SabbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sabbelde, heeft gesabbeld; sabbelaar) 1 beurtelings likken en zuigen aan iets
| Sabbelde | Gesabbeld
|
| Sabberen | Sabberde | Gesabberd
|
SabelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sabelde, heeft gesabeld) 1 hakken met een sabel
| Sabelde | Gesabeld
|
SaboterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; saboteerde, heeft gesaboteerd; saboteur, sabotage) 1 belemmeren uit protest
In Spaans overeenkomend met: Sabotear
| Saboteerde | Gesaboteerd
|
SacrerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sacreerde, heeft gesacreerd) 1 wijden
| Sacreerde | Gesacreerd
|
SacrifiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie sacrificeren
| Sacrifieerde | Gesacrifieerd
|
SakkerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sakkerde, heeft gesakkerd) 1 (in België) mopperen, foeteren, vloeken
| Sakkerde | Gesakkerd
|
SalariërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; salarieerde, heeft gesalarieerd; salariëring) 1 een salaris verlenen 2 een salaris verbinden aan (een functie)
In Spaans overeenkomend met: Asalariar sBezoldigen | Salarieerde | Gesalarieerd
|
SalderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; saldeerde, heeft gesaldeerd; saldering) 1 (economie) het saldo opmaken van
In Spaans overeenkomend met: Saldar sAfsluiten Vereffenen | Saldeerde | Gesaldeerd
|
SaluerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; salueerde, heeft gesalueerd) 1 groeten op voorgeschreven wijze bij militairen
| Salueerde | Gesalueerd
|
| Samenballen | Balde samen | Samengebald
|
SamenbindenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bond samen, heeft samengebonden; samenbinding) 1 door binden tot een geheel verenigen
| Bond samen | Samengebonden
|
| Samenblijven | Bleef samen | Samengebleven
|
| Samenbouwen | Bouwde samen | Samengebouwd
|
SamenbrengenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bracht samen, heeft samengebracht; samenbrenging) 1 bijeenbrengen, tot een geheel voegen
In Spaans overeenkomend met: Juntar, Unir sAaneenvoegen Bijeenbrengen Samenvoegen Verenigen | Bracht samen | Samengebracht
|
SamenbundelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; bundelde samen, heeft samengebundeld; samenbundeling) 1 tot een bundel verenigen
| Bundelde samen | Samengebundeld
|
SamendoenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; deed samen, heeft samengedaan) 1 (informeel) samen met iem. handelen of iets samen delen (overgankelijk werkwoord; deed samen, heeft samengedaan) 1 bij elkaar doen, verenigen
| Deed samen | Samengedaan
|
SamendrijvenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; dreef samen, heeft samengedreven) 1 bij elkaar drijven
| Dreef samen | Samengedreven
|
SamendringenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; drong samen, is samengedrongen) 1 door dringen dichter bij elkaar komen
| Drong samen | Samengedrongen
|
SamendrommenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; dromde samen, is samengedromd) 1 zich tot een drom verenigen
In Spaans overeenkomend met: Agolparse sOpeendringen | Dromde samen | Samengedromd
|
SamendrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; drukte samen, heeft samengedrukt; samendrukking) 1 in elkaar drukken
In Spaans overeenkomend met: Prensar Comprimir sIneendringen Ineendrukken Samenknijpen Uitpersen | Drukte samen | Samengedrukt
|
| Samenflansen | Flanste samen | Samengeflanst
|
SamengaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging samen, is samengegaan) 1 gepaard gaan, bij elkaar passen 2 fuseren
| Ging samen | Samengegaan
|
SamengroeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; groeide samen, is samengegroeid; samengroeiing) 1 aan elkaar of in elkaar groeien, tot één geheel groeien
| Groeide samen | Samengegroeid
|
SamenhangenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hing samen, heeft samengehangen) 1 in verband tot elkaar staan 2 (natuurkunde) tot een geheel verbonden zijn
| Hing samen | Samengehangen
|
SamenhokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hokte samen, heeft samengehokt) 1 in een kleine ruimte bij elkaar wonen
| Hokte samen | Samengehokt
|
SamenhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield samen, heeft samengehouden) 1 bij, aan elkaar houden
| Hield samen | Samengehouden
|
| Samenklappen | Klapte samen | Samengeklapt
|
SamenklemmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; klemde samen, heeft samengeklemd; samenklemming) 1 op elkaar of in elkaar klemmen
| Klemde samen | Samengeklemd
|
| Samenkleven | Kleefde samen | Samengekleefd
|
SamenklinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; klonk samen, heeft samengeklonken; samenklinking) 1 harmoniëren (overgankelijk werkwoord; klonk samen, heeft samengeklonken) 1 door klinken aan elkaar hechten
| Klonk samen | Samengeklonken
|
SamenklonterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; klonterde samen, is samengeklonterd; samenklontering) 1 in klonters aan elkaar zitten
| Klonterde samen | Samengeklonterd
|
SamenknijpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; kneep samen, heeft samengeknepen) 1 dichter bij elkaar knijpen
In Spaans overeenkomend met: Comprimir sIneendringen Ineendrukken Samendrukken | Kneep samen | Samengeknepen
|
SamenknopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; knoopte samen, heeft samengeknoopt) 1 knopend aan elkaar hechten
| Knoopte samen | Samengeknoopt
|
SamenkoekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; koekte samen, is samengekoekt) 1 samenklonteren
| Koekte samen | Samengekoekt
|
SamenkomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; kwam samen, is samengekomen) 1 bij elkaar komen
In Spaans overeenkomend met: Convergir Confluir, Juntarse Reunirse sBijeenkomen Convergeren Samenlopen Vergaderen | Kwam samen | Samengekomen
|
SamenkoppelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; koppelde samen, heeft samengekoppeld; samenkoppeling) 1 door een koppeling aan elkaar verbinden
| Koppelde samen | Samengekoppeld
|
| Samenkrimpen | Kromp samen | Samengekrompen
|
SamenlevenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; leefde samen, heeft samengeleefd; samenleving) 1 met elkaar, in een gemeenschap leven 2 als partners met elkaar leven
In Spaans overeenkomend met: Convivir sSamenwonen | Leefde samen | Samengeleefd
|
SamenlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep samen, is samengelopen) 1 zich in een punt verenigen
In Spaans overeenkomend met: Convergir sConvergeren Samenkomen | Liep samen | Samengelopen
