JachtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jachtte, heeft/is gejacht; jachter) 1 zich haasten 2 (formeel) (van de wolken) snel drijven.
In Spaans overeenkomend met: Apremiar, Urgir sDringen Dringend zijn Haasten Tot haast aanzetten Urgent zijn | Jachtte | Gejacht
|
| Jachtspringen | |
|
JagenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; jaagde/joeg, heeft gejaagd) 1 proberen te krijgen. (onovergankelijk werkwoord; jaagde/joeg, heeft gejaagd; jager) 1 wild achtervolgen om het buit te maken en te doden 2 snel gaan 3 (voetbal) druk uitoefenen op de tegenstander door hem proberen de bal afhandig te maken zodra hij in balbezit is 4 (sport) (van de achtervolgers) hardnekkig achter de koplopers aan zitten. (overgankelijk werkwoord; jaagde/joeg, heeft gejaagd) 1 maken dat iem., iets in de genoemde positie of toestand terechtkomt.
In Spaans overeenkomend met: Jalar Cazar, Montear ((jacht)) sBejagen Jacht maken op Najagen Opdrijven Voortdrijven | Jaagde, Joeg | Gejaagd
|
| Jakhalzen | Jakhalsde | Gejakhalsd
|
JakkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jakkerde, heeft/is gejakkerd; jakkeraar) 1 overmatig hard rijden.
| Jakkerde | Gejakkerd
|
JaknikkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; jaknikker) 1 bevestigend knikken.
| |
|
| Jalonneren | Jalonneerde | Gejalonneerd
|
JammenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jamde, heeft gejamd) 1 (muziek) aan een jamsession deelnemen.
| Jamde | Gejamd
|
JammerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jammerde, heeft gejammerd; jammeraar) 1 luidkeels klagen.
In Spaans overeenkomend met: Lamentarse
| Jammerde | Gejammerd
|
JankenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jankte, heeft gejankt; janker) 1 (vooral van honden en vossen) klaaglijk, in gerekte, hoge tonen schreeuwen 2 (informeel) huilen.
In Spaans overeenkomend met: Aullar
| Jankte | Gejankt
|
| Japen | Jaapte | Gejaapt
|
JassenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jaste, heeft gejast; jasser) 1 een kaartspel spelen . (overgankelijk werkwoord; jaste, heeft gejast) 1 (informeel) (aardappels) schillen.
In Spaans overeenkomend met: Descortezar, Mondar, Pelar sAfpellen Pellen Schillen | Jaste | Gejast
|
JattenALLE betekenissen van dit woord: (zelfstandig naamwoord, meervoud) 1 handen. (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; jatte, heeft gejat; jatter) 1 (informeel) stelen.
| Jatte | Gejat
|
| Jeinen | Jeinde | Gejeind
|
JengelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jengelde, heeft gejengeld) 1 dwingend huilen 2 eentonig, zeurend klinken.
| Jengelde | Gejengeld
|
JennenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; jende, heeft gejend; jenner) 1 (informeel) plagen.
| Jende | Gejend
|
JeremiërenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jeremieerde, heeft gejeremieerd) 1 jammeren.
| Jeremieerde | Gejeremieerd
|
| Jetskiën | Jetskiede | Gejetskied
|
Jeu-de-boulenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jeu-de-boulde, heeft gejeu-de-bould) 1 jeu de boules spelen.
| Jeu-de-boulde | Gejeu-de-bould
|
JeukenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jeukte, heeft gejeukt; jeuking) 1 het gevoel van jeuk geven.
