurde, heeft besmeurd; besmeuring) 1 bevuilen
| Besmeurde | Besmeurd
|
BesnarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besnaarde, heeft besnaard; besnaring) 1 (een muziekinstrument, racket) van snaren voorzien
| Besnaarde | Besnaard
|
| Besneeuwen | Besneeuwde | Besneeuwd
|
BesnijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besneed, heeft besneden; besnijding) 1 door snijden vormen, bewerken 2 de voorhuid wegnemen bij
In Spaans overeenkomend met: Circuncidar
| Besneed | Besneden
|
BesnoeienALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; besnoeide, heeft besnoeid) 1 bezuinigen (overgankelijk werkwoord; besnoeide, heeft besnoeid) 1 kleiner maken, verminderen 2 (bomen, vooral heggen) door snoeien bewerken
In Spaans overeenkomend met: Destallar sSnoeien | Besnoeide | Besnoeid
|
BesnuffelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besnuffelde, heeft besnuffeld; besnuffeling) 1 snuffelend onderzoeken
In Spaans overeenkomend met: Olisquear
| Besnuffelde | Besnuffeld
|
BesodemieterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besodemieterde, heeft besodemieterd) 1 (informeel) bedriegen
| Besodemieterde | Besodemieterd
|
| Besommen | Besomde | Besomd
|
BespannenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespande, heeft bespannen; bespanning) 1 (iets) overspannen met weefsel, draden, snaren enz. 2 trekdieren spannen aan, voor
In Spaans overeenkomend met: Uncir sInspannen Optuigen Spannen Tuigen Voorspannen | Bespande | Bespannen
|
BesparenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespaarde, heeft bespaard; besparing) 1 minder gebruiken 2 achterwege laten
In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar sBezuinigen Sparen Uitsparen Uitwinnen Uitzuinigen | Bespaarde | Bespaard
|
BespattenIn Spaans overeenkomend met: Salpicar
| Bespatte | Bespat
|
BespelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespeelde, heeft bespeeld; bespeler, bespeling) 1 spelen op of in (een bepaalde plaats) 2 muziek maken op (een bepaald instrument) 3 invloed uitoefenen op
In Spaans overeenkomend met: Tañer sTrommelen | Bespeelde | Bespeeld
|
BespeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespeurde, heeft bespeurd; bespeuring) 1 onwillekeurig waarnemen
In Spaans overeenkomend met: Divisar Distinguir, Vislumbrar sDoorschemeren In de smiezen krijgen In het oog krijgen Onderkennen Onderscheiden Ontwaren Opmerken Oppervlakkig leren kennen | Bespeurde | Bespeurd
|
BespiedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespiedde, heeft bespied; bespieder, bespieding) 1 heimelijk iemands gangen nagaan
In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar sBeloeren Bespioneren Spieden Spioneren Verspieden | Bespiedde | Bespied
|
| Bespiegelen | Bespiegelde | Bespiegeld
|
BespijkerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespijkerde, heeft bespijkerd; bespijkering) 1 met spijkers beslaan
| Bespijkerde | Bespijkerd
|
BespikkelenIn Spaans overeenkomend met: Puntear
| Bespikkelde | Bespikkeld
|
BespionerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespioneerde, heeft bespioneerd) 1 bespieden
In Spaans overeenkomend met: Atisbar Acechar, Espiar sBeloeren Bespieden Op de uitkijk staan Spieden Spioneren Verspieden | Bespioneerde | Bespioneerd
|
BespoedigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespoedigde, heeft bespoedigd; bespoediging) 1 spoediger doen plaatshebben
In Spaans overeenkomend met: Acelerar, Activar, Adelantar, Apresurar sAccelereren Verhaasten Versnellen | Bespoedigde | Bespoedigd
|
| Bespoelen | Bespoelde | Bespoeld
|
BespottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespotte, heeft bespot; bespotter, bespotting) 1 spottend spreken of schrijven over
In Spaans overeenkomend met: Burlarse, Mofarse Ridiculizar sGekscheren Honen Spotten Uitlachen Zich vrolijk maken over | Bespotte | Bespot
|
BesprekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besprak, heeft besproken; bespreking) 1 spreken over 2 beoordelen, recenseren 3 tevoren voor zich bedingen
In Spaans overeenkomend met: Discutir, Hablar de, Tratar de Reseñar Conservar, Reservar sBehandelen Bepraten Boeken Openhouden Recenseren Reserveren Vrijhouden | Besprak | Besproken
|
| Besprengen | Besprengde | Besprengd
|
BesprenkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besprenkelde, heeft besprenkeld; besprenkeling) 1 natmaken door er druppels over te strooien
In Spaans overeenkomend met: Salpicar Asperjar, Hisopear, Rociar sBesproeien Sprenkelen Sproeien | Besprenkelde | Besprenkeld
|
BespringenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besprong, heeft besprongen; bespringer, bespringing) 1 zich met een sprong werpen op 2 onverhoeds aanvallen 3 (van mannelijke dieren) dekken
| Besprong | Besprongen
|
BesproeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besproeide, heeft besproeid; besproeiing) 1 met fijne druppels natmaken
In Spaans overeenkomend met: Regar Abrevar, Aguar Asperjar, Hisopear, Rociar Regar sArroser Arroseren Begieten Besprenkelen Bevloeien Gieten Sprenkelen Sproeien Water geven Wateren | Besproeide | Besproeid
|
| Bespugen | Bespuugde | Bespuugd
|
BespuitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bespoot, heeft bespoten; bespuiting) 1 natspuiten 2 (planten, aarde enz.) met een middel behandelen dat er door spuiten opgebracht wordt
| Bespoot | Bespoten
|
| Bespuwen | Bespuwde | Bespuwd
|
BestaanALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 het in wezen zijn, het er zijn 2 onderhoud door kostwinning van (werkwoord; bestond, heeft bestaan van) 1 leven, zich onderhouden uit, in (werkwoord; bestond, heeft bestaan uit, in) 1 inhouden, omvatten (onovergankelijk werkwoord; bestond, heeft bestaan) 1 in wezen zijn, er zijn
In Spaans overeenkomend met: Existir Consistir Atreverse sBerusten Durven Gegrond zijn Steunen Wagen | Bestond | Bestaan
|
BestedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besteedde, heeft besteed; besteding) 1 iets ergens aan uitgeven of voor inzetten
In Spaans overeenkomend met: Invertir Desembolsar, Gastar Dedicar sSpenderen Uitgeven Verteren | Besteedde | Besteed
|
| Besteken | Bestak | Bestoken
|
BestelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestal, heeft bestolen) 1 van eigendom beroven
In Spaans overeenkomend met: Hurtar, Robar sStelen Zich vergrijpen aan | Bestal | Bestolen
|
BestellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestelde, heeft besteld) 1 (ook absoluut) in een café, restaurant enz. vragen een consumptie, een maaltijd te brengen 2 bespreken, reserveren 3 aan huis bezorgen
In Spaans overeenkomend met: Ordenar Entregar, Suministrar Encargar, Hacer pedido Pedir sAanvragen Afleveren Bezorgen Inleveren Leveren Toevoeren | Bestelde | Besteld
|
BestemmenIn Spaans overeenkomend met: Designar, Destinar sAanwijzen Benoemen Uittrekken | Bestemde | Bestemd
|
BestempelenALLE betekenissen van dit woord: als (werkwoord; bestempelde, heeft bestempeld) 1 met een naam of titel aanduiden (overgankelijk werkwoord; bestempelde, heeft bestempeld; bestempeling) 1 een stempel drukken op
| Bestempelde | Bestempeld
|
BestendigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestendigde, heeft bestendigd; bestendiging) 1 laten voortduren, van kracht doen blijven
| Bestendigde | Bestendigd
|
BestervenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bestierf, is bestorven) 1 (van vlees) na het slachten enkele dagen op een koele plaats rijpen 2 (van stoffen) na een bewerking geheel tot rust komen, met name stijf en droog worden (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Bestierf | Bestorven
|
BestierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestierde, heeft bestierd; bestierder, bestiering) 1 (archaïsch) besturen, leiden
| Bestierde | Bestierd
|
BestijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besteeg, heeft bestegen; bestijger, bestijging) 1 klimmen op
In Spaans overeenkomend met: Ascender, Ascender a, Ascender al, Subir, Subir a Montar sBegaan Beklimmen Klimmen Naar boven gaan Opgaan Rijzen Stijgen | Besteeg | Bestegen
|
| Bestikken | Bestikte | Bestikt
|
| Bestippelen | Bestippelde | Bestippeld
|
| Bestippen | Bestipte | Bestipt
|
| Bestoelen | Bestoelde | Bestoeld
|
BestokenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestookte, heeft bestookt; bestoker, bestoking) 1 vijandelijk aanvallen, met name beschieten 2 het iem. lastig maken
In Spaans overeenkomend met: Hostilizar
| Bestookte | Bestookt
|
| Bestoppen | Bestopte | Bestopt
|
BestormenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestormde, heeft bestormd; bestormer, bestorming) 1 plotseling en met een grote menigte benaderen
In Spaans overeenkomend met: Asaltar, Atracar, Cargar
| Bestormde | Bestormd
|
| Bestorten | Bestortte | Bestort
|
BestraffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestrafte, heeft bestraft; bestraffer, bestraffing) 1 straf doen ondergaan, straffen 2 straf geven voor
In Spaans overeenkomend met: Enderezar Castigar sKastijden Straffen Verbeteren | Bestrafte | Bestraft
|
BestralenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestraalde, heeft bestraald; bestraler, bestraling) 1 met lichtstralen beschijnen 2 (geneeskunde) met radioactieve stralen behandelen 3 producten met behulp van gammastralen langer houdbaar maken
In Spaans overeenkomend met: Irradiar
| Bestraalde | Bestraald
|
BestratenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestraatte, heeft bestraat; bestrater, bestrating) 1 (een weg, plein, straat) met een laag stenen, tegels of asfalt bedekken
In Spaans overeenkomend met: Adoquinar, Empedrar sPlaveien | Bestraatte | Bestraat
|
BestrijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestreed, heeft bestreden; bestrijder, bestrijding) 1 in woord of geschrift strijden tegen 2 trachten een einde te maken aan 3 vechten tegen
In Spaans overeenkomend met: Contradecir, Discutir, Objetar Combatir Oponerse Protestar sAanvechten Beletten Betwisten Het opnemen tegen Protest aantekenen Protesteren Tegenspreken | Bestreed | Bestreden
|
BestrijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestreek, heeft bestreken; bestrijker, bestrijking) 1 kunnen bereiken 2 een vloeibare of zachte stof smeren op
In Spaans overeenkomend met: Pincelar
| Bestreek | Bestreken
|
BestrooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestrooide, heeft bestrooid; bestrooier, bestrooiing) 1 door strooien bedekken
In Spaans overeenkomend met: Esparcir, Espolvorear Empolvar, Empolvorar, Empolvorizar, Esparcir, Espolvorear, Salpicar, Sembrar sBepoederen Uitspreiden Verdelen | Bestrooide | Bestrooid
|
BestuderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestudeerde, heeft bestudeerd; bestudering) 1 met aandacht lezen en overwegen om de betekenis ten volle te begrijpen 2 aandachtig nagaan, onderzoeken
In Spaans overeenkomend met: Estudiar sStuderen | Bestudeerde | Bestudeerd
|
BestuivenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestoof, heeft bestoven; bestuiver, bestuiving) 1 door stuiven bedekken
| Bestoof | Bestoven
|
BesturenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestuurde, heeft bestuurd; bestuurder, besturing) 1 (een voer- of vaartuig) de gewenste richting doen volgen 2 (een werktuig) bedienen 3 (zaken van algemeen of groepsbelang) leiden, aan het hoofd staan van
In Spaans overeenkomend met: Administrar Dirigir Capitanear Cuidar la casa, Llevar la casa Gobernar, Regir, Subyugar Conducir sAanvoeren Administreren Beheren De scepter zwaaien Dirigeren Heersen Huishouden Mennen Regeren Richten Sturen Toedienen | Bestuurde | Bestuurd
|
BesuikerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; besuikerde, heeft besuikerd) 1 met suiker bestrooien
| Besuikerde | Besuikerd
|
BetalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; betaalde, heeft betaald; betaler, betaling) 1 (van zaken) geld opleveren (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; betaalde, heeft betaald) 1 (het verschuldigde bedrag) aan de rechthebbende geven 2 (geleverde goederen of diensten) ruilen tegen geld
In Spaans overeenkomend met: Aflojar, Pagar, Retribuir sDokken Storten Uitbetalen Uitkeren Voldoen | Betaalde | Betaald
|
BetamenALLE betekenissen van dit woord: (onpersoonlijk werkwoord; betaamde, heeft betaamd) 1 behoorlijk zijn
In Spaans overeenkomend met: Ser conforme, Ser decoroso Convenir, Ser conveniente sBehoren Gelegen komen Horen Passen Schikken Uitkomen Voegen | Betaamde | Betaamd
|
BetastenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betastte, heeft betast; betaster, betasting) 1 met de vingertoppen bevoelen 2 medisch onderzoeken door bevoelen en bekloppen
In Spaans overeenkomend met: Sobar Palpar sBevoelen Kneden Tasten Voelen | Betastte | Betast
|
BetegelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betegelde, heeft betegeld; betegeling) 1 (de wanden of de vloer) met tegels bedekken
| Betegelde | Betegeld
|
BetekenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betekende, heeft betekend) 1 als strekking, inhoud, bedoeling hebben 2 de genoemde waarde hebben 3 (juridisch) bekendmaken 4 tot gevolg hebben
In Spaans overeenkomend met: Requerir Apercibir, Significar sBeduiden Staan voor | Betekende | Betekend
|
| Betelen | Beteelde | Beteeld
|
BeterenIn de betekenis van: Teer smeren op => teren
| Beteerde | Beteerd
|
beterenIn de betekenis van: Beter worden => genezen
| Beterde | Gebeterd
|
BeteugelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beteugelde, heeft beteugeld; beteugeling) 1 in zijn vrije uiting, loop of beweging beperken
In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir Reportar sBedwingen Betomen In toom houden Inhouden Intomen Matigen Onderdrukken | Beteugelde | Beteugeld
|
BetichtenIn Spaans overeenkomend met: Acriminar, Denunciar, Inculpar Acusar, Achacar, Imputar sAan de kaak stellen Aanklagen Beschuldigen | Betichtte | Beticht
|
BetimmerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betimmerde, heeft betimmerd; betimmering) 1 van timmerwerk voorzien
| Betimmerde | Betimmerd
|
| Betingelen | Betingelde | Betingeld
|
BetitelenIn Spaans overeenkomend met: Etiquetar Tratar sAanspreken | Betitelde | Betiteld
|
| Betittelen | Betittelde | Betitteld
|
BetoelagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betoelaagde, heeft betoelaagd; betoelager, betoelaging) 1 (in België, niet algemeen) subsidiëren
| Betoelaagde | Betoelaagd
|
BetogenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; betoogde, heeft betoogd; betoger, betoging) 1 als deelnemer aan een demonstratie zijn standpunt, gevoelens kenbaar maken (overgankelijk werkwoord; betoogde, heeft betoogd) 1 trachten aan te tonen, aannemelijk willen maken
| Betoogde | Betoogd
|
BetomenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betoomde, heeft betoomd) 1 beteugelen
In Spaans overeenkomend met: Contener, Refrenar, Reprimir sBedwingen Beteugelen In toom houden Intomen | Betoomde | Betoomd
|
BetonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betoonde, heeft betoond) 1 blijk geven van
| Betoonde | Betoond
|
BetonnenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van beton gemaakt (overgankelijk werkwoord; betonde, heeft betond; betonner, betonning) 1 met tonnen afbakenen
| Betonde | Betond
|
BetoverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betoverde, heeft betoverd; betovering) 1 door toverij in zekere toestand brengen 2 op onweerstaanbare wijze bekoren
In Spaans overeenkomend met: Hechizar Embrujar en efigie, Hechizar en efigie Fascinar Cauterizar sBegoochelen Beheksen Fascineren | Betoverde | Betoverd
|
BetrachtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betrachtte, heeft betracht; betrachter, betrachting) 1 zich houden aan, in acht nemen
In Spaans overeenkomend met: Practicar sBeoefenen In de praktijk brengen Uitoefenen | Betrachtte | Betracht
|
| Betraliën | Betraliede | Betralied
|
BetrappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betrapte, heeft betrapt; betrapping) 1 (iem. die heimelijk iets doet) daarbij verrassen
In Spaans overeenkomend met: Atrapar Sorprender sSnappen Verrassen | Betrapte | Betrapt
|
BetredenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betrad, heeft betreden; betreder, betreding) 1 (formeel) zich begeven op of in
In Spaans overeenkomend met: Hollar, Pisar
| Betrad | Betreden
|
BetreffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betrof, heeft betroffen) 1 gaan over, tot onderwerp hebben
In Spaans overeenkomend met: Atañer, Concernir, Incumbir Referirse Relacionarse, Tener relación sAanbelangen Aangaan Gelden Raken Verkeren Zich verhouden | Betrof | Betroffen
|
BetrekkenALLE betekenissen van dit woord: bij, in (werkwoord; betrok, heeft betrokken) 1 bij iets een rol laten spelen (onovergankelijk werkwoord; betrok, is betrokken; betrekker, betrekking) 1 (van de lucht) met wolken bedekt raken 2 (van een gezicht e.d.) somber worden (overgankelijk werkwoord; betrok, heeft betrokken) 1 zijn intrek nemen in, zich vestigen in 2 (artikelen enz.) kopen
In Spaans overeenkomend met: Ocupar Incluir Enzarzar Embrollar, Enredar Encapotarse ((de lucht),(el cielo)), Nublarse sBevatten Bewonen Engageren In dienst nemen Insluiten Verstrikken Verwarren Verwikkelen | Betrok | Betrokken
|
BetreurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betreurde, heeft betreurd) 1 spijt, droefheid voelen over
In Spaans overeenkomend met: Lamentar Deplorar, Llorar sBejammeren Bewenen Spijt hebben van | Betreurde | Betreurd
|
BetrouwenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; betrouwde, heeft betrouwd) 1 (in België, niet algemeen) vertrouwen op (overgankelijk werkwoord; betrouwde, heeft betrouwd) 1 (in België, niet algemeen) vertrouwen
| Betrouwde | Betrouwd
|
BettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bette, heeft gebet) 1 deppen
In Spaans overeenkomend met: Mojar sDeppen | Bette | Gebet
|
BetuigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betuigde, heeft betuigd; betuiger, betuiging) 1 te kennen geven, uitdrukkelijk verklaren
In Spaans overeenkomend met: Afirmar, Asegurar Declarar Enunciar, Expresar sAangeven Bevestigen Declareren Opperen Uitdrukken Uiten Uitspreken Verklaren Verwoorden Verzekeren | Betuigde | Betuigd
|
| Betuinen | Betuinde | Betuind
|
BetuttelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betuttelde, heeft betutteld; betuttelaar, betutteling) 1 paternalistisch behandelen
| Betuttelde | Betutteld
|
BetwijfelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betwijfelde, heeft betwijfeld) 1 de juistheid van iets onzeker achten
| Betwijfelde | Betwijfeld
|
BetwistenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; betwistte, heeft betwist; betwister, betwisting) 1 strijd voeren over het bezit of de eigendom van 2 de onjuistheid betogen of het tegendeel staande houden van 3 ontzeggen
In Spaans overeenkomend met: Contradecir, Cuestionar, Discutir, Objetar Protestar sAanvechten Bestrijden Protest aantekenen Protesteren Tegenspreken | Betwistte | Betwist
|
BeugelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beugelde, heeft gebeugeld) 1 het beugelspel beoefenen
| Beugelde | Gebeugeld
|
| Beugen | Beugde | Gebeugd
|
BeukenALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 beukenhout (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van beukenhout gemaakt (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beukte, heeft gebeukt; beuker) 1 hard slaan
In Spaans overeenkomend met: Aporrear, Pegar, Zurrar sAfranselen Aftuigen | Beukte | Gebeukt
|
BeulenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beulde, heeft gebeuld) 1 hard werken, zich afmatten
| Beulde | Gebeuld
|
BeunhazenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beunhaasde, heeft gebeunhaasd) 1 het zonder de vereiste kennis en bevoegdheid uitoefenen van een vak
In Spaans overeenkomend met: Chafallar, Chapucear sKnoeien Modderen Verhaspelen Verknoeien Verprutsen | Beunhaasde | Gebeunhaasd
|
| Beurelen | Beurelde | Gebeureld
|
BeurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; beurde, heeft gebeurd) 1 tillen 2 (geld) innen
In Spaans overeenkomend met: Alzar, Levantar sHeffen Omhoogtrekken Ophalen Oprichten Tillen Verheffen Verhogen | Beurde | Gebeurd
|
BeuzelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; beuzelde, heeft gebeuzeld; beuzelaar) 1 kletsen 2 zich met kleinigheden bezighouden
| Beuzelde | Gebeuzeld
|
BevallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (beviel, is bevallen) baren, een kind ter wereld brengen 2 (beviel, heeft/is bevallen) overeenkomen met iemands smaak
In Spaans overeenkomend met: Dar a luz, Parir Engendrar Agradar, Gustar sAanstaan Baren Behagen Het leven schenken Prettig vinden Teweegbrengen Voortbrengen Zinnen | Beviel | Bevallen
|
BevangenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord; bevangener, meest bevangen; bevangenheid) 1 schuchter, verlegen (overgankelijk werkwoord; beving, heeft bevangen) 1 (van aandoeningen) overmeesteren
In Spaans overeenkomend met: Vencer sOverwinnen Verslaan Zegevieren | Beving | Bevangen
|
BevarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoer, heeft bevaren) 1 varen op, over 2 als lid van de bemanning varen op (een vaartuig)
| Bevoer | Bevaren
|
BevattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevatte, heeft bevat; bevatting) 1 omvatten, in zich sluiten 2 begrijpen
In Spaans overeenkomend met: Incluir Contener Caber Comprender, Entender, Penetrar, Penetrarse Concebir sBegrijpen Beseffen Betrekken Doorgronden Doorzien Een begrip vormen Houden Inhouden Insluiten Omvatten Snappen Vatten Verstaan Vervatten | Bevatte | Bevat
|
BevechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevocht, heeft bevochten; bevechter, bevechting) 1 vechtend verkrijgen 2 vechten tegen
| Bevocht | Bevochten
|
BeveiligenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beveiligde, heeft beveiligd; beveiliging) 1 onttrekken aan geweld, bedreiging, gevaar of schade
In Spaans overeenkomend met: Proteger, Resguardar sIn veiligheid brengen | Beveiligde | Beveiligd
|
BevelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beval, heeft bevolen) 1 (ook absoluut) (iets) nadrukkelijk aan iem. opdragen 2 (archaïsch) toevertrouwen
In Spaans overeenkomend met: Acaudillar Mandar, Ordenar Disponer Establecer sAanvoeren Bepalen Beschikken Commanderen Gelasten Het bevel voeren Instellen Sommeren Verordenen Voorschrijven | Beval | Bevolen
|
BevenALLE betekenissen van dit woord: voor (werkwoord; beefde, heeft gebeefd) 1 bang zijn voor (onovergankelijk werkwoord; beefde, heeft gebeefd; beving) 1 hevig trillen
In Spaans overeenkomend met: Temblar sBibberen Huiveren Rillen Trillen | Beefde | Gebeefd
|
BevestigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevestigde, heeft bevestigd; bevestiger, bevestiging) 1 vastmaken 2 overtuigender, sterker maken 3 zeggen dat iets is zoals gevraagd of verondersteld wordt 4 (iem.) plechtig in een rang, waardigheid installeren 5 (protestants) een huwelijk kerkelijk inzegenen
In Spaans overeenkomend met: Comprobar Afirmar Fijar Asegurar, Sujetar Asentir Confirmar Ratificar sBeamen Bekrachtigen Bepalen Betuigen Erkennen Fixeren Ja zeggen Ratificeren Staven Toestemmen Vastbinden Vastmaken Vaststellen Vastzetten Verstevigen Verzekeren Vormen | Bevestigde | Bevestigd
|
BevindenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevond, heeft bevonden; bevinding) 1 na waarneming tot de genoemde conclusie komen
In Spaans overeenkomend met: Comprobar, Constatar Encontrar, Hallar sAantreffen Constateren Treffen Vaststellen Vinden | Bevond | Bevonden
|
BevingerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevingerde, heeft bevingerd; bevingering) 1 met de vingers betasten 2 met de vingers vuilmaken
| Bevingerde | Bevingerd
|
BevissenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beviste, heeft bevist; bevisser, bevissing) 1 vissen in
| Beviste | Bevist
|
| Bevitten | Bevitte | Bevit
|
| Bevlaggen | Bevlagde | Bevlagd
|
BevlekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevlekte, heeft bevlekt; bevlekker, bevlekking) 1 vlekken maken op 2 schenden
In Spaans overeenkomend met: Emporcar, Ensuciar, Manchar sBevuilen Bezoedelen Verontreinigen Vuilmaken | Bevlekte | Bevlekt
|
| Bevliegen | Bevloog | Bevlogen
|
| Bevlijtigen | Bevlijtigde | Bevlijtigd
|
BevloeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevloeide, heeft bevloeid; bevloeier, bevloeiing) 1 (grond, een gebied) kunstmatig natmaken
In Spaans overeenkomend met: Aguar, Regar Abrevar sBegieten Besproeien Gieten Irrigeren Sproeien Water geven Wateren | Bevloeide | Bevloeid
|
BevloerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevloerde, heeft bevloerd; bevloering) 1 met een vloer of wat daartoe dient bedekken
| Bevloerde | Bevloerd
|
| Bevochten | Bevochtte | Bevocht
|
BevochtigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevochtigde, heeft bevochtigd; bevochtiger, bevochtiging) 1 een beetje natmaken
In Spaans overeenkomend met: Embeber Humedecer sDoordrenken Vochtig maken | Bevochtigde | Bevochtigd
|
BevoelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoelde, heeft bevoeld; bevoeling) 1 voelend onderzoeken
In Spaans overeenkomend met: Palpar sBetasten Tasten Voelen | Bevoelde | Bevoeld
|
BevolkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevolkte, heeft bevolkt; bevolking) 1 van volk voorzien 2 als bewoner leven op
In Spaans overeenkomend met: Poblar
| Bevolkte | Bevolkt
|
BevoogdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoogdde, heeft bevoogd; bevoogding) 1 (pejoratief) paternalistisch behandelen
| Bevoogdde | Bevoogd
|
BevoordelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoordeelde, heeft bevoordeeld; bevoordeling) 1 (iem.) begunstigen ten nadele van een ander
In Spaans overeenkomend met: Favorecer sBegunstigen Voorstaan Voortrekken | Bevoordeelde | Bevoordeeld
|
BevoorradenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoorraadde, heeft bevoorraad; bevoorrading) 1 van voorraden voorzien
In Spaans overeenkomend met: Abastecer, Proveer sLeveren Provianderen Spekken Voorzien van | Bevoorraadde | Bevoorraad
|
BevoorrechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevoorrechtte, heeft bevoorrecht; bevoorrechting) 1 een voorrecht of voorrechten schenken, boven anderen
In Spaans overeenkomend met: Privilegiar
| Bevoorrechtte | Bevoorrecht
|
BevorderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevorderde, heeft bevorderd; bevorderaar, bevordering) 1 de werking of ontwikkeling van iets begunstigen 2 in rang verhogen
In Spaans overeenkomend met: Impulsar Elevar Fomentar, Promover sAanzetten tot Koesteren Promoveren Stimuleren | Bevorderde | Bevorderd
|
BevrachtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevrachtte, heeft bevracht; bevrachter, bevrachting) 1 vracht laden in of op 2 een overeenkomst sluiten tot vervoer van goederen per schip of vliegtuig
In Spaans overeenkomend met: Fletar sAls vrachtgoed verzenden | Bevrachtte | Bevracht
|
BevragenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; bevraging) ¶ alleen in verbindingen
| Bevraagde, Bevroeg | Bevraagd
|
BevredigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevredigde, heeft bevredigd) 1 (ook absoluut) tot tevredenheid stemmen 2 geheel voldoen aan (een behoefte) 3 (iem.) helpen aan een orgasme
In Spaans overeenkomend met: Aplacar, Complacer sPaaien Tegemoetkomen aan Tevreden stellen Voldoen | Bevredigde | Bevredigd
|
BevreemdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevreemdde, heeft bevreemd; bevreemding) 1 (formeel) verbazen
In Spaans overeenkomend met: Admirar, Asombrar, Extrañar sVerbazen Verwonderen | Bevreemdde | Bevreemd
|
BevriezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bevroor, is bevroren; bevriezing) 1 (van vloeistoffen) door verlaging van de temperatuur veranderen in vaste stof 2 door vorst afkoelen tot onder 0 graden (overgankelijk werkwoord; bevroor, heeft bevroren) 1 handhaven op een bepaald peil
In Spaans overeenkomend met: Congelarse, Helarse Congelar, Helar sInvriezen | Bevroor | Bevroren
|
BevrijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevrijdde, heeft bevrijd; bevrijder, bevrijding) 1 de vrijheid teruggeven aan, vrij maken 2 verlossen van hetgeen hindert, kwelt
In Spaans overeenkomend met: Desahogar Libertar, Poner en libertad Liberar, Librar sAfhelpen Lenigen Loslaten Verlichten Verlossen Vrijlaten Vrijmaken | Bevrijdde | Bevrijd
|
BevroedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevroedde, heeft bevroed) 1 (formeel) vermoeden