|
| Samenpakken | Pakte samen | Samengepakt
|
SamenpersenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; perste samen, heeft samengeperst; samenpersing) 1 in elkaar persen
In Spaans overeenkomend met: Fruncir
| Perste samen | Samengeperst
|
SamenproppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; propte samen, heeft samengepropt; samenpropping) 1 tot een prop in elkaar drukken
| Propte samen | Samengepropt
|
SamenrapenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; raapte samen, heeft samengeraapt; samenraping) 1 van verschillende kanten bij elkaar brengen
| Raapte samen | Samengeraapt
|
SamenroepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; riep samen, heeft samengeroepen; samenroeping) 1 bij elkaar roepen
| Riep samen | Samengeroepen
|
| Samenrollen | Rolde samen | Samengerold
|
SamenrottenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; rotte samen, heeft/is samengerot; samenrotting) 1 samenscholen met het doel rellen te schoppen
| Rotte samen | Samengerot
|
SamenscholenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schoolde samen, heeft/is samengeschoold; samenscholing) 1 troepsgewijze bij elkaar komen (vooral van mensen met kwade bedoelingen)
| Schoolde samen | Samengeschoold
|
SamensmedenIn Spaans overeenkomend met: Agolpar
| Smeedde samen | Samengesmeed
|
SamensmeltenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smolt samen, is samengesmolten; samensmelting) 1 versmelten (overgankelijk werkwoord; smolt samen, heeft samengesmolten) 1 smeltend verbinden
| Smolt samen | Samengesmolten
|
SamensnoerenIn Spaans overeenkomend met: Abrochar cordón
| Snoerde samen | Samengesnoerd
|
SamenspannenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spande samen, heeft/is samengespannen; samenspanning) 1 een complot smeden
In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Conspirar sSamenzweren | Spande samen | Samengespannen
|
SamenspelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; speelde samen, heeft samengespeeld) 1 in het spelen samenwerken
| Speelde samen | Samengespeeld
|
SamenstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde samen, heeft samengesteld; samensteller, samenstelling) 1 uit verschillende bestanddelen tot een geheel vormen 2 tot stand brengen
In Spaans overeenkomend met: Constituir Compilar Juntar Componer sBijeenvoegen Compileren Ineenzetten | Stelde samen | Samengesteld
|
SamenstromenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stroomde samen, is samengestroomd; samenstroming) 1 als in stromen, snel en in grote menigte samenkomen 2 stromend bij elkaar komen
In Spaans overeenkomend met: Agolparse
| Stroomde samen | Samengestroomd
|
| Samentellen | Telde samen | Samengeteld
|
| Samentreffen | Trof samen | Samengetroffen
|
SamentrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok samen, is samengetrokken; samentrekking) 1 inkrimpen door samentrekking (overgankelijk werkwoord; trok samen, heeft samengetrokken) 1 dichter bij elkaar trekken 2 (troepen) tot een geheel verenigen 3 tot één ineensmelten
In Spaans overeenkomend met: Astreñir
| Trok samen | Samengetrokken
|
SamenvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel samen, is samengevallen; samenvalling) 1 dezelfde plaats innemen 2 op dezelfde tijd vallen
In Spaans overeenkomend met: Coincidir sOvereenkomen Overeenstemmen | Viel samen | Samengevallen
|
SamenvattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vatte samen, heeft samengevat; samenvatting) 1 in het kort weergeven of herhalen
In Spaans overeenkomend met: Resumir sExcerperen Resumeren | Vatte samen | Samengevat
|
SamenvlechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vlocht samen, heeft samengevlochten; samenvlechting) 1 ineenvlechten, dooreenvlechten
| Vlocht samen | Samengevlochten
|
SamenvloeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; vloeide samen, is samengevloeid; samenvloeiing) 1 samenstromen
| Vloeide samen | Samengevloeid
|
SamenvoegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; voegde samen, heeft samengevoegd; samenvoeging) 1 tot een eenheid of geheel verenigen
In Spaans overeenkomend met: Combinar Conglomerar Juntar sAaneenvoegen Bijeenbrengen Combineren Samenbrengen Verbinden Verenigen | Voegde samen | Samengevoegd
|
SamenvouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vouwde samen, heeft samengevouwen; samenvouwing) 1 door vouwen kleiner maken
| Vouwde samen | Samengevouwen
|
SamenwerkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; werkte samen, heeft samengewerkt; samenwerking) 1 gemeenschappelijk aan eenzelfde taak werken
| Werkte samen | Samengewerkt
|
| Samenweven | Weefde samen | Samengeweven
|
SamenwonenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; woonde samen, heeft samengewoond; samenwoner, samenwoning) 1 als partners ongehuwd samenleven 2 samen één woning in gebruik hebben
In Spaans overeenkomend met: Convivir sSamenleven | Woonde samen | Samengewoond
|
SamenzwerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zwoer samen, heeft samengezworen; samenzweerder, samenzwering) 1 zich in het geheim met anderen verbinden om een ander nadeel te berokkenen
In Spaans overeenkomend met: Conspirar Conjurar, Conjurarse sSamenspannen Zich onder ede met iemand verbinden | Zwoer samen | Samengezworen
|
| Sammelen | Sammelde | Gesammeld
|
SamplenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; samplede, heeft gesampled; sampler) 1 (muziek) een sample maken van
| Samplede | Gesampled
|
SanctionerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sanctioneerde, heeft gesanctioneerd) 1 sanctie verlenen aan 2 waarborgen 3 (in België, niet algemeen) bestraffen
| Sanctioneerde | Gesanctioneerd
|
SanerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; saneerde, heeft gesaneerd; sanering) 1 gezond maken 2 weer voor een functie of doel geschikt maken
| Saneerde | Gesaneerd
|
SappelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sappelde, heeft gesappeld; sappelaar) 1 ploeteren, zwoegen
| Sappelde | Gesappeld
|
| Sapperen | Sappeerde | Gesappeerd
|
SarrenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sarde, heeft gesard) 1 plagen om kwaad te maken
In Spaans overeenkomend met: Acuciar sAanstoken Op stang jagen Ophitsen Prikkelen | Sarde | Gesard
|
SassenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; saste, heeft gesast) 1 (informeel) plassen, urineren
| Saste | Gesast
|
SatinerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; satineerde, heeft gesatineerd) 1 glad en glanzig maken als satijn