In Spaans overeenkomend met: Escocer, Picar sKriebelen Krieuwelen Wriemelen | Jeukte | Gejeukt
|
| Jeuzelen | Jeuzelde | Gejeuzeld
|
JijenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Jijde | Gejijd
|
| Jobben | Jobde | Gejobd
|
JobhoppenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; jobhopper, jobhopping) 1 geregeld van baan veranderen.
| Jobhopte | Gejobhopt
|
JodelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jodelde, heeft gejodeld; jodelaar) 1 zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem, zoals vooral Alpenbewoners doen.
| Jodelde | Gejodeld
|
| Joechjachen | Joechjachte | Gejoechjacht
|
JoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; joelde, heeft gejoeld; joeler) 1 luidkeels zijn enthousiasme of afkeuring uiten.
In Spaans overeenkomend met: Gritar sGieren Roepen Schreeuwen | Joelde | Gejoeld
|
| Joepen | Joepte | Gejoept
|
| Joggelen | Joggelde | Gejoggeld
|
JoggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jogde, heeft/is gejogd; jogger) 1 (atletiek) hardlopen ten behoeve van de lichamelijke conditie.
In Spaans overeenkomend met: Hacer footing
| Jogde | Gejogd
|
| Joinen | Joinde | Gejoind
|
| Jojoën | Jojode | Gejojood
|
| Joken | Jookte | Gejookt
|
JokerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jokerde, heeft gejokerd) 1 een bepaald kaartspel spelen, waarin de joker een belangrijke rol heeft.
| Jokerde | Gejokerd
|
JokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jokte, heeft gejokt) 1 (eufemisme) liegen.
| Jokte | Gejokt
|
| Jolen | Joolde | Gejoold
|
| Jollen | Jolde | Gejold
|
JonassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; jonaste, heeft gejonast) 1 (iem.) aan armen en benen heen en weer slingeren of omhooggooien.
| Jonaste | Gejonast
|
JongenALLE betekenissen van dit woord: (de m ; jongens; jongetje) 1 kind van het mannelijk geslacht 2 (informeel) man 3 (archaïsch) vriend, geliefde . (onovergankelijk werkwoord; jongde, heeft gejongd) 1 (van dieren) jongen ter wereld brengen.
| Jongde | Gejongd
|
JonglerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jongleerde, heeft gejongleerd; jongleerder/jongleur) 1 evenwichtskunsten doen, vooral met messen, ballen enz. die men omhoog werpt en weer opvangt.
In Spaans overeenkomend met: Hacer juegos malabares
| Jongleerde | Gejongleerd
|
| Jonnen | Jonde | Gejond
|
JouenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen.
| Joude | Gejoud
|
JouwenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jouwde, heeft gejouwd) 1 kwetsend schreeuwen.
| Jouwde | Gejouwd
|
JubelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jubelde, heeft gejubeld) 1 juichen.
In Spaans overeenkomend met: Exultar, Jubilarse sJuichen Verblijden|Zich verblijden Verheugen|Zich verheugen Zich verblijden Zich verheugen | Jubelde | Gejubeld
|
JubilerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jubileerde, heeft gejubileerd) 1 een jubileum vieren.
| Jubileerde | Gejubileerd
|
JudassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; judaste, heeft gejudast) 1 (iem.) geniepig plagen.
| Judaste | Gejudast
|
JudoënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; judode, heeft gejudood) 1 het judo beoefenen.
| Judode | Gejudood
|
| Jufferen | Jufferde | Gejufferd
|
JuichenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; juichte, heeft gejuicht; juicher) 1 luid zijn vreugde uiten.
In Spaans overeenkomend met: Exultar sJubelen | Juichte | Gejuicht
|
| Jukken | Jukte | Gejukt
|
JurerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; jureerde, heeft gejureerd) 1 als jury optreden.
| Jureerde | Gejureerd
|
JusterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; justeerde, heeft gejusteerd) 1 (een instrument) juist stellen 2 controleren en tot de juiste maat, het juiste gewicht brengen.
| Justeerde | Gejusteerd
|
JuttenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; jutte, heeft gejut; jutter) 1 (op het strand aangespoeld materiaal) zoeken of zich toe-eigenen.
| Jutte | Gejut
|