| Bevroedde | Bevroed
|
BevruchtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevruchtte, heeft bevrucht; bevruchting) 1 bij een vrouwelijk wezen of organisme een vrucht doen ontstaan 2 tot scheppende werkzaamheid brengen
In Spaans overeenkomend met: Fecundar
| Bevruchtte | Bevrucht
|
BevuilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bevuilde, heeft bevuild; bevuiler, bevuiling) 1 vuilmaken
In Spaans overeenkomend met: Emporcar, Ensuciar, Manchar sBevlekken Bezoedelen Verontreinigen Vuilmaken | Bevuilde | Bevuild
|
| Bewaarheiden | Bewaarheidde | Bewaarheid
|
BewakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewaakte, heeft bewaakt; bewaker, bewaking) 1 toezicht houden op de veiligheid van 2 zorgen dat iem. niet ontsnapt 3 iets niet onbeperkt zijn gang laten gaan, in het oog houden
In Spaans overeenkomend met: Cuidar Custodiar, Guardar sBewaren De wacht hebben Hoeden Opletten Passen op Verplegen Waken over Zorgen voor | Bewaakte | Bewaakt
|
| Bewallen | Bewalde | Bewald
|
| Bewalmen | Bewalmde | Bewalmd
|
BewandelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewandelde, heeft bewandeld) 1 wandelen op of langs
In Spaans overeenkomend met: Seguir sBijhouden Opvolgen Volgen Voortvloeien | Bewandelde | Bewandeld
|
BewapenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewapende, heeft bewapend; bewapening) 1 van wapens voorzien
In Spaans overeenkomend met: Armar sWapenen | Bewapende | Bewapend
|
BewarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewaarde, heeft bewaard; bewaarder, bewaring) 1 niet wegdoen 2 (iets) in een bergplaats hebben om het ongeschonden te houden 3 in stand houden, niet verliezen 4 behoeden, beschermen 5 wegschrijven
In Spaans overeenkomend met: Conservar, Conservarse, Guardar Custodiar, Guardar Conservar Ocupar Preservar sBehoeden Behouden Bergen Beschermen Bewaken Conserveren De wacht hebben Hoeden Onderhouden Overhouden Waken over | Bewaarde | Bewaard
|
BewasemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewasemde, heeft bewasemd; bewaseming) 1 met wasem bedekken
| Bewasemde | Bewasemd
|
| Bewassen | Bewies | Bewassen
|
BewaterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewaterde, heeft bewaterd; bewatering) 1 met water natmaken
| Bewaterde | Bewaterd
|
BewegenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; bewoog, heeft bewogen) 1 (iem.) brengen tot een handeling in (werkwoord; bewoog, heeft bewogen) 1 omgang hebben met, vertoeven, optreden 2 (van geschreven of gesproken teksten) handelen over (onovergankelijk werkwoord; bewoog, heeft bewogen; beweging) 1 van plaats, stand of houding veranderen (overgankelijk werkwoord; bewoog, heeft bewogen) 1 van plaats, stand of houding doen veranderen 2 (werktuigen) aandrijven 3 ontroeren
In Spaans overeenkomend met: Conmover Accionar, Mover Moverse sAangrijpen Ontroeren Verroeren Zich bewegen Zich verroeren | Bewoog | Bewogen
|
BewegwijzerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewegwijzerde, heeft bewegwijzerd; bewegwijzering) 1 van wegwijzers voorzien
| Bewegwijzerde | Bewegwijzerd
|
BeweidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beweidde, heeft beweid; beweiding) 1 vee laten weiden op
| Beweidde | Beweid
|
BewenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beweende, heeft beweend; bewener, bewening) 1 wenen over, betreuren
In Spaans overeenkomend met: Deplorar, Llorar sBejammeren Betreuren | Beweende | Beweend
|
BewerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beweerde, heeft beweerd; bewering) 1 staande houden, zeggen dat iets zo is
In Spaans overeenkomend met: Aducir, Afirmar, Aseverar, Sostener sStellen Verzekeren | Beweerde | Beweerd
|
BewerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewerkte, heeft bewerkt; bewerker, bewerking) 1 veranderen om het voor een of ander doel geschikt te maken 2 hout, metaal e.d. versieren 3 (iem.) proberen te beïnvloeden
In Spaans overeenkomend met: Trabajar Beneficiar ((grond),(tierra)), Cultivar Elaborar, Labrar, Zapar ((het terrein bewerken),(zapar el terreno)) sVerwerken | Bewerkte | Bewerkt
|
BewerkstelligenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewerkstelligde, heeft bewerkstelligd; bewerkstelliging) 1 de uitvoering van iets tot stand brengen
In Spaans overeenkomend met: Realizar sRealiseren Uitvoeren Verrichten Verwerkelijken | Bewerkstelligde | Bewerkstelligd
|
BewierokenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewierookte, heeft bewierookt; bewieroker, bewieroking) 1 overdreven vleien, prijzen
| Bewierookte | Bewierookt
|
BewijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewees, heeft bewezen) 1 doen blijken dat iets is zoals beweerd of verondersteld werd 2 iem. een gunstige bejegening laten ondervinden
In Spaans overeenkomend met: Comprobar Argumentar, Argüir, Demostrar Probar sAantonen Adstrueren Staven Tonen Uitwijzen Waarmaken | Bewees | Bewezen
|
| Bewilligen | Bewilligde | Bewilligd
|
BewimpelenIn Spaans overeenkomend met: Paliar sBemantelen Maskeren Verbergen Verbloemen | Bewimpelde | Bewimpeld
|
BewolkenIn Spaans overeenkomend met: Nublar
| Bewolkte | Bewolkt
|
BewonderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewonderde, heeft bewonderd; bewonderaar, bewondering) 1 ontzag en waardering hebben voor 2 met ontzag en waardering kijken naar
In Spaans overeenkomend met: Admirar
| Bewonderde | Bewonderd
|
BewonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bewoonde, heeft bewoond; bewoner, bewoning) 1 wonen in of op
In Spaans overeenkomend met: Ocupar Habitar sBetrekken Inwonen | Bewoonde | Bewoond
|
| Bewustmaken | Maakte bewust | Bewustgemaakt
|
BezaaienALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; bezaaide, heeft bezaaid) 1 overdekken met een groot aantal gelijksoortige voorwerpen (overgankelijk werkwoord; bezaaide, heeft bezaaid; bezaaiing) 1 met zaad bestrooien
| Bezaaide | Bezaaid
|
| Bezakken | Bezakte | Bezakt
|
| Bezanden | Bezandde | Bezand
|
| Bezatten | Bezatte | Bezat
|
BezegelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezegelde, heeft bezegeld; bezegeling) 1 bekrachtigen 2 een zegel aanbrengen op
In Spaans overeenkomend met: Lacrar, Sellar sVerzegelen Zegelen | Bezegelde | Bezegeld
|
BezeilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Bezeilde | Bezeild
|
BezemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bezemde, heeft gebezemd) 1 met een bezem schoonvegen
In Spaans overeenkomend met: Barrer sAanvegen Opvegen Schoonvegen Vegen | Bezemde | Gebezemd
|
BezerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezeerde, heeft bezeerd) 1 onopzettelijk pijn doen
In Spaans overeenkomend met: Dañar, Herir
| Bezeerde | Bezeerd
|
BezettenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; bezette, heeft bezet) 1 voorzien van zaken die erop, eraan, erin of erom gezet worden (overgankelijk werkwoord; bezette, heeft bezet; bezetter, bezetting) 1 (een plaats of ruimte) innemen 2 (een gebied, land) als vreemde mogendheid met een legermacht in bedwang houden 3 (een gebouw e.d.) in beslag nemen om eisen kracht bij te zetten 4 (een plaats) bekleden 5 (muziek) een partij of rol vervullen
In Spaans overeenkomend met: Desempeñar, Ocupar sBekleden Beslaan Bezig houden In beslag nemen Vervullen | Bezette | Bezet
|
| Bezeveren | Bezeverde | Bezeverd
|
BezichtigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezichtigde, heeft bezichtigd; bezichtiging) 1 bezien, nauwkeurig beschouwen
| Bezichtigde | Bezichtigd
|
BezielenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezielde, heeft bezield; bezieler, bezieling) 1 inspireren 2 leven aan iets geven, tot leven wekken
In Spaans overeenkomend met: Entusiasmar Inspirar sEnthousiasmeren Inboezemen Inspireren | Bezielde | Bezield
|
BezienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezag, heeft bezien) 1 overwegen 2 bekijken
| Bezag | Bezien
|
BezigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezigde, heeft gebezigd; beziging) 1 (formeel) gebruiken
| Bezigde | Gebezigd
|
BezighoudenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; hield bezig, heeft beziggehouden) 1 zich ophouden met, tijd en inspanning besteden aan (overgankelijk werkwoord; hield bezig, heeft beziggehouden) 1 iemands aandacht in beslag nemen 2 werk verschaffen
In Spaans overeenkomend met: Ocupar
| Hield bezig | Beziggehouden
|
BezingenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezong, heeft bezongen; bezinger, bezinging) 1 in een lied of gedicht gewagen van, zingen over
| Bezong | Bezongen
|
BezinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bezonk, is bezonken; bezinking) 1 uit een vloeistof neerslaan 2 (van troebele vloeistoffen) helder worden door stilstaan 3 (van leerstof, ervaringen enz.) rustig overwogen en verwerkt worden
In Spaans overeenkomend met: Posarse
| Bezonk | Bezonken
|
BezinnenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bezon, heeft bezonnen; bezinning) 1 (archaïsch) nadenken
| Bezon | Bezonnen
|
BezittenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezat, heeft bezeten; bezitter) 1 in bezit hebben
In Spaans overeenkomend met: Poseer sErop nahouden Rijk zijn | Bezat | Bezeten
|
| Bezoden | Bezoodde | Bezood
|
BezoedelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezoedelde, heeft bezoedeld; bezoedelaar, bezoedeling) 1 bevlekken, besmetten
In Spaans overeenkomend met: Emporcar, Ensuciar, Manchar sBevlekken Bevuilen Verontreinigen Vuilmaken | Bezoedelde | Bezoedeld
|
BezoekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezocht, heeft bezocht; bezoeker) 1 (iem.) een bezoek brengen, naar iem. toe gaan om hem te zien, te spreken enz. 2 ergens heen gaan om iets te zien, te horen, te leren enz. 3 (archaïsch) beproeven, treffen
In Spaans overeenkomend met: Asistir a Ensayar, Probar Frecuentar Visitar sAfgaan Op de proef stellen Opzoeken Over de vloer komen | Bezocht | Bezocht
|
| Bezolderen | Bezolderde | Bezolderd
|
BezoldigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezoldigde, heeft bezoldigd; bezoldiging) 1 salaris geven aan
In Spaans overeenkomend met: Asalariar sSalariëren | Bezoldigde | Bezoldigd
|
| Bezomen | Bezoomde | Bezoomd
|
| Bezondigen | Bezondigde | Bezondigd
|
BezorgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezorgde, heeft bezorgd; bezorger, bezorging) 1 verschaffen 2 bij iem. veroorzaken 3 (goederen) op een bepaalde plaats brengen 4 (kopij voor een boek) voor uitgave gereed maken
In Spaans overeenkomend met: Aportar, Traer Facilitar Proporcionar Entregar sAanbrengen Aandragen Afleveren Bestellen Brengen Fourneren Inleveren Leveren Toevoeren Verschaffen | Bezorgde | Bezorgd
|
BezuinigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bezuinigde, heeft bezuinigd; bezuiniging) 1 door beperking uitsparen
In Spaans overeenkomend met: Ahorrar, Economizar sBesparen Sparen Uitsparen Uitwinnen Uitzuinigen | Bezuinigde | Bezuinigd
|
| Bezuipen | Bezoop | Bezopen
|
BezurenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Bezuurde | Bezuurd
|
BezwadderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezwadderde, heeft bezwadderd) 1 (archaïsch) bevuilen 2 (archaïsch) belasteren
| Bezwadderde | Bezwadderd
|
| Bezwalken | Bezwalkte | Bezwalkt
|
| Bezwangeren | Bezwangerde | Bezwangerd
|
BezwarenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezwaarde, heeft bezwaard) 1 de druk van een schuld doen voelen 2 drukken, hinderen
| Bezwaarde | Bezwaard
|
BezwendelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezwendelde, heeft bezwendeld) 1 tot slachtoffer van zwendel maken
| Bezwendelde | Bezwendeld
|
BezwerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bezwoer, heeft bezworen; bezweerder, bezwering) 1 met veel nadruk betogen 2 met veel nadruk verzoeken 3 door formules, woorden of gebaren in zijn macht brengen 4 nog tijdig afwenden, voorkomen
In Spaans overeenkomend met: Conjurar Jurar sUitbannen | Bezwoer | Bezworen
|
| Bezweten | Bezweette | Bezweet
|
BezwijkenALLE betekenissen van dit woord: voor (werkwoord; bezweek, is bezweken) 1 in kracht te kort schieten, geen weerstand meer bieden (onovergankelijk werkwoord; bezweek, is bezweken; bezwijking) 1 niet meer bestand zijn tegen 2 sterven
In Spaans overeenkomend met: Sucumbir a Desfallecer Sucumbir Finalizar Hundirse sOmkomen Onderdoen Ophouden Ophouden te bestaan Opraken Overweldigd worden Sterven Wijken Zich onderwerpen Zwichten | Bezweek | Bezweken
|
BezwijmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bezwijmde, is bezwijmd; bezwijming) 1 (formeel) flauwvallen
In Spaans overeenkomend met: Desmayarse, Desvanecerse sBewusteloos raken Flauwvallen In zwijm vallen | Bezwijmde | Bezwijmd
|
BeëdigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beëdigde, heeft beëdigd; beëdiging) 1 (iem.) de eed laten afleggen, een eed afnemen 2 (verklaringen enz.) door een eed bekrachtigen
In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Juramentar sDe eed afnemen van Een eed afnemen | Beëdigde | Beëdigd
|
BeëindigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beëindigde, heeft beëindigd; beëindiging) 1 doen ophouden, een einde maken aan
In Spaans overeenkomend met: Acabar, Finalizar, Terminar sAfmaken Afsluiten Besluiten Eindigen Uitmaken Voleindigen Voltooien | Beëindigde | Beëindigd
|
BeërvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beërfde, heeft beërfd) 1 (archaïsch) deelachtig worden
In Spaans overeenkomend met: Heredar sErven | Beërfde | Beërfd
|
BeïnvloedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beïnvloedde, heeft beïnvloed; beïnvloeding) 1 invloed uitoefenen op
In Spaans overeenkomend met: Influir sInvloed hebben op | Beïnvloedde | Beïnvloed
|
BibberenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bibberde, heeft gebibberd) 1 (van levende wezens) beven
In Spaans overeenkomend met: Temblequear, Tiritar Temblar sBeven Beven van de kou Huiveren Rillen Trillen | Bibberde | Gebibberd
|
BiddenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bad, heeft gebeden; bidder) 1 (van vogels) klapwiekend stilhangen in de lucht 2 (van meikevers) zich gereedmaken om op te vliegen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bad, heeft gebeden) 1 zich in een gebed richten tot God 2 dringend (iets) verzoeken