| Satineerde | Gesatineerd
|
SausenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie sauzen (onpersoonlijk werkwoord) zie sauzen
| Sauste | Gesaust
|
SauterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sauteerde, heeft gesauteerd) 1 op een flink vuur snel bruin braden of bakken
In Spaans overeenkomend met: Pochar, Rehogar, Saltear sSmoren (in vet) | Sauteerde | Gesauteerd
|
SauverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sauveerde, heeft gesauveerd) 1 (formeel) tegen verlies van aanzien of positie behoeden
| Sauveerde | Gesauveerd
|
SauzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sausde, heeft gesausd) 1 (tabak) drenken in een of ander aromatisch vocht 2 (stenen wanden) met een kleurende vloeistof bestrijken (onpersoonlijk werkwoord; sausde, heeft gesausd) 1 stortregenen
| Sausde | Gesausd
|
SavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; savede, heeft gesaved) 1 (computergegevens) opslaan op schijf
| Savede | Gesaved
|
SavourerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; savoureerde, heeft gesavoureerd) 1 met smaak tot zich nemen, ten volle genieten
In Spaans overeenkomend met: Saborear sGenieten van | Savoureerde | Gesavoureerd
|
ScalperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scalpeerde, heeft gescalpeerd) 1 van de schedelhuid ontdoen
| Scalpeerde | Gescalpeerd
|
ScanderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scandeerde, heeft gescandeerd) 1 het metrum duidelijk doen uitkomen 2 (leuzen, namen) uitroepen met een klemtoon op iedere lettergreep 3 (gedichten) in versvoeten indelen
In Spaans overeenkomend met: Escandir
| Scandeerde | Gescandeerd
|
ScannenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; scande, heeft gescand; scanner, scanning) 1 (computer) (een beeld, streepjescode, tekst) optisch lezen 2 (geneeskunde) een doorsneeopname maken van het lichaam door middel van röntgenstraling 3 (telecommunicatie) (een bepaald frequentiegebied) automatisch en herhaald systematisch aftasten
| Scande | Gescand
|
SchaakspelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; speelde schaak, heeft schaakgespeeld; schaakspeler) 1 schaken
| Speelde schaak | Schaakgespeeld
|
| Schaarden | Schaardde | Geschaard
|
SchaatsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schaatste, heeft/is geschaatst; schaatser) 1 zich voortbewegen op schaatsen
In Spaans overeenkomend met: Patinar
| Schaatste | Geschaatst
|
SchaatsenrijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schaatsenrijder) 1 schaatsen
In Spaans overeenkomend met: Patinar
| |
|
SchadeloosstellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde schadeloos, heeft schadeloosgesteld; schadeloosstelling) 1 (iem.) vergoeding geven voor geleden schade
| Stelde schadeloos | Schadeloosgesteld
|
SchadenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schaadde, heeft geschaad) 1 (iem., iets) schade toebrengen, kwaad kunnen
In Spaans overeenkomend met: Afectar Estropear Corromper Perjudicar sBederven Deren Schade aanrichten Schadelijke gevolgen hebben voor Treffen Verknoeien | Schaadde | Geschaad
|
SchaduwboksenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 oefening in het boksen 2 (figuurlijk) een schijngevecht voeren
| |
|
SchaduwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schaduwde, heeft geschaduwd) 1 voortdurend heimelijk volgen 2 (sport) (een tegenstander) voortdurend volgen 3 schaduw aanbrengen aan of in
In Spaans overeenkomend met: Sombrear con rayas Sombrear sArceren | Schaduwde | Geschaduwd
|
| Schaffen | Schafte | Geschaft
|
SchaftenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schaftte, heeft geschaft) 1 pauzeren om te eten
| Schaftte | Geschaft
|
SchakelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schakelde, heeft geschakeld; schakelaar, schakeling) 1 de versnelling van een voertuig bedienen 2 vissen met een schakelnet (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schakelde, heeft geschakeld) 1 deel doen uitmaken van een keten
In Spaans overeenkomend met: Embragar sKoppelen | Schakelde | Geschakeld
|
SchakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schaakte, heeft geschaakt; schaker) 1 schaak spelen (overgankelijk werkwoord; schaakte, heeft geschaakt) 1 (een meisje of vrouw) als minnaar ontvoeren
In Spaans overeenkomend met: Raptar ((vrouw),(mujer)) Jugar al ajedrez sSchaak spelen | Schaakte | Geschaakt
|
SchakerenIn Spaans overeenkomend met: Matizar sNuanceren Tinten | Schakeerde | Geschakeerd
|
SchalenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schaalde, heeft geschaald) 1 (stenen) op de platte kant afhakken
| Schaalde | Geschaald
|
SchallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schalde, heeft geschald) 1 een krachtige en heldere klank voortbrengen
| Schalde | Geschald
|
SchalmenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schalmde, heeft geschalmd) 1 (scheepvaart) (gaten, kokers enz.) afdekken tegen het overkomende zeewater
| Schalmde | Geschalmd
|
| Schamen | Schaamde | Geschaamd
|
SchampenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schampte, is geschampt) 1 zijdelings lichtjes raken
| Schampte | Geschampt
|
SchamperenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schamperde, heeft geschamperd) 1 schamper spreken
| Schamperde | Geschamperd
|
SchandaliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schandaliseerde, heeft geschandaliseerd) 1 in opspraak brengen
| Schandaliseerde | Geschandaliseerd
|
SchandmerkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schandmerkte, heeft geschandmerkt) 1 als schandelijk bestempelen
| Schandmerkte | Geschandmerkt
|
SchandvlekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schandvlekte, heeft geschandvlekt) 1 een smet werpen op de eer of het aanzien van
| Schandvlekte | Geschandvlekt
|
SchansspringenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 skispringen
| |
|
ScharenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (schaarde, heeft geschaard) bewegen als een schaar 2 (schaarde, heeft/is geschaard) (van een motorvoertuig met een ander, gesleept voertuig) komen in een stand waarin de assen een stompe hoek met elkaar maken 3 (schaarde, heeft geschaard) (van vissen) kuitschieten (overgankelijk werkwoord; schaarde, heeft geschaard) 1 bij elkaar, tot een geheel opstellen
| Schaarde | Geschaard
|
ScharnierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scharnierde, heeft gescharnierd) 1 om een scharnier draaien
| Scharnierde | Gescharnierd
|
| Scharrelbenen | Scharrelbeende | Gescharrelbeend
|
ScharrelenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; scharrelde, heeft gescharreld) 1 losse verkering hebben met (onovergankelijk werkwoord; scharrelaar) 1 (scharrelde, heeft gescharreld) telkens wat anders ter hand nemen 2 (scharrelde, heeft gescharreld) op ongeregelde wijze kleinhandel drijven in 3 (scharrelde, heeft/is gescharreld) (van hoenders) heen en weer lopen en intussen in de grond wroeten 4 (scharrelde, heeft/is gescharreld) zich op onzekere of moeilijke wijze voortbewegen (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
In Spaans overeenkomend met: Cortejar, Galantear Flirtear, Revolotear Rascar sAan de scharrel zijn Fladderen Flirten Het hof maken Klauwen Krabben Krauwen Vrijen Wapperen | Scharrelde | Gescharreld
|
| Scharren | Scharde | Geschard
|
SchaterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schaterde, heeft geschaterd; schatering) 1 hard en uitbundig lachen
In Spaans overeenkomend met: Reír a carcajadas, Risotear sSchaterlachen | Schaterde | Geschaterd
|
SchaterlachenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schaterlachte, heeft geschaterlacht) 1 luidkeels lachen
In Spaans overeenkomend met: Reír a carcajadas, Risotear sSchateren | Schaterlachte | Geschaterlacht
|
SchattenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schatte, heeft geschat; schatter, schatting) 1 de waarde of omvang beoordelen van 2 de genoemde waarde hechten aan
In Spaans overeenkomend met: Calcular Apreciar, Echar ((leeftijd),(edad)), Estimar, Evaluar, Tasar sBegroten Taxeren Waarderen | Schatte | Geschat
|
SchavelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schaveelde, heeft geschaveeld) 1 (zeilen) naar de wind richten
| Schaveelde | Geschaveeld
|
SchavenALLE betekenissen van dit woord: aan (werkwoord; schaafde, heeft geschaafd) 1 sleutelen aan (overgankelijk werkwoord; schaafde, heeft geschaafd) 1 (ook absoluut) (hout) met een schaaf gladmaken 2 licht verwonden door de huid weg te schuren 3 in plakjes snijden met een schaaf
In Spaans overeenkomend met: Acepillar sAfschaven | Schaafde | Geschaafd
|
| Schaverdijnen | Schaverdijnde | Geschaverdijnd
|
| Schavielen | Schavielde | Geschavield
|
ScheefgroeienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; groeide scheef, is scheefgegroeid) 1 niet in rechte stand groeien 2 zich in ongewenste richting ontwikkelen
| Groeide scheef | Scheefgegroeid
|
ScheeflopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep scheef, is scheefgelopen) 1 dreigen te mislukken (overgankelijk werkwoord; liep scheef, heeft scheefgelopen) 1 door lopen scheef maken
| Liep scheef | Scheefgelopen
|
ScheefslaanALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sloeg scheef, heeft scheefgeslagen) 1 (in België; informeel) stelen, jatten
| Sloeg scheef | Scheefgeslagen
|
ScheeftrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; trok scheef, is scheefgetrokken) 1 door trekken scheef gaan staan (overgankelijk werkwoord; trok scheef, heeft scheefgetrokken) 1 (iets) zodanig trekken dat het scheef komt te liggen
| Trok scheef | Scheefgetrokken
|
ScheefwonenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; woonde scheef, heeft scheefgewoond) 1 in een goedkope huurwoning wonen terwijl men een verhoudingsgewijs hoog inkomen heeft of in een dure huurwoning wonen terwijl men een verhoudingsgewijs laag inkomen heeft
| |
|
ScheelzienALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 zo kijken dat de ogen niet gelijk gericht zijn
In Spaans overeenkomend met: Bizquear, Torcer la vista sLoensen Scheel kijken | Zag scheel | Scheelgezien
|
ScheidenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheidde, is gescheiden; scheider, scheiding) 1 uiteengaan 2 (van echtgenoten) het huwelijk laten beëindigen (overgankelijk werkwoord; scheidde, heeft gescheiden) 1 de aaneensluiting, samenhang, verbinding verbreken of verbroken houden 2 het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
In Spaans overeenkomend met: Separar Apartar, Dispersar, Segregar, Separar Apartarse ((echt),(matrimonio)), Divorciar, Divorciarse Separarse sAfscheiden Afzonderen Breken Opzij schuiven Schiften Uit elkaar gaan Weghalen Wegzetten | Scheidde | Gescheiden
|
ScheidsrechterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheidsrechterde, heeft gescheidsrechterd) 1 (informeel) als scheidsrechter optreden
| Scheidsrechterde | Gescheidsrechterd
|
ScheldenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schold, heeft gescholden) 1 krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
| Schold | Gescholden
|
SchelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheelde, heeft gescheeld) 1 verschillen in eigenschap of hoedanigheden, afmeting, leeftijd, bedrag enz. 2 iem. ter harte gaan 3 mankeren
In Spaans overeenkomend met: Diferir, Ser diferente Faltar, Haber de menos sAbsent zijn Afwezig zijn Ontbreken Uiteenlopen Verschillen | Scheelde | Gescheeld
|
SchellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schelde, heeft gescheld) 1 (formeel) de schel laten klinken
In Spaans overeenkomend met: Llamar, Tocar la campanilla sAanbellen Bellen Luiden | Schelde | Gescheld
|
SchematiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schematiseerde, heeft geschematiseerd; schematisering) 1 schematisch voorstellen
| Schematiseerde | Geschematiseerd
|
SchemerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schemerde, heeft geschemerd; schemering) 1 vaag waarneembaar zijn 2 in de schemering zitten, zonder iets te doen (onpersoonlijk werkwoord; schemerde, heeft geschemerd) 1 tussen licht en donker zijn
In Spaans overeenkomend met: Atardecer
| Schemerde | Geschemerd
|
SchendenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schond, heeft geschonden; schender, schending) 1 te schande maken 2 afbreuk doen aan de gaafheid of compleetheid van een zaak 3 zich niet houden aan (een afspraak, verdrag)
In Spaans overeenkomend met: Estropear Echar a perder Desflorar Profanar Quebrar, Romper sAfbreken Bederven Beschadigen Breken Doorbreken Havenen Knoeien Onteren Ontheiligen Ontmaagden Ontwijden Profaneren Stuk maken Stukbreken Stukmaken Toetakelen Verbreken Verknoeien Verontheiligen Verpesten | Schond | Geschonden
|
SchenkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schonk, heeft geschonken; schenker, schenking) 1 (een vloeistof) overbrengen van het ene in het andere vat 2 (een drank) serveren 3 geven, verlenen
In Spaans overeenkomend met: Deparar, Donar, Presentar, Regalar Derramar, Escanciar ((wijn),(vino)), Verter sCadeau geven Gieten Plengen Storten Vergieten | Schonk | Geschonken
|