In Spaans overeenkomend met: Orar, Rezar
| Bad | Gebeden
|
BiechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; biechtte, heeft gebiecht) 1 (zijn zonden) in de biecht belijden
In Spaans overeenkomend met: Confesar
| Biechtte | Gebiecht
|
BiedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bood, heeft geboden) 1 (ook absoluut) (bij het kaartspel) aankondigen dat men het genoemde aantal slagen of punten meent te kunnen halen 2 (ook absoluut) in geld willen geven voor, een bod doen 3 toesteken, aanreiken, geven, opleveren 4 aanbieden
In Spaans overeenkomend met: Ofrecer, Proponer sAanbieden Uitloven Voordragen Voorslaan Voorstellen | Bood | Geboden
|
BietsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bietste, heeft gebietst; bietser) 1 (informeel) bedelen om, (iets) afbedelen 2 (informeel) (iets) lenen en niet teruggeven
| Bietste | Gebietst
|
BiezenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van bies gemaakt (overgankelijk werkwoord; biesde, heeft gebiesd) 1 een reepje stof ter versiering aanbrengen op 2 een sierlijntje aanbrengen op
| Biesde | Gebiesd
|
BiggelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; biggelde, heeft/is gebiggeld) 1 (van tranen) naar beneden stromen
| Biggelde | Gebiggeld
|
BiggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bigde, heeft gebigd) 1 (van zeugen) jongen
| Bigde | Gebigd
|
BijberekenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; berekende bij, heeft bijberekend; bijberekening) 1 boven een eerder bedrag in rekening brengen, extra berekenen
| Berekende bij | Bijberekend
|
BijbestellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bestelde bij, heeft bijbesteld) 1 nabestellen
| Bestelde bij | Bijbesteld
|
BijbetalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; betaalde bij, heeft bijbetaald; bijbetaling) 1 (een bedrag) betalen boven wat men reeds betaald heeft
In Spaans overeenkomend met: Pagar el suplemento
| Betaalde bij | Bijbetaald
|
BijblijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleef bij, is bijgebleven) 1 gelijk blijven, het tempo volhouden 2 in het geheugen blijven
| Bleef bij | Bijgebleven
|
BijboekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boekte bij, heeft bijgeboekt; bijboeking) 1 (posten) bij het overige boeken
In Spaans overeenkomend met: Consignar, Inscribir sBoeken Inschrijven Registreren | Boekte bij | Bijgeboekt
|
BijbouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bouwde bij, heeft bijgebouwd) 1 door bouwen aan het reeds bestaande toevoegen
| Bouwde bij | Bijgebouwd
|
BijbrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht bij, heeft bijgebracht) 1 (kennis) verschaffen, eigen laten maken 2 weer tot bewustzijn brengen
In Spaans overeenkomend met: Alegar Enseñar, Instruir Reanimar sAanhalen Aanvoeren Instrueren Leren Scholen | Bracht bij | Bijgebracht
|
BijdoenIn Spaans overeenkomend met: Añadir sBijmengen Bijvoegen Toegeven Toevoegen | Deed bij | Bijgedaan
|
BijdraaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; draaide bij, is bijgedraaid) 1 inschikkelijk, meegaand worden (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; draaide bij, heeft bijgedraaid) 1 (scheepvaart) de zeilen zo brassen dat het schip niet meer vooruitgaat
| Draaide bij | Bijgedraaid
|
BijdragenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; droeg bij, heeft bijgedragen) 1 bevorderlijk zijn (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; droeg bij, heeft bijgedragen) 1 als zijn aandeel inbrengen
In Spaans overeenkomend met: Aportar Contribuir
| Droeg bij | Bijgedragen
|
| Bijdrukken | Drukte bij | Bijgedrukt
|
| Bijeenbehoren | Behoorde bijeen | Bijeenbehoord
|
| Bijeenbinden | Bond bijeen | Bijeengebonden
|
| Bijeenblijven | Bleef bijeen | Bijeengebleven
|
BijeenbrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht bijeen, heeft bijeengebracht) 1 bij elkaar brengen
In Spaans overeenkomend met: Juntar, Unir Llevar sAaneenvoegen Medebrengen Meebrengen Meenemen Samenbrengen Samenvoegen Verenigen | Bracht bijeen | Bijeengebracht
|
BijeendrijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; dreef bijeen, is bijeengedreven) 1 komen samendrijven (overgankelijk werkwoord; dreef bijeen, heeft bijeengedreven) 1 tot een groep of geheel samendrijven
| Dreef bijeen | Bijeengedreven
|
BijeendringenIn Spaans overeenkomend met: Apiñar, Apiñarse
| Drong bijeen | Bijeengedrongen
|
| Bijeengaren | Gaarde bijeen | Bijeengegaard
|
| Bijeenhalen | Haalde bijeen | Bijeengehaald
|
BijeenhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield bijeen, heeft bijeengehouden) 1 zorgen dat hetgeen bijeen is, bijeen blijft
| Hield bijeen | Bijeengehouden
|
BijeenkomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam bijeen, is bijeengekomen) 1 met een doel samenkomen
In Spaans overeenkomend met: Reunirse sSamenkomen Vergaderen | Kwam bijeen | Bijeengekomen
|
| Bijeenleggen | Legde bijeen | Bijeengelegd
|
| Bijeenlopen | Liep bijeen | Bijeengelopen
|
| Bijeenpakken | Pakte bijeen | Bijeengepakt
|
| Bijeenpassen | Paste bijeen | Bijeengepast
|
BijeenrapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raapte bijeen, heeft bijeengeraapt; bijeenraping) 1 oprapen en bij elkaar doen
| Raapte bijeen | Bijeengeraapt
|
BijeenroepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; riep bijeen, heeft bijeengeroepen; bijeenroeper, bijeenroeping) 1 (personen) oproepen om bijeen te komen
In Spaans overeenkomend met: Convocar sConvoceren Oproepen Uitschrijven | Riep bijeen | Bijeengeroepen
|
| Bijeenschakelen | Schakelde bijeen | Bijeengeschakeld
|
| Bijeenscharrelen | Scharrelde bijeen | Bijeengescharreld
|
BijeenschrapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schraapte bijeen, heeft bijeengeschraapt) 1 door schrapen verzamelen
| Schraapte bijeen | Bijeengeschraapt
|
| Bijeensteken | Stak bijeen | Bijeengestoken
|
| Bijeentellen | Telde bijeen | Bijeengeteld
|
| Bijeentrommelen | Trommelde bijeen | Bijeengetrommeld
|
BijeenvoegenIn Spaans overeenkomend met: Juntar Componer sIneenzetten Samenstellen | Voegde bijeen | Bijeengevoegd
|
| Bijeenzetten | Zette bijeen | Bijeengezet
|
BijeenzijnALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; was bijeen, is bijeengeweest) 1 bij elkaar, samen zijn
| Was bijeen | Bijeengeweest
|
| Bijeenzitten | Zat bijeen | Bijeengezeten
|
| Bijeenzoeken | Zocht bijeen | Bijeengezocht
|
| Bijgeven | Gaf bij | Bijgegeven
|
| Bijgieten | Goot bij | Bijgegoten
|
| Bijgooien | Gooide bij | Bijgegooid
|
| Bijgroeien | Groeide bij | Bijgegroeid
|
BijhalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; haalde bij, heeft bijgehaald) 1 naderbij halen 2 (voedsel e.d.) aanvullen 3 (een cijfer bij delingen) aanhalen 4 (scheepvaart) de zeilen bijzetten
| Haalde bij | Bijgehaald
|
BijharkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; harkte bij, heeft bijgeharkt) 1 aanharken
| Harkte bij | Bijgeharkt
|
BijhebbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; had bij, heeft bijgehad) 1 (in België) bij zich hebben
| Had bij | Bijgehad
|
BijhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield bij, heeft bijgehouden) 1 houden bij iets anders 2 niet achterraken op 3 regelmatig werken aan
In Spaans overeenkomend met: Seguir Tener Llevar al día sBewandelen Bijwerken Houden Opvolgen Vasthouden Volgen Voortvloeien | Hield bij | Bijgehouden
|
BijkletsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; kletste bij, heeft bijgekletst) 1 bijpraten
| Kletste bij | Bijgekletst
|
BijkleurenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kleurde bij, is bijgekleurd) 1 wat kleur krijgen (overgankelijk werkwoord; kleurde bij, heeft bijgekleurd) 1 de kleur bijwerken van
| Kleurde bij | Bijgekleurd
|
BijklussenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kluste bij, heeft bijgeklust; bijklusser) 1 werk verrichten naast of buiten een officieel dienstverband om
| Kluste bij | Bijgeklust
|
BijknippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knipte bij, heeft bijgeknipt) 1 door knippen in een betere vorm brengen
| Knipte bij | Bijgeknipt
|
BijkomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam bij, is bijgekomen; bijkoming) 1 uit een flauwte of narcose ontwaken 2 herstellen van een grote inspanning
| Kwam bij | Bijgekomen
|
| Bijkopen | Kocht bij | Bijgekocht
|
BijkrabbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; krabbelde bij, is bijgekrabbeld) 1 (informeel) een achterstand inlopen 2 (informeel) (van zieken) langzamerhand wat beter worden (overgankelijk werkwoord; krabbelde bij, heeft bijgekrabbeld) 1 in vluchtig schrift bijvoegen
| Krabbelde bij | Bijgekrabbeld
|
BijladenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; laadde bij, heeft bijgeladen) 1 (ook absoluut) (iets) aan de lading toevoegen 2 de lading aanvullen van (een accu, batterij enz.)
| Laadde bij | Bijgeladen
|
| Bijlappen | Lapte bij | Bijgelapt
|
BijleggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; legde bij, heeft bijgelegd) 1 (ook absoluut) (het ontbrekende) bijbetalen 2 in der minne schikken
In Spaans overeenkomend met: Capear
| Legde bij | Bijgelegd
|
BijlerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; leerde bij, heeft bijgeleerd) 1 aan zijn kennis toevoegen
| Leerde bij | Bijgeleerd
|
BijleverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leverde bij, heeft bijgeleverd; bijlevering) 1 samen met iets anders afleveren
| Leverde bij | Bijgeleverd
|
BijlichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; lichtte bij, heeft bijgelicht; bijlichter, bijlichting) 1 het nodige licht laten schijnen bij
| Lichtte bij | Bijgelicht
|
| Bijliggen | Lag bij | Bijgelegen
|
| Bijlopen | Liep bij | Bijgelopen
|
BijmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte bij, heeft bijgemaakt) 1 als aanvulling maken, extra maken
| Maakte bij | Bijgemaakt
|
BijmengenIn Spaans overeenkomend met: Añadir sBijdoen Bijvoegen Toegeven Toevoegen | Mengde bij | Bijgemengd
|
BijmestenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; mestte bij, heeft bijgemest; bijmesting) 1 extra mest geven aan (een gewas)
| Mestte bij | Bijgemest
|
| Bijnemen | Nam bij | Bijgenomen
|
BijpassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; paste bij, heeft bijgepast) 1 (het aan een som ontbrekende) bijbetalen
In Spaans overeenkomend met: Suplir Pagar el suplemento sAanvullen Aanzuiveren Bijvoegen | Paste bij | Bijgepast
|
| Bijplaatsen | Plaatste bij | Bijgeplaatst
|
| Bijplakken | Plakte bij | Bijgeplakt
|
BijpleisterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; pleisterde bij, heeft bijgepleisterd) 1 (beschadigd of ontbrekend pleisterwerk) aanvullen
| Pleisterde bij | Bijgepleisterd
|
BijplussenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; pluste bij, heeft bijgeplust) 1 (politiek) extra overheidsgeld voor iets beschikbaar stellen
| Pluste bij | Bijgeplust
|
| Bijpompen | Pompte bij | Bijgepompt
|
BijpratenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; praatte bij, heeft bijgepraat) 1 pratende weer op de hoogte komen
| Praatte bij | Bijgepraat
|
BijpuntenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; puntte bij, heeft bijgepunt; bijpunting) 1 haar van uitstekende punten ontdoen 2 een scherpere punt geven
| Puntte bij | Bijgepunt
|
BijschavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schaafde bij, heeft bijgeschaafd; bijschaving) 1 door schaven afwerken, gladmaken 2 kleine gebreken bijwerken, herstellen in
| Schaafde bij | Bijgeschaafd
|
BijschenkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schonk bij, heeft bijgeschonken) 1 door schenken toevoegen
| Schonk bij | Bijgeschonken
|
| Bijschikken | Schikte bij | Bijgeschikt
|
BijschilderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schilderde bij, heeft bijgeschilderd) 1 (het beschadigde) door schilderen bijwerken
| Schilderde bij | Bijgeschilderd
|
BijscholenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoolde bij, heeft bijgeschoold; bijscholing) 1 aanvullende scholing geven
| Schoolde bij | Bijgeschoold
|
BijschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schreef bij, heeft bijgeschreven; bijschrijving) 1 (een bedrag) aan een bankrekening toevoegen 2 door schrijven bijhouden
| Schreef bij | Bijgeschreven
|
BijschuivenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoof bij, heeft bijgeschoven) 1 schuivend naderbij brengen
| Schoof bij | Bijgeschoven
|
BijslapenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 tekort aan slaap inhalen
| |
|
| Bijslepen | Sleepte bij | Bijgesleept
|
BijslijpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sleep bij, heeft bijgeslepen; bijslijper, bijslijping) 1 kleine gebreken wegwerken
| Sleep bij | Bijgeslepen
|
BijsluitenIn Spaans overeenkomend met: Adjuntar sInsluiten | Sloot bij | Bijgesloten
|
| Bijsmeden | Smeedde bij | Bijgesmeed
|
| Bijsmeren | Smeerde bij | Bijgesmeerd
|
BijsnijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sneed bij, heeft bijgesneden) 1 aan het gesnedene toevoegen 2 snijdend de juiste vorm geven aan
| Sneed bij | Bijgesneden
|
BijspelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speelde bij, heeft bijgespeeld) 1 (een kaart van de gevraagde kleur) spelen
| Speelde bij | Bijgespeeld
|
BijspijkerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spijkerde bij, heeft bijgespijkerd) 1 op het vereiste niveau brengen
| Spijkerde bij | Bijgespijkerd
|
BijspringenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sprong bij, heeft/is bijgesprongen) 1 (iem.) in gevaar of financiële nood te hulp komen
| Sprong bij | Bijgesprongen
|
BijstaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stond bij, heeft bijgestaan) 1 (scheepvaart) (van zeilen) uitgezet zijn (overgankelijk werkwoord; stond bij, heeft bijgestaan) 1 (iem.) helpen een doel te bereiken
In Spaans overeenkomend met: Asistir, Secundar, Socorrer Auxiliar, Ayudar Sufragar sAssisteren Baten Begunstigen Helpen Meehelpen Ter zijde staan Verzorgen | Stond bij | Bijgestaan
|
| Bijsteken | Stak bij | Bijgestoken
|
BijstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde bij, heeft bijgesteld; bijstelling) 1 in de juiste stand brengen 2 (regelingen, plannen enz.) lichtelijk aanpassen
In Spaans overeenkomend met: Ajustar sRectificeren Rechtzetten Verbeteren | Stelde bij | Bijgesteld