SchepenALLE betekenissen van dit woord: (de m ; schepenen) 1 (geschiedenis) vroegere rechtsambtenaar en bestuurder in steden en dorpen, samenwerkend met de vertegenwoordiger van de landsheer 2 (in België) wethouder (onovergankelijk werkwoord; scheepte, is gescheept) 1 zich inschepen (overgankelijk werkwoord; scheepte, heeft gescheept) 1 inschepen
| Scheepte | Gescheept
|
ScheppenIn de betekenis van: Met een schep naar boven brengen of verplaatsen
In Spaans overeenkomend met: Extraer, Sacar Excavar con pala, Traspalar sComponeren Creëren Hozen Maken Ontlenen Opscheppen Putten Schrijven | Schepte | Geschept
|
ScheppenIn de betekenis van: In het leven roepen, vormen, maken
In Spaans overeenkomend met: Crear Escribir sComponeren Creëren Hozen Maken Ontlenen Opscheppen Putten Schrijven | Schiep | Geschapen
|
ScherenIn de betekenis van: Zich snel rakelings langs iets bewegen
In Spaans overeenkomend met: sKnippen Snoeien | Scheerde | Gescheerd
|
ScherenIn de betekenis van: 1 (de baardharen, het hoofdhaar of haar op andere lichaamsdelen) tot op de huid afsnijden met een daarvoor bestemd mes of apparaat 2 (dieren) het haar kort afknippen 3 (gewassen) regelmatig kort afknippen 4 de opstaande of uitstekende draden van een weefsel gelijk afsnijden of -knippen 5 te veel laten betalen 6 (een touw in een blok) steken 7 spannen 7 ordenen 8 rakelings langs iets doen gaan
In Spaans overeenkomend met: Afeitar Cortar, Esquilar sKnippen Snoeien | Schoor | Geschoren
|
SchermenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; schermde, heeft geschermd) 1 in het wilde weg als argument gebruiken (onovergankelijk werkwoord; schermde, heeft geschermd; schermer) 1 volgens bepaalde regels een oefengevecht houden met een degen of ander blank wapen of met een stok
In Spaans overeenkomend met: Esgrimir
| Schermde | Geschermd
|
SchermutselenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schermutselde, heeft geschermutseld) 1 op kleine schaal gevechten houden die niet van beslissende betekenis kunnen zijn
| Schermutselde | Geschermutseld
|
ScherpenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scherpte, is gescherpt; scherper, scherping) 1 (scheepvaart) (van de wind) uit een verkeerde hoek waaien (overgankelijk werkwoord; scherpte, heeft gescherpt) 1 scherper van snede of van punt maken 2 fijner, doordringender van vermogen of waarneming maken 3 met gescherpte hoefijzers beslaan
In Spaans overeenkomend met: Afilar sAanzetten Slijpen Wetten | Scherpte | Gescherpt
|
SchertsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schertste, heeft geschertst; schertser) 1 iets zeggen of doen voor de grap
In Spaans overeenkomend met: Bromear, Burlarse sGekscheren Grappen maken | Schertste | Geschertst
|
| Scherven | Scherfde | Gescherfd
|
SchetsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schetste, heeft geschetst) 1 (ook absoluut) in hoofdlijnen tekenen, een onuitgewerkte tekening maken 2 met woorden in hoofdtrekken uitbeelden
In Spaans overeenkomend met: Dibujar Abocetar, Bosquejar, Esbozar sAftekenen Ontwerpen Tekenen Trekken Uitstippelen Uittekenen | Schetste | Geschetst
|
SchetterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schetterde, heeft geschetterd; schetteraar, schettering) 1 een schel, hardklinkend geluid geven 2 luidkeels iets verkondigen
| Schetterde | Geschetterd
|
| Scheuken | Scheukte | Gescheukt
|
ScheurenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheurde, is gescheurd; scheurder, scheuring) 1 een scheur of scheuren krijgen 2 (informeel) hard en roekeloos rijden (overgankelijk werkwoord; scheurde, heeft gescheurd) 1 kapot, stuktrekken 2 verscheuren 3 losrukken 4 weiland door omploegen tot bouwland maken
In Spaans overeenkomend met: Desgajar Henderse, Resquebrajarse Estallar, Reventar Arrancar, Desgajar, Rasgar sBarsten Bersten Openbarsten Openbersten Rijten Splijten Springen | Scheurde | Gescheurd
|
| Schiemannen | Schiemande | Geschiemand
|
SchietenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (schoot, heeft geschoten) schoten uit wapens lossen 2 (schoot, is geschoten) plotseling in de genoemde of bedoelde positie of toestand raken (overgankelijk werkwoord; schoot, heeft geschoten) 1 (ook absoluut) (een bal) spelen in de genoemde richting 2 (een projectiel) werpen d.m.v. een daartoe ingericht werktuig 3 treffen met een projectiel 4 met een projectiel in de genoemde positie of toestand brengen 5 met een projectiel doen ontstaan 6 van zich geven 7 d.m.v. een hoekmeetinstrument de hoogte bepalen van (een hemellichaam)
In Spaans overeenkomend met: Disparar, Tirar sPaffen Vuren | Schoot | Geschoten
|
SchiftenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schiftte, is geschift; schifting) 1 (van eiwithoudende vloeistoffen, in 't bijz. van melk) door het stremmen van het eiwit ongelijkmatig van samenstelling worden 2 (van wind) van richting veranderen (overgankelijk werkwoord; schiftte, heeft geschift) 1 selecteren 2 (rails) verschuiven om ze goed in het spoor te richten
In Spaans overeenkomend met: Cortarse, Destriar Apartar, Dispersar, Segregar, Separar sAfscheiden Afzonderen Opzij schuiven Scheiden Weghalen Wegzetten | Schiftte | Geschift
|
SchijfschietenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 het schieten naar een schijf als oefening of sport
| Schoot schijf | Schijfgeschoten
|
SchijnenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scheen, heeft geschenen) 1 gloed, schijnsel, licht afgeven 2 de schijn hebben van, naar zeggen zo zijn
In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir Parecer sBlinken Glanzen Lijken Overkomen Schitteren Toeschijnen Voorkomen | Scheen | Geschenen
|
SchijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; scheet, heeft gescheten; schijter) 1 (grof) poepen
In Spaans overeenkomend met: Defecar sKakken Ontlasting hebben Poepen | Scheet | Gescheten
|
SchikkenALLE betekenissen van dit woord: in (werkwoord; schikte, heeft geschikt) 1 berusten in bepaalde maatregelen of omstandigheden naar (werkwoord; schikte, heeft geschikt) 1 zich aanpassen aan (onovergankelijk werkwoord) 1 (schikte, heeft geschikt) van pas komen, schikken 2 (schikte, heeft/is geschikt) opschuiven (overgankelijk werkwoord; schikte, heeft geschikt) 1 op doelbewuste wijze plaatsen 2 (een tegenstelling) tot oplossing brengen doordat elk wat toegeeft
In Spaans overeenkomend met: Convenir, Ser conveniente Arreglar Acomodar sBetamen Gelegen komen Inrichten Opruimen Passen Regelen Ruimen Terechtbrengen Uitkomen Voegen | Schikte | Geschikt
|
SchilderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schilderde, heeft geschilderd) 1 wachtlopen (overgankelijk werkwoord; schilderde, heeft geschilderd) 1 (ook absoluut) (oppervlakten) met verf bedekken om ze te conserveren en/of kleur te geven 2 (ook absoluut) (voorstellingen of afbeeldingen) met penseel en verf tot stand brengen 3 met woorden uitbeelden
In Spaans overeenkomend met: Pintar sAfschilderen Uitschilderen Verven | Schilderde | Geschilderd
|
SchilferenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schilferde, heeft/is geschilferd; schilfering) 1 schilfers loslaten
| Schilferde | Geschilferd
|
SchillenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schilde, heeft geschild) 1 van de schil ontdoen
In Spaans overeenkomend met: Descortezar, Mondar, Pelar Descortezar, Mondar, Pelar sAfpellen Jassen Pellen | Schilde | Geschild
|
SchimmelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schimmelde, is geschimmeld; schimmeling) 1 met schimmel bedekt raken
In Spaans overeenkomend met: Enmohecerse sBeschimmelen Verschimmelen | Schimmelde | Geschimmeld
|
SchimpenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; schimpte, heeft geschimpt) 1 honend afgeven op (onovergankelijk werkwoord; schimpte, heeft geschimpt; schimping) 1 honen
In Spaans overeenkomend met: Injuriar, Insultar sBeschimpen | Schimpte | Geschimpt
|
SchipperenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schipperde, heeft geschipperd) 1 naar omstandigheden handelen, compromissen sluiten
| Schipperde | Geschipperd
|
SchitterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schitterde, heeft geschitterd; schittering) 1 een sterk, beweeglijk licht verspreiden 2 uitblinken
In Spaans overeenkomend met: Brillar, Lucir, Parpadear ((sterren),(estrella's)), Relucir, Resplandecer Deflagrar, Flamear sBlinken Flakkeren Flikkeren Glanzen Glimmen Glinsteren Schijnen Vonken schieten Wapperen | Schitterde | Geschitterd
|
SchmierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schmierde, heeft geschmierd) 1 (theater) overdreven acteren
| Schmierde | Geschmierd
|
SchminkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schminkte, heeft geschminkt) 1 schmink aanbrengen
In Spaans overeenkomend met: Maquillar sBlanketten Grimeren Maquilleren Opmaken | Schminkte | Geschminkt
|
SchnabbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schnabbelde, heeft geschnabbeld; schnabbelaar) 1 nevenwerkzaamheden verrichten
| Schnabbelde | Geschnabbeld
|
SchobbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schobde, heeft geschobd) 1 schurken
| Schobde | Geschobd
|
SchoeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoeide, heeft geschoeid; schoeiing) 1 bekleden met schoenen of laarzen 2 beschermen met een laag hout of steen 3 (een roeiriem) in een schoen vastzetten
| Schoeide | Geschoeid
|
| Schoenlappen | |
|
| Schoenmaken | |
|
| Schoenpoetsen | |
|
SchoffelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schoffelde, heeft geschoffeld) 1 (sport) onelegant en meedogenloos spelen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schoffelde, heeft geschoffeld) 1 (iets) met de schoffel bewerken
In Spaans overeenkomend met: Carpir, Escardar, Sachar sWieden | Schoffelde | Geschoffeld
|
SchofferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoffeerde, heeft geschoffeerd; schoffeerder, schoffering) 1 beledigen
| Schoffeerde | Geschoffeerd
|
SchokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schokte, heeft geschokt; schokker) 1 ongecontroleerde schuddende bewegingen maken (overgankelijk werkwoord; schokte, heeft geschokt) 1 pijnlijk in het gemoed treffen 2 een weerstandskracht opwekken
In Spaans overeenkomend met: Sacudir sOpschudden Schudden Wrikken | Schokte | Geschokt
|
SchokschouderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schokschouderde, heeft geschokschouderd) 1 de schouders ophalen
| Schokschouderde | Geschokschouderd
|
ScholenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schoolde, heeft geschoold; scholing) 1 onderrichten
In Spaans overeenkomend met: Enseñar, Instruir sBijbrengen Instrueren Leren | Schoolde | Geschoold
|
| Scholpen | Scholpte | Gescholpt
|
SchommelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schommelaar, schommeling) 1 (schommelde, heeft/is geschommeld) zich langs een boog of ten opzichte van een aspunt heen en weer bewegen 2 (schommelde, heeft geschommeld) zich op een schommel vermaken 3 (schommelde, heeft geschommeld) (van grootheden en getallen) zich bewegen om een gemiddelde 4 (schommelde, heeft/is geschommeld) waggelend lopen
In Spaans overeenkomend met: Balancear Fluctuar Oscilar Tambalear, Tambalearse sBalanceren Fluctueren Hobbelen Op en neer gaan Oscilleren Slingeren Waggelen Wankelen Wiegelen Wiegen Wippen | Schommelde | Geschommeld
|
SchonenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoonde, heeft geschoond) 1 zuiveren 2 (een sloot) ontdoen van waterplanten
| Schoonde | Geschoond
|
SchooienALLE betekenissen van dit woord: om (werkwoord; schooide, heeft geschooid) 1 dringend vragen (onovergankelijk werkwoord; schooide, heeft geschooid) 1 bedelend rondlopen
In Spaans overeenkomend met: Mendigar, Pedir limosna sBedelen | Schooide | Geschooid
|
| Schooieren | Schooierde | Geschooierd
|
SchoolblijvenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; bleef school, is schoolgebleven; schoolblijver) 1 na schooltijd voor straf moeten blijven
| Bleef school | Schoolgebleven
|
SchoolgaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging school, heeft/is schoolgegaan) 1 naar school gaan
| Ging school | Schoolgegaan
|
| Schoolhouden | Hield school | Schoolgehouden
|
| Schoolliggen | Lag school | Schoolgelegen
|
| Schoollopen | Liep school | Schoolgelopen
|
SchoolmeesterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schoolmeesterde, heeft geschoolmeesterd) 1 op pedante wijze corrigeren, de les lezen, of spreken over
| Schoolmeesterde | Geschoolmeesterd
|
SchoolrijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 (paardensport) het rijden in bepaalde passen met een rijpaard
| |
|
SchoolzwemmenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 in klasverband zwemmen als deel van het schoolprogramma
| |
|
SchoonbijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beet schoon, heeft schoongebeten) 1 (voorwerpen) reinigen, blank en zuiver maken door het scheikundig wegnemen van de roestlaag, verflaag e.d.
| Beet schoon | Schoonbeten
|
SchoonbrandenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brandde schoon, heeft schoongebrand) 1 (voorwerpen) door te branden reinigen van de oxidelaag, verflaag e.d.