|
| Bijstoppen | Stopte bij | Bijgestopt
|
| Bijstorten | Stortte bij | Bijgestort
|
| Bijstrijken | Streek bij | Bijgestreken
|
BijsturenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stuurde bij, heeft bijgestuurd; bijsturing) 1 (een schip, een voertuig) de juiste koers laten behouden 2 (plannen, werkwijze enz.) naar de eis van de omstandigheden corrigeren
In Spaans overeenkomend met: Corregir sCorrigeren Verbeteren | Stuurde bij | Bijgestuurd
|
BijtankenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; tankte bij, heeft bijgetankt) 1 nieuwe voorraad vloeibare brandstof tanken 2 nieuwe kennis of nieuwe energie opdoen
| Tankte bij | Bijgetankt
|
BijtekenenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; tekende bij, heeft bijgetekend) 1 zich verbinden langer in dienst te blijven (overgankelijk werkwoord; tekende bij, heeft bijgetekend) 1 in een tekening bijwerken
| Tekende bij | Bijgetekend
|
BijtellenIn Spaans overeenkomend met: Sumar sAdderen Optellen | Telde bij | Bijgeteld
|
BijtenIn de betekenis van: Een bijt hakken
In Spaans overeenkomend met: sAantasten Beitsen Corroderen Happen Knauwen Uitbijten Uitvreten Wegvreten | Bijtte | Gebijt
|
BijtenIn de betekenis van: Er de tanden inzetten
In Spaans overeenkomend met: Corroer Morder sAantasten Beitsen Corroderen Happen Knauwen Uitbijten Uitvreten Wegvreten | Beet | Gebeten
|
BijtredenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; trad bij, is bijgetreden) 1 (in België) bijvallen, zich aansluiten bij
| Trad bij | Bijgetreden
|
BijtrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok bij, is bijgetrokken; bijtrekking) 1 gaandeweg zich herstellen 2 gaandeweg in een beter humeur komen (overgankelijk werkwoord; trok bij, heeft bijgetrokken) 1 naderbij of tot zich trekken
| Trok bij | Bijgetrokken
|
BijvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel bij, is bijgevallen) 1 zijn instemming betuigen
| Viel bij | Bijgevallen
|
BijverdienenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; verdiende bij, heeft bijverdiend) 1 naast zijn eigenlijke loon of salaris verdienen 2 een inkomen naast het inkomen van de kostwinner inbrengen
| Verdiende bij | Bijverdiend
|
BijvervenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; verfde bij, heeft bijgeverfd) 1 het nog niet geverfde of het beschadigde verven
| Verfde bij | Bijgeverfd
|
| Bijverzekeren | Verzekerde bij | Bijverzekerd
|
BijvijlenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vijlde bij, heeft bijgevijld) 1 door vijlen afwerken 2 op ondergeschikte punten verbeteren
| Vijlde bij | Bijgevijld
|
| Bijvoederen | Voederde bij | Bijgevoederd
|
BijvoegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voegde bij, heeft bijgevoegd; bijvoeging) 1 toevoegen
In Spaans overeenkomend met: Añadir Suplir sAanvullen Aanzuiveren Bijdoen Bijmengen Bijpassen Toegeven Toevoegen | Voegde bij | Bijgevoegd
|
| Bijvoeren | Voerde bij | Bijgevoerd
|
BijvullenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vulde bij, heeft bijgevuld; bijvuller, bijvulling) 1 door bijvoegen aanvullen
In Spaans overeenkomend met: Rellenar
| Vulde bij | Bijgevuld
|
BijwerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; werkte bij, heeft bijgewerkt; bijwerking) 1 netter afwerken, m.n. na veroudering of slijtage 2 extra werkzaamheden verrichten om het gezinsinkomen aan te vullen
In Spaans overeenkomend met: Completar, Llenar Retocar Actualizar, Llevar al día sAanvullen Actueel maken Afmaken Bijhouden Completeren Retoucheren Updaten Voleinden | Werkte bij | Bijgewerkt
|
| Bijwinnen | Won bij | Bijgewonnen
|
BijwonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; woonde bij, heeft bijgewoond; bijwoner, bijwoning) 1 opzettelijk aanwezig zijn bij
In Spaans overeenkomend met: Asistir, Asistir a, Estar presente, Presenciar sAanwezig zijn Aanwezig zijn bij Getuige zijn van Tegenwoordig zijn bij | Woonde bij | Bijgewoond
|
BijzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette bij, heeft bijgezet) 1 plaatsen bij 2 (een overledene) begraven in een grafkelder 3 (scheepvaart) (een zeil) uitspannen om dienst te laten doen 4 (spel) de inzet vermeerderen, verhogen
In Spaans overeenkomend met: Yuxtaponer
| Zette bij | Bijgezet
|
BijzittenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zat bij, heeft bijgezeten) 1 (in België, niet algemeen) bij iem. zitten of gaan zitten
| Zat bij | Bijgezeten
|
BikkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bikkelde, heeft gebikkeld; bikkelaar) 1 (sport) zich keihard inzetten
| Bikkelde | Gebikkeld
|
BikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bikte, heeft gebikt) 1 stukjes afhakken van 2 (informeel) eten
In Spaans overeenkomend met: Comer sEten Gebruiken Nuttigen Vreten | Bikte | Gebikt
|
BiljartenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; biljartte, heeft gebiljart; biljarter) 1 biljart spelen
In Spaans overeenkomend met: Jugar al billar
| Biljartte | Gebiljart
|
BillenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bilde, heeft gebild) 1 (een molensteen) voorzien van groeven
| Bilde | Gebild
|
BillijkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; billijkte, heeft gebillijkt; billijking) 1 billijk vinden, gepast achten
In Spaans overeenkomend met: Aprobar sBeamen Goedkeuren Toestemmen | Billijkte | Gebillijkt
|
| Bimbammen | Bimbamde | Gebimbamd
|
BindenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bond, heeft gebonden) 1 (van vloeistoffen) dik worden (overgankelijk werkwoord; bond, heeft gebonden) 1 (ook absoluut) een band of verbinding tot stand brengen 2 (een touw of dergelijk voorwerp) door het leggen van een knoop vastmaken 3 vastmaken door middel van een touw dat geknoopt wordt 4 (iem.) boeien 5 (iem.) in zijn vrijheid beperken 6 (boeken) in katernen opnaaien en in een band zetten 7 door vastknopen doen ontstaan 8 (een vloeistof) dik maken 9 (muziek) twee of meer noten (op een muziekblad) met een boogje koppelen of (bij het spelen) in elkaar over laten lopen 10 (scheikunde) een verbinding aangaan met
In Spaans overeenkomend met: Desleír, Espesar, Ligar Encuadernar Concentrar Atar, Ligar sAaneensluiten Aanlengen Aansluiten Dikker maken Inbinden Liéren Liëren Oplossen Vastbinden Vastmaken Verbinden Verdichten Verdikken | Bond | Gebonden
|
BingoënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bingode, heeft gebingood) 1 bingo spelen
| Bingode | Gebingood
|
| Binnenblijven | Bleef binnen | Binnengebleven
|
BinnenbrekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brak binnen, heeft binnengebroken) 1 (in België; informeel) inbreken
| Brak binnen | Binnengebroken
|
BinnenbrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht binnen, heeft binnengebracht) 1 binnenshuis, binnenskamers brengen
| Bracht binnen | Binnengebracht
|
BinnendoenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; deed binnen, heeft binnengedaan) 1 (in België, niet algemeen) (apparaten en machines) wegbrengen voor onderhoud of reparatie 2 (in België, niet algemeen) (documenten) inleveren 3 (in België; informeel) (iem.) versieren
| Deed binnen | Binnengedaan
|
| Binnendragen | Droeg binnen | Binnengedragen
|
BinnendringenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; drong binnen, is binnengedrongen; binnendringer, binnendringing) 1 zich min of meer met geweld toegang verschaffen tot
In Spaans overeenkomend met: Adentrarse Irrumpir, Irrumpir en Internar, Penetrar Calar Introducir sBinnenlaten Binnenvoeren Doordringen Dringen door Dringen in Een inval doen Een inval doen in Zich verdiepen | Drong binnen | Binnengedrongen
|
BinnendruppelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; druppelde binnen, is binnengedruppeld) 1 een voor een, met vrij grote tussenpozen binnenkomen
| Druppelde binnen | Binnengedruppeld
|
| Binnenduwen | Duwde binnen | Binnengeduwd
|
BinnenfietsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; fietste binnen, is binnengefietst) 1 fietsend binnengaan (overgankelijk werkwoord; fietste binnen, heeft binnengefietst) 1 (informeel) binnenhalen
| Fietste binnen | Binnengefietst
|
BinnengaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging binnen, is binnengegaan) 1 in een afgesloten of begrensde ruimte gaan
In Spaans overeenkomend met: Entrar, Montar sBinnenlopen Ingaan | Ging binnen | Binnengegaan
|
| Binnenglijden | Gleed binnen | Binnengegleden
|
BinnenglippenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; glipte binnen, is binnengeglipt) 1 behendig en ongemerkt binnenkomen
In Spaans overeenkomend met: Zamparse
| Glipte binnen | Binnengeglipt
|
BinnenhalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; haalde binnen, heeft binnengehaald) 1 binnen een ruimte halen 2 (een schip) in de haven halen 3 downloaden
In Spaans overeenkomend met: Recoger
| Haalde binnen | Binnengehaald
|
BinnenhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield binnen, heeft binnengehouden) 1 binnenshuis houden, niet uit laten gaan 2 verzwijgen 3 niet uitbraken
| Hield binnen | Binnengehouden
|
| Binnenklimmen | Klom binnen | Binnengeklommen
|
BinnenkomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam binnen, is binnengekomen) 1 in een genoemde of bedoelde ruimte komen 2 (van schepen) in de haven komen
In Spaans overeenkomend met: Entrar sInkomen | Kwam binnen | Binnengekomen
|
BinnenkrijgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kreeg binnen, heeft binnengekregen) 1 in het lichaam krijgen 2 ontvangen
In Spaans overeenkomend met: Tomar, Tragar sInnemen Inslikken | Kreeg binnen | Binnengekregen
|
| Binnenkruipen | Kroop binnen | Binnengekropen
|
BinnenlatenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; liet binnen, heeft binnengelaten) 1 binnen een zekere ruimte laten komen
In Spaans overeenkomend met: Dejar entrar Introducir sBinnendringen Binnenvoeren Inlaten | Liet binnen | Binnengelaten
|
BinnenleidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; leidde binnen, heeft binnengeleid) 1 naar binnen brengen
| Leidde binnen | Binnengeleid
|
| Binnenlokken | Lokte binnen | Binnengelokt
|
BinnenloodsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; loodste binnen, heeft binnengeloodst) 1 (een schip) uit volle zee op de rede of in de haven brengen 2 (iem.) met enige moeite of tersluiks ergens binnen weten te brengen
| Loodste binnen | Binnengeloodst
|
BinnenlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep binnen, is binnengelopen) 1 (van schepen en treinen) aankomen in, op 2 financieel succes boeken
In Spaans overeenkomend met: Entrar, Montar sBinnengaan Ingaan | Liep binnen | Binnengelopen
|
| Binnenmarcheren | Marcheerde binnen | Binnengemarcheerd
|
| Binnenpraten | Praatte binnen | Binnengepraat
|
| Binnenrennen | Rende binnen | Binnengerend
|
BinnenrijdenIn Spaans overeenkomend met: Entrar sInrijden | Reed binnen | Binnengereden
|
| Binnenrijven | Rijfde binnen | Binnengerijfd
|
BinnenroepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; riep binnen, heeft binnengeroepen) 1 iem. roepen om binnen te komen
| Riep binnen | Binnengeroepen
|
| Binnenrollen | Rolde binnen | Binnengerold
|
BinnenrukkenIn Spaans overeenkomend met: Invadir sBinnenvallen | Rukte binnen | Binnengerukt
|
BinnenschietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schoot binnen, heeft binnengeschoten) 1 (sport) (de bal) in het doel schieten
| Schoot binnen | Binnengeschoten
|
| Binnenschrijden | Schreed binnen | Binnengeschreden
|
BinnenslepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sleepte binnen, heeft binnengesleept) 1 door slepen binnenhalen 2 (een opdracht, overwinning e.d.) met moeite verwerven
| Sleepte binnen | Binnengesleept
|
| Binnensluipen | Sloop binnen | Binnengeslopen
|
BinnensmokkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smokkelde binnen, heeft binnengesmokkeld) 1 tegen de voorschriften in iets in een land binnenbrengen 2 in het geheim binnenbrengen
| Smokkelde binnen | Binnengesmokkeld
|
BinnenspelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speelde binnen, heeft binnengespeeld) 1 (in België; informeel) opeten
| Speelde binnen | Binnengespeeld
|
| Binnenstappen | Stapte binnen | Binnengestapt
|
| Binnenstomen | Stoomde binnen | Binnengestoomd
|
BinnenstormenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stormde binnen, is binnengestormd) 1 in vliegende vaart ergens binnenkomen
| Stormde binnen | Binnengestormd
|
BinnenstromenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stroomde binnen, is binnengestroomd) 1 in een stroom binnen een ruimte komen 2 in grote aantallen, ononderbroken binnenkomen
| Stroomde binnen | Binnengestroomd
|
BinnenstuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stoof binnen, is binnengestoven) 1 overhaast ergens binnenkomen
| Stoof binnen | Binnengestoven
|
BinnentredenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trad binnen, is binnengetreden) 1 (formeel) in een afgesloten of begrensde ruimte gaan
| Trad binnen | Binnengetreden
|
BinnentrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok binnen, is binnengetrokken) 1 (van troepen) in geregelde orde binnenkomen in
| Trok binnen | Binnengetrokken
|
BinnenvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel binnen, is binnengevallen) 1 onverwachts binnenkomen 2 (van schepen) noodgedwongen binnenkomen
In Spaans overeenkomend met: Invadir sBinnenrukken | Viel binnen | Binnengevallen
|
| Binnenvaren | Voer binnen | Binnengevaren
|
BinnenvliegenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; vloog binnen, is binnengevlogen) 1 vliegend binnenkomen
| Vloog binnen | Binnengevlogen
|
| Binnenvluchten | Vluchtte binnen | Binnengevlucht
|
BinnenvoerenIn Spaans overeenkomend met: Introducir sBinnendringen Binnenlaten | Voerde binnen | Binnengevoerd
|
BinnenwaaienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; waaide binnen/woei binnen, is binnengewaaid) 1 onverwachts binnenkomen
| Waaide binnen, Woei binnen | Binnengewaaid
|
| Binnenwandelen | Wandelde binnen | Binnengewandeld
|
BinnenwippenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; wipte binnen, is binnengewipt) 1 een kort bezoek brengen
| Wipte binnen | Binnengewipt
|
| Binnenzeilen | Zeilde binnen | Binnengezeild
|
BiologerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; biologeerde, heeft gebiologeerd) 1 fascineren
In Spaans overeenkomend met: Hipnotizar sHypnotiseren | Biologeerde | Gebiologeerd
|
BissenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; biste, heeft gebist; bisser) 1 (in België) (een school- of studiejaar) overdoen
| Biste | Gebist
|
BisserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bisseerde, heeft gebisseerd) 1 (een muziek- of zangstuk enz.) herhalen op verzoek van het publiek
| Bisseerde | Gebisseerd
|
| Bitteren | Bitterde | Gebitterd
|
BituminerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bitumineerde, heeft gebitumineerd) 1 met bitumen bedekken 2 bitumen toevoegen aan
| Bitumineerde | Gebitumineerd
|
BivakkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bivakkeerde, heeft gebivakkeerd) 1 de nacht ergens in de openlucht doorbrengen 2 ergens logeren
In Spaans overeenkomend met: Vivaquear
| Bivakkeerde | Gebivakkeerd
|
| Blaaskaken | Blaaskaakte | Geblaaskaakt
|
BladderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bladderde, heeft/is gebladderd) 1 bladders vormen
| Bladderde | Gebladderd
|
BladerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bladerde, heeft gebladerd) 1 de bladen van een boek vluchtig omslaan 2 browsen
In Spaans overeenkomend met: Hojear sDoorbladeren Ombladeren | Bladerde | Gebladerd
|
BlaffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blafte, heeft geblaft; blaffer) 1 het voor honden kenmerkende geluid laten horen 2 (informeel) zeer hard hoesten 3 (pejoratief) snauwen
In Spaans overeenkomend met: Ladrar
| Blafte | Geblaft
|
BlakenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; blaakte, heeft geblaakt) 1 overlopen van (onovergankelijk werkwoord; blaakte, heeft geblaakt) 1 gloeiende hitte afgeven
In Spaans overeenkomend met: Arder sGloeien | Blaakte | Geblaakt
|
BlakerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blakerde, heeft geblakerd; blakering) 1 schroeien
In Spaans overeenkomend met: Calcinar
| Blakerde | Geblakerd
|
BlamerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blameerde, heeft geblameerd) 1 te schande maken
In Spaans overeenkomend met: Comprometer sCompromitteren In opspraak brengen | Blameerde | Geblameerd
|
BlancherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; blancheerde, heeft geblancheerd) 1 (spijzen) enkele minuten opkoken of stomen voor de eigenlijke bereiding 2 (landbouw) (andijvie, selderie enz.) aanaarden en samenbinden, zodat ze geel en mals wordt
In Spaans overeenkomend met: Blanchir, Blanquear, Escaldar
| Blancheerde | Geblancheerd
|
BlankettenIn Spaans overeenkomend met: Maquillar sGrimeren Maquilleren Opmaken Schminken | Blankette | Geblanket
|
| Blaren | Blaarde | Geblaard
|
BlasfemerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blasfemeerde, heeft geblasfemeerd) 1 godslasteringen uiten
| Blasfemeerde | Geblasfemeerd
|
BlatenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blaatte, heeft geblaat; blater) 1 het voor schapen kenmerkende geluid laten horen
In Spaans overeenkomend met: Gritar, Ladrar, Rebuznar Balar sBalken Brullen Grommen Hinniken Loeien Schreeuwen | Blaatte | Geblaat
|
BlauwbekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blauwbekte, heeft geblauwbekt) 1 het vreselijk koud hebben
| Blauwbekte | Geblauwbekt
|
| Blauwen | Blauwde | Geblauwd
|
BlazenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blies, heeft geblazen; blazer) 1 krachtiger dan gewoonlijk uitademen door de mond, met enigszins getuite lippen 2 (van de wind) met kracht waaien 3 (van dieren) geluid geven door krachtig uitademen (overgankelijk werkwoord; blies, heeft geblazen) 1 (ook absoluut) (een melodie) spelen op een blaasinstrument 2 door blazen verplaatsen 3 door blazen vervaardigen 4 bij dammen, (een schijf van de tegenstander) van het bord nemen, omdat die niet geslagen heeft
In Spaans overeenkomend met: Soplar sUitblazen Waaien | Blies | Geblazen
|
BlekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bleekte, heeft gebleekt) 1 (ook absoluut) lichter, wit laten worden door zonlicht of kunstmiddelen 2 (landbouw) door wering van licht bleek opkweken
In Spaans overeenkomend met: Blanquear
| Bleekte | Gebleekt
|
| Blekken | Blekte | Geblekt
|
| Blerken | Blerkte | Geblerkt
|
BlesserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blesseerde, heeft geblesseerd) 1 bij sportbeoefening verwonden
| Blesseerde | Geblesseerd
|
BlievenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bliefde, heeft gebliefd) 1 lusten 2 wensen
| Bliefde | Gebliefd
|
BlijkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleek, is gebleken) 1 zich vertonen, duidelijk worden
In Spaans overeenkomend met: Evidenciarse, Resultar, Verse sDuidelijk worden Duidelijk zijn | Bleek | Gebleken
|
BlijvenALLE betekenissen van dit woord: bij (werkwoord; bleef, is gebleven) 1 volharden in (onovergankelijk werkwoord; bleef, is gebleven) 1 voortgaan te bestaan 2 doorgaan met, niet veranderen 3 voortgaan aanwezig te zijn 4 in genoemde positie of toestand raken (koppelwerkwoord) 1 voortgaan te zijn
In Spaans overeenkomend met: Continuar siendo, Seguir siendo Quedar Ahincar Permanecer, Quedarse sOverblijven Resten Resteren Toeven Verblijven Volharden | Bleef | Gebleven
|
BlikkenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van blik gemaakt (onovergankelijk werkwoord; blikte, heeft geblikt) 1 (formeel) kijken
In Spaans overeenkomend met: Mirar sBekijken Kijken Kijken naar Schouwen Toekijken Toezien | Blikte | Geblikt
|
BlikkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blikkerde, heeft geblikkerd; blikkering) 1 fel glinsteren
| Blikkerde | Geblikkerd
|
| Blikogen | Blikoogde | Geblikoogd
|
BliksemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bliksemde, heeft gebliksemd) 1 schitteren, flikkeren (onpersoonlijk werkwoord; bliksemde, heeft gebliksemd) 1 weerlichten, zich als bliksem vertonen
In Spaans overeenkomend met: Relampaguear sFlikkeren Flitsen | Bliksemde | Gebliksemd
|
| Bliktanden | Bliktandde | Gebliktand
|
BlinddammenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; damde blind, heeft blindgedamd) 1 een dampartij spelen zonder het bord te zien
| |
|
BlinddoekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blinddoekte, heeft geblinddoekt) 1 (iem.) een doek voor de ogen binden
| Blinddoekte | Geblinddoekt
|
| Blinden | Blindde | Geblind
|
BlinderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blindeerde, heeft geblindeerd; blindering) 1 met pantserplaten kogel- of bomvrij maken 2 aan het gezicht onttrekken
In Spaans overeenkomend met: Blindar sPantseren | Blindeerde | Geblindeerd
|
| Blindstaren | Staarde blind | Blindgestaard
|
| Blindtypen | Typte blind | Blindgetypt
|
| Blindvaren | Voer blind | Blindgevaren
|
| Blindvliegen | Vloog blind | Blindgevlogen
|
BlinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blonk, heeft geblonken; blinking) 1 glans, weerschijn afgeven (overgankelijk werkwoord; blonk, heeft geblonken) 1 (in België; informeel) (schoenen) poetsen
In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir, Relucir sGlanzen Glimmen Glinsteren Schijnen Schitteren | Blonk | Geblonken
|
BloedenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloedde, heeft gebloed; bloeding) 1 bloed verliezen
In Spaans overeenkomend met: Sangrar Desangrarse, Echar sangre
| Bloedde | Gebloed
|
BloeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloeide, heeft gebloeid) 1 bloemen voortbrengen 2 zich volledig ontplooien
In Spaans overeenkomend met: Florecer Prosperar sFloreren Gedijen Tieren Vooruitkomen Welvaren | Bloeide | Gebloeid
|
BloemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloemde, heeft gebloemd) 1 (van aardappels) kruimelen, kruimelig worden
| Bloemde | Gebloemd
|
| Bloemlezen | Bloemleesde | Gebloemleesd
|
BloemschikkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 het op esthetische wijze schikken van bloemen in vazen en bakken
| |
|
BloesemenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloesemde, heeft gebloesemd) 1 (formeel) (van bomen en struiken) bloeien
| Bloesemde | Gebloesemd
|
BloezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloesde, heeft gebloesd) 1 (van kledingstukken) bollend overhangen
| Bloesde | Gebloesd
|
BloggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blogde, heeft geblogd) 1 een blog bijhouden
| Blogde | Geblogd
|
| Blokdenken | |
|
BlokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blokte, heeft geblokt; blokker) 1 (informeel) ijverig studeren
| Blokte | Geblokt
|
BlokkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blokkeerde, is geblokkeerd) 1 tegengehouden worden, niet meer kunnen bewegen (overgankelijk werkwoord; blokkeerde, heeft geblokkeerd) 1 de doorgang versperren van 2 (geldmiddelen) aan de beschikking van de rechthebbende onttrekken 3 de beweging onmogelijk maken van 4 bij volleybal (een tegenspeler) het spelen beletten 5 een aanval van de tegenpartij boven het net afslaan door met de handen een blok te vormen
In Spaans overeenkomend met: Bloquear Impedir sBeletten Verhinderen Verhoeden Voorkomen | Blokkeerde | Geblokkeerd
|
BlokletterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blokletterde, heeft geblokletterd) 1 (in België) in grote krantenkoppen melden, koppen
| Blokletterde | Geblokletterd
|
BlokrijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 (van auto's) gegroepeerd rijden onder politiebegeleiding, als middel tegen filevorming
| |
|
| Blokzeilen | Blokzeilde | Geblokzeild
|
BlonderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blondeerde, heeft geblondeerd; blondering) 1 (het haar) kunstmatig blond maken 2 (meel) goudgeel bakken
| Blondeerde | Geblondeerd
|
| Blootgeven | Gaf bloot | Blootgegeven
|
BlootleggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; legde bloot/lei bloot, heeft blootgelegd; blootlegger, blootlegging) 1 vrij maken van hetgeen bedekt 2 openbaren
In Spaans overeenkomend met: Denudar, Exponer
| Legde bloot | Blootgelegd
|
BlootliggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; lag bloot, heeft blootgelegen) 1 open, zonder bedekking liggen
| Lag bloot | Blootgelegen
|
| Blootstaan | Stond bloot | Blootgestaan
|
BlootstellenIn Spaans overeenkomend met: Exhibir, Exponer, Presentar Exponer sEtaleren Kans lopen Op het spel zetten Risico lopen Riskeren Uitbrengen Uitstallen Wagen | Stelde bloot | Blootgesteld
|
| Blootwoelen | Woelde bloot | Blootgewoeld
|
| Bloten | Blootte | Gebloot
|
| Blouwen | Blouwde | Geblouwd
|
BlowenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blowde, heeft geblowd) 1 (informeel) marihuana of hasj roken
| Blowde | Geblowd
|
BlozenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bloosde, heeft gebloosd) 1 een blos op het gezicht hebben
In Spaans overeenkomend met: Ruborizarse, Sonrojarse, Sonrojearse Ponerse rojo sKleuren Rood worden | Bloosde | Gebloosd
|
BlubberenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blubberde, heeft geblubberd) 1 door de modder baggeren
| Blubberde | Geblubberd
|
BluffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blufte, heeft gebluft; bluffer) 1 opscheppen
In Spaans overeenkomend met: Embaucar Fanfarronear, Jactarse sOpscheppen Pochen Snoeven Snorken Stoffen Zwetsen | Blufte | Gebluft
|
BlunderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blunderde, heeft geblunderd) 1 een blunder begaan
| Blunderde | Geblunderd
|
BlussenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bluste, heeft geblust; blusser, blussing) 1 (vuur) doen ophouden, uitdoven 2 water toevoegen aan
In Spaans overeenkomend met: Apagar, Extinguir Apagar, Extinguir sDoven Uitblazen Uitblussen Uitdoen Uitdoven Uitmaken Uitschakelen | Bluste | Geblust
|
BlutsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; blutste, heeft geblutst) 1 een deuk slaan in
In Spaans overeenkomend met: Contundir, Contusionar sKneuzen | Blutste | Geblutst
|
BlèrenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; blèrde, heeft geblèrd) 1 (informeel) (van personen, vooral van kinderen) hard huilen 2 blaten
In Spaans overeenkomend met: Aullar sBrullen Bulderen Gillen Uitbrullen | Blèrde | Geblèrd
|
| Blèten | Blètte | Geblèt
|
BobbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bobbelde, is gebobbeld) 1 bobbels hebben
| Bobbelde | Gebobbeld
|
BobbenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bobde, heeft/is gebobd; bobber) 1 bobsleeën
| Bobde | Gebobd
|
| Bobberen | Bobberde | Gebobberd
|
| Bobijnen | Bobijnde | Gebobijnd
|
BobsleeënALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; bobsleeër) 1 (wintersport) met de bobslee glijden
| Bobsleede | Gebobsleed
|
| Bodemen | Bodemde | Gebodemd
|
BodyboardenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bodyboardde, heeft gebodyboard) 1 zich voortbewegen door de branding terwijl men op zijn buik op een soort kleine surfplank ligt
| Bodyboardde | Gebodyboard
|
BodybuildenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bodybuildde, heeft gebodybuild) 1 aan bodybuilding doen
| Bodybuildde | Gebodybuild
|
| Boegseren | Boegseerde | Geboegseerd
|
BoeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boeide, heeft geboeid) 1 (ook absoluut) de aandacht vasthouden van (iem.) 2 in boeien sluiten, vastbinden
| Boeide | Geboeid
|
BoekbindenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; boekbinder) 1 gebonden boeken vervaardigen uit losse of reeds ingenaaide gevouwen vellen
| |
|
BoekdrukkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; boekdrukker) 1 geschriften zetten en door de drukpers vermenigvuldigen
In Spaans overeenkomend met: Estampar, Imprimir sAfdrukken Drukken Printen | |
|
BoekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boekte, heeft geboekt; boeker, boeking) 1 aantekenen in een boekhouding 2 (een plaats voor een reis of verblijf) bespreken 3 behalen, oogsten
In Spaans overeenkomend met: Sentar Consignar Inscribir, Registrar Conservar, Reservar sAantekenen Bespreken Bijboeken Inschrijven Openhouden Opschrijven Registreren Reserveren Vastleggen Vrijhouden | Boekte | Geboekt
|
BoekhoudenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; boekhouder, boekhouding) 1 het volgens bepaalde regels administratief verwerken van de financiële gegevens van een bedrijf