| Brandde schoon | Schoongebrand
|
SchoonhoudenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; hield schoon, heeft schoongehouden) 1 iets zodanig onderhouden dat het niet vuil of smerig wordt
| Hield schoon | Schoongehouden
|
| Schoonlikken | Likte schoon | Schoongelikt
|
SchoonmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; maakte schoon, heeft schoongemaakt) 1 reinigen
In Spaans overeenkomend met: Limpiar Bruzar Escarbar, Limpiar Adelgazar, Limpiar, Purificar sBorstelen Louteren Opwrijven Poetsen Reinigen Schuieren Vegen Zuiveren | Maakte schoon | Schoongemaakt
|
SchoonpoetsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; poetste schoon, heeft schoongepoetst) 1 poetsend schoonmaken
| Poetste schoon | Schoongepoetst
|
SchoonrijdenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schoonrijder) 1 het op een sierlijke wijze uitvoeren van de perfecte schaatsslag
| |
|
SchoonschrijvenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schoonschrijver) 1 fraaie letters maken, bv. in akten, diploma's enz.
| |
|
SchoonspoelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spoelde schoon, heeft schoongespoeld) 1 door spoelen reinigen
| Spoelde schoon | Schoongespoeld
|
SchoonspringenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schoonspringer) 1 (watersport) fraaie sprongen maken van een duikplank
| |
|
| Schoonspuiten | Spoot schoon | Schoongespoten
|
SchoonvegenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; veegde schoon, heeft schoongeveegd) 1 door vegen reinigen 2 (een locatie) leegmaken door de aanwezige mensen met geweld te verwijderen
In Spaans overeenkomend met: Rebañar Barrer sAanvegen Bezemen Opvegen Uitlikken Vegen | Veegde schoon | Schoongeveegd
|
SchoonwassenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; waste schoon, heeft schoongewassen) 1 reinigen
| Waste schoon | Schoongewassen
|
| Schoonwrijven | Wreef schoon | Schoongewreven
|
SchoonzwemmenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schoonzwemmer) 1 (watersport) kunstzwemmen
| |
|
SchoorsteenvegenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; schoorsteenveger) 1 het schoonmaken van schoorstenen
| |
|
SchoorvoetenIn Spaans overeenkomend met: Titubear, Vacilar sAarzelen Dubben Schromen Weifelen | Schoorvoette | Geschoorvoet
|
| Schootgaan | Ging schoot | Schootgegaan
|
SchoppenALLE betekenissen van dit woord: (de) 1 (spel) kleur van het kaartspel: een zwart staand, hartvormig blaadje op steel (overgankelijk werkwoord; schopte, heeft geschopt) 1 (ook absoluut) met de voet raken 2 door schoppen naar een bepaalde plaats of in een bepaalde toestand brengen 3 (het genoemde) veroorzaken
In Spaans overeenkomend met: Acocear sTrappen | Schopte | Geschopt
|
SchorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoorde, heeft geschoord; schoring) 1 met, als met een schoor stutten, steunen
In Spaans overeenkomend met: Sostener sDragen Onderhouden Ondersteunen Ruggensteunen Schragen | Schoorde | Geschoord
|
SchorsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schorste, heeft geschorst; schorsing) 1 voorlopig of tijdelijk buiten werking stellen 2 voorlopig of tijdelijk verbieden zijn ambt waar te nemen
In Spaans overeenkomend met: Interrumpir sInterrumperen Onderbreken | Schorste | Geschorst
|
| Schorten | Schortte | Geschort
|
| Schotelen | Schotelde | Geschoteld
|
SchouderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schouderde, heeft geschouderd) 1 (de tegenstander) met de schouders op de grond drukken
| Schouderde | Geschouderd
|
SchouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schouwde, heeft geschouwd; schouwer, schouwing) 1 in de geest waarnemen 2 inspecteren
In Spaans overeenkomend met: Inspeccionar Mirar sBekijken Blikken Inspectie houden Kijken Kijken naar Toekijken Toezien Visiteren | Schouwde | Geschouwd
|
SchovenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoofde, heeft geschoofd) 1 in, tot schoven binden
| Schoofde | Geschoofd
|
SchrabbenIn Spaans overeenkomend met: Legrar, Raer, Raspar sKrassen Schrapen Schrappen | Schrabde | Geschrabd
|
| Schrafelen | Schrafelde | Geschrafeld
|
| Schrafferen | Schraffeerde | Geschraffeerd
|
SchragenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schraagde, heeft geschraagd; schraging) 1 stutten 2 steunen, in stand houden
In Spaans overeenkomend met: Apoyar Sostener sDragen Onderhouden Ondersteunen Ruggensteunen Rugsteunen Schoren Steunen Stutten | Schraagde | Geschraagd
|
| Schralen | Schraalde | Geschraald
|
SchrammenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schramde, heeft geschramd) 1 de huid licht openrijten
In Spaans overeenkomend met: Arañar sOpenkrabben | Schramde | Geschramd
|
| Schrankelen | Schrankelde | Geschrankeld
|
SchrankenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schrankte, heeft geschrankt; schranking) 1 scheefzakken (overgankelijk werkwoord; schrankte, heeft geschrankt) 1 kruiselings over elkaar leggen 2 (de tanden van een zaag) beurtelings naar de ene en naar de andere zijde enigszins uitbuigen
| Schrankte | Geschrankt
|
SchransenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schranste, heeft geschranst; schranser) 1 veel en gulzig eten
| Schranste | Geschranst
|
SchranzenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schranzer) zie schransen
| Schransde | Geschransd
|
SchrapenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schraapte, heeft geschraapt; schraper, schraping) 1 met een schurend, krassend geluid ergens langs strijken (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schraapte, heeft geschraapt) 1 met een scherp voorwerp over iets heen gaan, om er iets af te krabben
In Spaans overeenkomend met: Rascar, Raspar Escarificar Legrar, Raer, Raspar sKrassen Raspen Schrabben Schrappen | Schraapte | Geschraapt
|
SchrappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schrapte, heeft geschrapt; schrapper, schrapping) 1 door krabben van de bovenste of buitenste laag ontdoen 2 doorhalen, een streep trekken door 3 afschaffen
In Spaans overeenkomend met: Atajar, Borrar Elidir Legrar, Raer, Raspar sAfkappen Couperen Doorhalen Krassen Onvermeld laten Overslaan Schrabben Schrapen Weglaten Wissen | Schrapte | Geschrapt
|
SchreeuwenALLE betekenissen van dit woord: om (werkwoord; schreeuwde, heeft geschreeuwd) 1 nadrukkelijk vereisen, roepen om (onovergankelijk werkwoord; schreeuwde, heeft geschreeuwd; schreeuwer) 1 luid, doordringend roepen van angst, pijn, woede enz. 2 (van kinderen) hard huilen 3 (van sommige dieren) hun natuurlijk geluid voortbrengen 4 slecht, lelijk zingen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schreeuwde, heeft geschreeuwd) 1 (iets) luid roepend meedelen