In Spaans overeenkomend met: Llevar los libros
| Hield boek | Boekgehouden
|
BoekstavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boekstaafde, heeft geboekstaafd; boekstaving) 1 opschrijven, te boek stellen
| Boekstaafde | Geboekstaafd
|
| Boeleren | Boeleerde | Geboeleerd
|
BoemelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (boemelde, heeft geboemeld) zijn tijd doorbrengen met uitgaan 2 (boemelde, heeft/is geboemeld) met de stoptrein reizen
In Spaans overeenkomend met: Ir de juerga sAan de rol zijn Brassen Slempen Uitspatten Zwijnen | Boemelde | Geboemeld
|
BoenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; boende, heeft geboend) 1 (een meubelstuk) in de was zetten en glanzend wrijven 2 (een vloer) met een boender en water schrobben
In Spaans overeenkomend met: Fregar Frotar Lustrar, Pulimentar, Pulir sPoetsen Polijsten Schuren Uitschuren Wrijven Zoeten | Boende | Geboend
|
BoerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boerde, heeft geboerd) 1 als boer werken 2 geluid maken door oprisping van gassen uit de maag
In Spaans overeenkomend met: Eructar, Regoldar sOprispen | Boerde | Geboerd
|
| Boerten | Boertte | Geboert
|
BoetenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boette, heeft geboet) 1 (ook absoluut) een straf ondergaan 2 herstellen, repareren
In Spaans overeenkomend met: Remendar Expiar sBoete doen Flikken Lappen Oplappen Stoppen Verstellen | Boette | Geboet
|
BoetserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; boetseerde, heeft geboetseerd) 1 vormen uit kneedbaar materiaal
In Spaans overeenkomend met: Modelar
| Boetseerde | Geboetseerd
|
BoezemfibrillerenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 (geneeskunde) snel en zonder functie of regelmaat samentrekken van de hartboezem
| |
|
BoffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bofte, heeft geboft; boffer) 1 het gelukkig treffen
In Spaans overeenkomend met: Tener suerte sGeluk hebben Het treffen Zwijnen | Bofte | Geboft
|
| Bogen | Boogde | Geboogd
|
BokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bokte, heeft gebokt) 1 mokken omdat men zich verongelijkt voelt 2 (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
| Bokte | Gebokt
|
BoksenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bokste, heeft gebokst; bokser) 1 met de vuist vechten, als sport 2 (scheepvaart) tegen de wind zeilen
In Spaans overeenkomend met: Boxear
| Bokste | Gebokst
|
BokspringenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 (atletiek) op of over de bok springen
| |
|
BolderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bolderde, heeft/is gebolderd) 1 zich rammelend voortbewegen
| Bolderde | Gebolderd
|
BollenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (bolde, heeft gebold) bol gaan staan 2 (bolde, heeft/is gebold) (in België; informeel) rijden 3 (bolde, heeft/is gebold) (in België; informeel) (van voertuigen) rijden, rollen (overgankelijk werkwoord; bolde, heeft gebold) 1 (vlas) van de zaadbollen ontdoen 2 (dieren) doden door ze met een hamer voor de kop te slaan
| Bolde | Gebold
|
| Bolsteren | Bolsterde | Gebolsterd
|
BolwerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) 1 klaarspelen, uithouden
| Bolwerkte | Gebolwerkt
|
BombarderenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; bombardeerde, heeft gebombardeerd) 1 iem. onverwacht op een hoge post of tot een hoog ambt benoemen (overgankelijk werkwoord; bombardeerde, heeft gebombardeerd) 1 bommen of andere projectielen afvuren op
In Spaans overeenkomend met: Bombardear sBekogelen Beschieten | Bombardeerde | Gebombardeerd
|
BomberenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bombeerde, heeft gebombeerd) 1 bol maken
| Bombeerde | Gebombeerd
|
| Bomchecken | Bomcheckte | Gebomcheckt
|
BomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boomde, heeft geboomd) 1 (informeel) uitvoerig van gedachten wisselen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; boomde, heeft/is geboomd) 1 varen door het vaartuig in ondiep water met een vaarboom voort te duwen
| Boomde | Geboomd
|
| Bommelen | Bommelde | Gebommeld
|
BommenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bomde, heeft gebomd) 1 (van klokken) luiden
| Bomde | Gebomd
|
BonjourenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Bonjourde | Gebonjourd
|
BonkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (bonkte, heeft/is gebonkt) onopzettelijk of bij toeval hard tegen iem. of iets aankomen 2 (bonkte, heeft gebonkt) hard slaan 3 (bonkte, heeft gebonkt) (vulgair) vrijen, geslachtsgemeenschap hebben
In Spaans overeenkomend met: Golpear sBonzen Hengsten | Bonkte | Gebonkt
|
BonzenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bonsde, heeft gebonsd) 1 opzettelijk ergens met zware schokken tegenaan slaan 2 ergens onopzettelijk met zware schokken tegenaan komen, tegen terechtkomen 3 onstuimig kloppen, jagen
In Spaans overeenkomend met: Golpear sBonken Hengsten | Bonsde | Gebonsd
|
| Boodschappen | Boodschapte | Geboodschapt
|
BoogschietenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; boogschieter) 1 schieten met de boog, als sport
| |
|
BoordenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boordde, heeft geboord) 1 (kledingstukken) van een boord voorzien
| Boordde | Geboord
|
BoordroeienALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 manier van wedstrijdroeien waarbij elke roeier één lange riem hanteert
| |
|
BootenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bootte, heeft geboot) 1 een computer opstarten
| Bootte | Geboot
|
| Bootsen | Bootste | Gebootst
|
BordurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; borduurde, heeft geborduurd) 1 figuren, randen enz. met de naald aanbrengen op
In Spaans overeenkomend met: Bordar, Recamar
| Borduurde | Geborduurd
|
BorenALLE betekenissen van dit woord: naar (werkwoord; boorde, heeft geboord) 1 door boren zoeken naar (overgankelijk werkwoord; boorde, heeft geboord) 1 (ook absoluut) (een gat, hol) maken met een boor 2 met een boor bewerken
In Spaans overeenkomend met: Agujerear, Horadar
| Boorde | Geboord
|
BorgenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; borgde, heeft geborgd) 1 (een sluiting) beveiligen tegen losraken
| Borgde | Geborgd
|
| Borneren | Borneerde | Geborneerd
|
BorrelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; borrelde, heeft geborreld; borreling) 1 (van vloeistoffen) door opstijgende damp- of gasbellen in beweging zijn 2 borrels drinken
In Spaans overeenkomend met: Borbotear, Rebullir Hervir sKoken Op het kookpunt zijn Zieden | Borrelde | Geborreld
|
BorstelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; borstelde, heeft geborsteld) 1 met een borstel reinigen of gladstrijken
In Spaans overeenkomend met: Cepillar Bruzar, Cepillar sSchoonmaken Schuieren | Borstelde | Geborsteld
|
| Borstzwemmen | |
|
| Bosseleren | Bosseleerde | Gebosseleerd
|
BossenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boste, heeft gebost) 1 in bossen samenbinden
| Boste | Gebost
|
| Bostonnen | Bostonde | Gebostond
|
| Bostonneren | Bostonneerde | Gebostonneerd
|
BotaniserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; botaniseerde, heeft gebotaniseerd) 1 met een wetenschappelijk doel planten zoeken, verzamelen en determineren
| Botaniseerde | Gebotaniseerd
|
| Boten | Bootte | Geboot
|
BoterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boterde, heeft geboterd) 1 tot boter worden
| Boterde | Geboterd
|
BotsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; botste, heeft/is gebotst; botsing) 1 met kracht raken 2 in conflict komen met 3 (in België) stuiten
In Spaans overeenkomend met: Chocar
| Botste | Gebotst
|
BottelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bottelde, heeft gebotteld; bottelaar, botteling) 1 (vloeistof, drank) in flessen doen
In Spaans overeenkomend met: Envasar sVerpakken | Bottelde | Gebotteld
|
BottenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; botte, is gebot) 1 (van planten) knoppen krijgen
In Spaans overeenkomend met: Abotonar sSpruiten Uitbotten Uitschieten Uitspruiten | Botte | Gebot
|
BotvierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vierde bot, heeft botgevierd) 1 vrij spel laten
| Vierde bot | Botgevierd
|
BouderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; boudeerde, heeft geboudeerd) 1 mokken
| Boudeerde | Geboudeerd
|
BouwenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; bouwde, heeft gebouwd) 1 vertrouwen op (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bouwde, heeft gebouwd) 1 (iets) uit materialen en onderdelen tot een geheel samenvoegen
In Spaans overeenkomend met: Construir, Edificar Carpintear sAanleggen Construeren Ineenzetten Maken Opbouwen Timmeren | Bouwde | Gebouwd
|
BovenblijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleef boven, is bovengebleven) 1 boven water blijven
| Bleef boven | Bovengebleven
|
| Bovendrijven | Dreef boven | Bovengedreven
|
BovenhalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; haalde boven, heeft bovengehaald) 1 weer in de herinnering terughalen
| Haalde boven | Bovengehaald
|
| Bovenhouden | Hield boven | Bovengehouden
|
BovenkomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam boven, is bovengekomen) 1 aan de oppervlakte van het water komen 2 op een hogere verdieping komen 3 (van gevoelens, gedachten) in iem. opwellen
| Kwam boven | Bovengekomen
|
| Bovenkopen | Kocht boven | Bovengekocht
|
| Bovenlaten | Liet boven | Bovengelaten
|
BovenliggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; lag boven, heeft bovengelegen) 1 boven op iem. liggen 2 iem. de baas zijn
| Lag boven | Bovengelegen
|
BowlenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bowlde, heeft gebowld; bowler) 1 bowling spelen 2 bij cricket, de bal naar de batsman werpen
| Bowlde | Gebowld
|
BoycottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; boycotte, heeft geboycot) 1 uitsluiten van het verkeer, vooral van het handelsverkeer 2 (iem.) niet mee laten doen
In Spaans overeenkomend met: Boicotear
| Boycotte | Geboycot
|
BrabbelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; brabbelde, heeft gebrabbeld) 1 (iets) onverstaanbaar, verward of krom zeggen
| Brabbelde | Gebrabbeld
|
BradenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; braadde, heeft gebraden) 1 (vlees, spijzen) met vet of boter gaar maken, zó dat er een korst om komt en het sap erin blijft
In Spaans overeenkomend met: Asar, Rostizar Freír Asar, Tostar sBakken Branden Roosteren | Braadde | Gebraden
|
BrainstormenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brainstormde, heeft gebrainstormd; brainstormer, brainstorming) 1 spontaan ideeën of suggesties opperen ter oplossing van een of meer problemen
| Brainstormde | Gebrainstormd
|
BrainwashenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brainwashte, heeft gebrainwasht; brainwashing) 1 hersenspoelen
| Brainwashte | Gebrainwasht
|
BrakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; braakte, heeft gebraakt) 1 (genuttigde spijs of drank of lichaamssappen) ongewild door de mond naar buiten brengen 2 (vlas, hennep) na het roten kneuzen, breken
In Spaans overeenkomend met: Lanzar, Vomitar sKotsen Overgeven Spugen Vomeren | Braakte | Gebraakt
|
BrallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bralde, heeft gebrald; braller) 1 luid snoeven
| Bralde | Gebrald
|
BrandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brandde, heeft gebrand) 1 door vuur verteerd worden 2 (van licht- of warmtebronnen) functioneren door licht resp. warmte uit te stralen 3 gloeien, zeer heet aanvoelen (overgankelijk werkwoord; brandde, heeft gebrand) 1 door vuur doen verteren, met name voor verwarming of verlichting 2 door middel van vuur bewerken 3 door vuur verwonden 4 door middel van vuur doen ontstaan 5 (een cd) maken door er met laserstralen informatie op vast te leggen
In Spaans overeenkomend met: Tostar Achicharrar Arder, Quemarse Encender, Quemar Destilar Asar, Tostar sAan zijn Braden Bruinen Destilleren Distilleren Overhalen Roosteren Stoken Verbranden | Brandde | Gebrand
|
BrandmerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brandmerkte, heeft gebrandmerkt) 1 merken door het inbranden van een teken 2 stigmatiseren
In Spaans overeenkomend met: Marcar
| Brandmerkte | Gebrandmerkt
|
BrandschattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brandschatte, heeft gebrandschat; brandschatter, brandschatting) 1 in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
In Spaans overeenkomend met: Algarear, Saquear
| Brandschatte | Gebrandschat
|
BrandschilderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brandschilderde, heeft gebrandschilderd; brandschildering) 1 (glas) beschilderen met door verhitting gefixeerde kleuren 2 met een sterk verhitte staaf figuren aanbrengen op hout, fluweel, leer of andere stoffen
| Brandschilderde | Gebrandschilderd
|
BrandstichtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stichtte brand, heeft brandgesticht; brandstichter, brandstichting) 1 moedwillig brand veroorzaken
| Stichtte brand | Brandgesticht
|
| Braniën | Braniede | Gebranied
|
BrassenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; braste, heeft gebrast; brasser) 1 schransen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; braste, heeft gebrast) 1 (scheepvaart) (de ra's, de zeilen) door middel van de brassen richten
In Spaans overeenkomend met: Bracear Ir de juerga sAan de rol zijn Boemelen Slempen Uitspatten Zwijnen | Braste | Gebrast
|
| Braveren | Braveerde | Gebraveerd
|
| Breakdancen | Breakdancete | Gebreakdancet
|
BreakdansenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; breakdanste, heeft gebreakdanst) 1 acrobatisch dansen, ontwikkeld door straatdansers in de jaren tachtig van de twintigste eeuw
| Breakdanste | Gebreakdanst
|
BreeuwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; breeuwde, heeft gebreeuwd) 1 (scheepvaart) de naden in de huid van (vaartuigen, sluisdeuren enz.) met teer en geplozen touw dichtmaken
In Spaans overeenkomend met: Atascar, Calafatear sKalefateren Kalfateren | Breeuwde | Gebreeuwd
|
BreidelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; breidelde, heeft gebreideld; breideling) 1 de mond snoeren
| Breidelde | Gebreideld
|
BreienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; breide, heeft gebreid) 1 (sport) eindeloos met de bal combineren zonder tot een goede aanval te komen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; breide, heeft gebreid) 1 draden met lange naalden zodanig strikken dat zij een samenhangend geheel vormen 2 (netten) knopen
In Spaans overeenkomend met: Hacer punto de aguja
| Breide | Gebreid
|
BrekenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; brak, heeft gebroken) 1 zich ontdoen van (onovergankelijk werkwoord; brak, is gebroken; breker, breking) 1 kapotgaan door breuk 2 een doorgang, scheiding forceren 3 (van de jongensstem) wisselen 4 (natuurkunde) (van stralen) veranderen van richting (overgankelijk werkwoord; brak, heeft gebroken) 1 (iets dat een zekere mate van hardheid bezit) met meer of minder geweld in stukken vaneenscheiden 2 onopzettelijk oorzaak zijn dat iets stukgaat 3 tenietdoen 4 door breuk in de genoemde positie of toestand brengen 5 de loop, voortgang storen van (iets)
In Spaans overeenkomend met: Divorciarse Refractar Refractarse Estrellar, Quebrar, Romper, Trizar sAfbreken Doorbreken Scheiden Schenden Stukbreken Stukslaan Verbreken Verbrijzelen | Brak | Gebroken
|
BrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht, heeft gebracht; brenger) 1 (iets) persoonlijk vervoeren naar de persoon of plaats van bestemming 2 (iem.) begeleiden naar de persoon of plaats van bestemming 3 (iets) doen toekomen 4 in de genoemde positie of toestand doen komen 5 inkleden
In Spaans overeenkomend met: Aportar, Traer Conducir Llevar, Reportar sAanbrengen Aandragen Bezorgen Dragen Geleiden Leiden Vervoeren Voeren Wegbrengen | Bracht | Gebracht
|
BrevetterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brevetteerde, heeft gebrevetteerd) 1 (iem.) een brevet verlenen
| Brevetteerde | Gebrevetteerd
|
| Brevieren | Brevierde | Gebrevierd
|
BricolerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bricoleerde, heeft gebricoleerd) 1 (biljarten) via de band spelen
| Bricoleerde | Gebricoleerd
|
BridgenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bridgede/bridgete, heeft gebridged/gebridget; bridger) 1 bridge spelen
| Bridgede | Gebridged
|
BriefenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; briefte, heeft gebrieft; briefing) 1 mondeling instrueren
| Briefte | Gebrieft
|
BriesenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brieste, heeft gebriest) 1 tekeergaan 2 (van paarden) herhaald, kort afgebroken de adem tussen de lippen door uitstoten
In Spaans overeenkomend met: Berrear, Mugir, Rugir Resoplar sBrullen Bulken Loeien Snuiven Uitbrullen | Brieste | Gebriest
|
| Brijnen | Brijnde | Gebrijnd
|
| Brijzelen | Brijzelde | Gebrijzeld
|
BrillenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brilde, heeft gebrild) 1 een bril dragen
| Brilde | Gebrild
|
| Britsen | Britste | Gebritst
|
BrocherenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brocheerde, heeft gebrocheerd; brocheerder, brochering) 1 (een boek) innaaien
In Spaans overeenkomend met: Recamar Encuadernar en rústica sInnaaien | Brocheerde | Gebrocheerd
|
BroddelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; broddelde, heeft gebroddeld; broddelaar) 1 knoeien, prutsen
| Broddelde | Gebroddeld
|
| Brodden | Brodde | Gebrod
|
BroedenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; broedde, heeft gebroed) 1 (een plan) in het geheim beramen, uitdenken (onovergankelijk werkwoord; broedde, heeft gebroed; broeder) 1 (van vogels) eieren verwarmen om ze te laten uitkomen
In Spaans overeenkomend met: Empollar huevos, Incubar sBroeden op Koesteren | Broedde | Gebroed
|
BroeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; broeide, heeft gebroeid) 1 heet worden door gisting 2 in het geheim gaande zijn (overgankelijk werkwoord; broeide, heeft gebroeid) 1 (tuingewassen, vruchten enz.) in een broeikas vroeger doen bloeien of rijpen 2 (mout) in de broeikuip doen gisten
In Spaans overeenkomend met: Fomentar Aplicar fomentos Hacer un calor sofocante sBedekken met een warme omslag Pappen | Broeide | Gebroeid
|
BrokkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brokkelde, heeft/is gebrokkeld; brokkeling) 1 in brokken uiteenvallen (overgankelijk werkwoord; brokkelde, heeft gebrokkeld) 1 brokken
| Brokkelde | Gebrokkeld
|
BrokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Brokte | Gebrokt
|
BrommenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (bromde, heeft gebromd) een dof, laag grommend geluid voortbrengen 2 (bromde, heeft gebromd) mopperen 3 (bromde, heeft gebromd) (informeel) gevangen zitten 4 (bromde, heeft/is gebromd) op een bromfiets rijden (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bromde, heeft gebromd) 1 mompelen op lage toon
In Spaans overeenkomend met: Hablar bajo, Murmurar, Refunfuñar Canturrear, Ronronear, Zumbar sGonzen Mompelen Morren Mummelen Razen Ruisen Snorren Suizelen Suizen Tuiten Zoemen | Bromde | Gebromd
|
BronzenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van brons 2 bronskleurig (overgankelijk werkwoord; bronsde, heeft gebronsd; bronzing) 1 een bronskleur geven
| Bronsde | Gebronsd
|
| Broodbakken | Bakte brood | Broodgebakken
|
| Broodroven | Broodroofde | Gebroodroofd
|
BrossenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; broste, heeft gebrost; brosser) 1 (in België; informeel) spijbelen
| Broste | Gebrost
|
| Brouilleren | Brouilleerde | Gebrouilleerd
|
BrouwenIn de betekenis van: De r scherp uitspreken
In Spaans overeenkomend met: Arrastrar las erres
| Brouwde | Gebrouwd
|
BrouwenIn de betekenis van: Bier brouwen
| Brouwde | Gebrouwen
|
BrowsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; browsede/browsete, heeft gebrowsed/gebrowset; browser, browsing) 1 bestanden, webpagina's op een beeldscherm raadplegen, bekijken
| Browsete | Gebrowset
|
| Bruinbakken | Bakte bruin | Bruingebakken
|
BruinenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bruinde, is gebruind; bruining) 1 bruin worden (overgankelijk werkwoord; bruinde, heeft gebruind) 1 bruin maken
In Spaans overeenkomend met: Tostar Broncear sBranden Bruin maken Roosteren | Bruinde | Gebruind
|
BruinerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bruineerde, heeft gebruineerd) 1 bruin maken 2 (metalen voorwerpen) door de werking van zuren met een oxidelaag bedekken om het natuurlijke roesten te voorkomen
| Bruineerde | Gebruineerd
|
BruisenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bruiste, heeft gebruist) 1 hevig borrelen 2 levendig, opwindend zijn
In Spaans overeenkomend met: Zumbar Espumar sSchuimen Tintelen | Bruiste | Gebruist
|
BrullenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brulde, heeft gebruld; bruller) 1 het voor leeuwen, tijgers, stieren enz. kenmerkende geluid laten horen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; brulde, heeft gebruld) 1 zeer luid roepen
In Spaans overeenkomend met: Berrear, Bramar, Rugir Balar, Gritar, Ladrar, Rebuznar Ulular Aullar Mugir sBalken Blaten Blèren Briesen Bulderen Bulken Daveren Gillen Grommen Hinniken Loeien Schreeuwen Uitbrullen | Brulde | Gebruld
|
BrunchenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; brunchte, heeft gebruncht) 1 laat in de morgen een maaltijd gebruiken
| Brunchte | Gebruncht
|
BrutaliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brutaliseerde, heeft gebrutaliseerd) 1 (iem.) grof of met geweld bejegenen
| Brutaliseerde | Gebrutaliseerd
|
BruuskerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bruuskeerde, heeft gebruuskeerd) 1 (iem.) onheus bejegenen
| Bruuskeerde | Gebruuskeerd
|
BubbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bubbelde, heeft gebubbeld) 1 door een sterke stroom bellen vormen in een bad of zwembad
| Bubbelde | Gebubbeld
|
BudgetterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; budgetteerde, heeft gebudgetteerd; budgettering) 1 onderbrengen in een begroting
| Budgetteerde | Gebudgetteerd
|
BuffelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; buffelde, heeft gebuffeld; buffelaar) 1 (informeel) schransen, veel en gulzig eten
In Spaans overeenkomend met: Soplarse
| Buffelde | Gebuffeld
|
BufferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; bufferde, heeft gebufferd) 1 een voorraad aanleggen
| Bufferde | Gebufferd
|
| Buien | Buide | Gebuid
|
BuigenALLE betekenissen van dit woord: voor (werkwoord; boog, heeft gebogen) 1 onder dwang toegeven aan over (werkwoord; boog, heeft gebogen) 1 zich verdiepen in (onovergankelijk werkwoord; buiging) 1 (boog, heeft gebogen) een buiging maken 2 (boog, is gebogen) van de gewone stand, houding of richting afwijken (overgankelijk werkwoord; boog, heeft gebogen) 1 van de gewone, gewoonlijk rechte, stand, houding of richting doen afwijken
In Spaans overeenkomend met: Arquear, Encorvar Doblarse, Doblegarse Agachar, Inclinar Acurrucarse Curvar, Doblar, Enarcar Enarcarse Inclinarse sBukken Doen overhellen Doorbuigen Een buiging maken Krombuigen Krommen Kromtrekken Neigen Nijgen Ombuigen Verbuigen Zich buigen Zich bukken Zich krommen | Boog | Gebogen
|
BuikdansenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; buikdanser) 1 een buikdans uitvoeren
| |
|
BuiksprekenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; buikspreker) 1 spreken zonder beweging van de lippen
| |
|
BuilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; builde, heeft gebuild) 1 door middel van een buil zeven
| Builde | Gebuild
|
BuitelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; buitelaar, buiteling) 1 (buitelde, heeft/is gebuiteld) voor- of achterover over het hoofd omdraaien 2 (buitelde, is gebuiteld) failliet gaan
In Spaans overeenkomend met: Voltear sDuikelen Kopje duikelen Voltigeren | Buitelde | Gebuiteld
|
BuitengaanIn Spaans overeenkomend met: Salir
| Ging buiten | Buitengegaan
|
BuitengooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gooide buiten, heeft buitengegooid) 1 (in België; informeel) naar buiten gooien, op straat zetten 2 (in België; informeel) ontslaan 3 (in België; informeel) (iem.) eruit gooien of zetten, op straat zetten
| Gooide buiten | Buitengegooid
|
| Buitenkomen | Kwam buiten | Buitengekomen
|
| Buitenlaten | Liet buiten | Buitengelaten
|
BuitensluitenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sloot buiten, heeft buitengesloten; buitensluiting) 1 buiten een afgesloten plaats houden, niet binnenlaten 2 (iem.) uit een kring weren, niet laten meedoen
In Spaans overeenkomend met: Excluir sUitsluiten | Sloot buiten | Buitengesloten
|
BuitensmijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smeet buiten, heeft buitengesmeten) 1 (in België; spreektaal) buitengooien
| Smeet buiten | Buitengesmeten
|
| Buitenstaan | Stond buiten | Buitengestaan
|
BuitenwippenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; wipte buiten, heeft buitengewipt) 1 (in België; spreektaal) buitengooien
| Wipte buiten | Buitengewipt
|
BuitenzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette buiten, heeft buitengezet) 1 buiten de deur zetten
| Zette buiten | Buitengezet
|
BuitmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte buit, heeft buitgemaakt; buitmaking) 1 (kostbare zaken) te pakken krijgen
In Spaans overeenkomend met: Adquirir, Alcanzar, Conseguir, Obtener Pillar, Robar sBehalen Beroven Erin slagen om Kopen Krijgen Plunderen Roven Stropen Verkrijgen Verwerven | Maakte buit | Buitgemaakt
|
BuizenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (buisde, heeft gebuisd) (van zeilboten) de neiging hebbend opspattend water binnen te krijgen 2 (buisde, is gebuisd) (in België; informeel) zakken voor een examen (overgankelijk werkwoord; buisde, heeft gebuisd) 1 (in België; informeel) laten zaken voor een examen
| Buisde | Gebuisd
|
BukkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bukte, heeft gebukt) 1 het lichaam geheel vooroverbuigen met name om bij iets lagers te komen
In Spaans overeenkomend met: Acurrucarse sBuigen Zich bukken | Bukte | Gebukt
|
BulderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bulderde, heeft gebulderd; bulderaar) 1 razen, een sterk rommelend of dreunend geluid geven 2 op luidruchtige, ruwe manier spreken
In Spaans overeenkomend met: Aullar Mugir Bramar ((zee),(mar)), Tronar sBlèren Brullen Daveren Donderen Gillen Loeien Uitbrullen | Bulderde | Gebulderd
|
BulkenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; bulkte, heeft gebulkt) 1 barsten van, veel bezitten van (onovergankelijk werkwoord; bulkte, heeft gebulkt) 1 loeien (van rundvee)
In Spaans overeenkomend met: Berrear, Mugir, Rugir sBriesen Brullen Loeien Uitbrullen | Bulkte | Gebulkt
|
BulldozerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bulldozerde, heeft gebulldozerd) 1 met een bulldozer werken 2 (figuurlijk) over iets heen walsen
| Bulldozerde | Gebulldozerd
|
| Bulten | Bultte | Gebult
|
BundelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bundelde, heeft gebundeld; bundeling) 1 tot een bundel of bundels verenigen
| Bundelde | Gebundeld
|
BungelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bungelde, heeft gebungeld) 1 zwaaiend hangen
| Bungelde | Gebungeld
|
BunkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bunkerde, heeft gebunkerd) 1 de bunkers vullen, brandstof innemen 2 (informeel) schransen
In Spaans overeenkomend met: Hacer carbón sKolen innemen | Bunkerde | Gebunkerd
|
| Bureaucratiseren | Bureaucratiseerde | Gebureaucratiseerd
|
| Buren | Buurde | Gebuurd
|
BurlenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; burlde, heeft geburld) 1 (van herten) bronstig loeien
| Burlde | Geburld
|
| Busselen | Busselde | Gebusseld
|
| Bussen | Buste | Gebust
|
ButenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; buutte, heeft gebuut; buter) 1 bij het verstoppertjesspel de opgespoorde deelnemers melden bij het buut (bijwoord) zie buiten
| Buutte | Gebuut
|
ButsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; butste, heeft gebutst) 1 iets zo drukken of stoten, dat er een buts of deuk in komt
| Butste | Gebutst
|
BuurtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; buurtte, heeft gebuurt) 1 bij de buren een bezoek brengen, een praatje gaan maken
| Buurtte | Gebuurt
|