In Spaans overeenkomend met: Balar, Ladrar, Rebuznar Clamar, Gritar, Vocear, Vociferar sBalken Blaten Brullen Gieren Grommen Hinniken Joelen Loeien Roepen | Schreeuwde | Geschreeuwd
|
SchreienALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schreide, heeft geschreid; schreier) 1 (formeel) huilen
In Spaans overeenkomend met: Llorar sHuilen Krijten Wenen | Schreide | Geschreid
|
| Schrijbenen | Schrijbeende | Geschrijbeend
|
SchrijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schreed, heeft/is geschreden) 1 met waardige stappen gaan
In Spaans overeenkomend met: Caminar, Dar pasos sLopen Stappen Treden Wandelen | Schreed | Geschreden
|
SchrijnenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schrijnde, heeft geschrijnd; schrijning) 1 pijnlijk zijn door schuren of schaven
| Schrijnde | Geschrijnd
|
SchrijvenALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 (formeel) officiële brief (onovergankelijk werkwoord; schreef, heeft geschreven; schrijver) 1 geschikt zijn om ermee of erop te schrijven (overgankelijk werkwoord; schreef, heeft geschreven) 1 (ook absoluut) met een pen, potlood, krijt enz. tekens op papier of een ander vlak voorwerp aanbrengen 2 (ook absoluut) (een brief, boek, verhandeling enz.) samenstellen, vervaardigen 3 (ook absoluut) (opties) verkopen 4 in schrift voorstellen, weergeven 5 opschrijven, noteren 6 schriftelijk meedelen of uitdrukken
In Spaans overeenkomend met: Escribir sComponeren Scheppen | Schreef | Geschreven
|
SchrikkenIn de betekenis van: 1 (scheepvaart) (een gespannen touw) schoksgewijs bijvieren 2 (iets dat heet is) plotseling afkoelen 3 plotseling in kokend water brengen
In Spaans overeenkomend met: sBang worden Laten schrikken Opschrikken Zich ongerust maken | Schrikte | Geschrikt
|
SchrikkenIn de betekenis van: Door een plotseling angstgevoel bevangen worden
In Spaans overeenkomend met: Asustar Asustar Alarmarse, Alborotarse, Asustarse, Aterrorizarse, Sobresaltarse sBang worden Laten schrikken Opschrikken Zich ongerust maken | Schrok | Geschrokken
|
SchrobbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schrobde, heeft geschrobd) 1 (iets) met water en een harde borstel reinigen
In Spaans overeenkomend met: Fregar sAfwassen | Schrobde | Geschrobd
|
| Schroden | Schroodde | Geschrood
|
SchroeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schroeide, heeft geschroeid) 1 aan de oppervlakte verbranden 2 zeer sterk uitdrogen 3 (porselein) zacht bakken voor het verglazen
In Spaans overeenkomend met: Achicharrar Achicharrar sVerbranden | Schroeide | Geschroeid
|
SchroevenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schroefde, heeft geschroefd) 1 met behulp van een schroef of schroeven in de genoemde positie of toestand brengen
In Spaans overeenkomend met: Atornillar, Fijar con tornillos
| Schroefde | Geschroefd
|
SchrokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schrokte, heeft geschrokt; schrokker) 1 al te gulzig eten
| Schrokte | Geschrokt
|
SchromenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schroomde, heeft geschroomd) 1 niet goed of nauwelijks durven te doen
In Spaans overeenkomend met: Titubear, Vacilar Temer sAarzelen Bang zijn voor Dubben Duchten Schoorvoeten Terugschrikken voor Vrezen Weifelen | Schroomde | Geschroomd
|
SchrompelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schrompelde, is geschrompeld) 1 rimpelig samentrekken
| Schrompelde | Geschrompeld
|
| Schrooien | Schrooide | Geschrooid
|
SchrotenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schrootte, heeft geschroot) 1 (oud ijzer) klein maken, tot schroot verwerken
| Schrootte | Geschroot
|
SchubbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schubde, heeft geschubd) 1 van de schubben ontdoen
| Schubde | Geschubd
|
SchuddebollenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuddebolde, heeft geschuddebold) 1 het hoofd voortdurend heen en weer bewegen
| Schuddebolde | Geschuddebold
|
SchuddebuikenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Schuddebuikte | Geschuddebuikt
|
| Schuddekoppen | Schuddekopte | Geschuddekopt
|
SchuddenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schudde, heeft geschud) 1 over korte afstand ritmisch op en neer of heen en weer bewogen worden (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schudde, heeft geschud) 1 met meer of minder kracht over een korte afstand ritmisch heen en weer of op en neer bewegen
In Spaans overeenkomend met: Agitar, Sacudir Agitar, Perturbar Menear Sacudir sAgiteren Ophitsen Opruien Opschudden Opstoken Opwinden Roeren Schokken Wrikken | Schudde | Geschud
|
SchuierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schuierde, heeft geschuierd) 1 met een schuier vegen
In Spaans overeenkomend met: Bruzar, Cepillar sBorstelen Schoonmaken | Schuierde | Geschuierd
|
SchuifelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuifelaar, schuifeling) 1 (schuifelde, is geschuifeld) zich schuivend voortbewegen 2 (schuifelde, heeft geschuifeld) dicht tegen elkaar dansen 3 (van slangen) sissen
| Schuifelde | Geschuifeld
|
SchuilenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuilde, heeft gescholen/geschuild) 1 zich verbergen 2 beschutting zoeken 3 te zoeken zijn
| Schuilde, School | Geschuild, Gescholen
|
SchuilgaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging schuil, is schuilgegaan) 1 zich verbergen 2 verscholen zijn
| Ging schuil | Schuilgegaan
|
| Schuilhouden | Hield schuil | Schuilgehouden
|
SchuimbekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuimbekte, heeft geschuimbekt) 1 het schuim op de mond hebben
| Schuimbekte | Geschuimbekt
|
SchuimenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuimde, heeft geschuimd) 1 schuim dragen, geven 2 schuimbekken (overgankelijk werkwoord; schuimde, heeft geschuimd) 1 van schuim zuiveren
In Spaans overeenkomend met: Espumar sBruisen Tintelen | Schuimde | Geschuimd
|
SchuinenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuinde, heeft geschuind; schuining) 1 schuin maken
| Schuinde | Geschuind
|
SchuitjevarenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 spelevaren
| |
|
SchuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuiver) 1 (schoof, is geschoven) zich zonder opheffing langs een vlak voortbewegen 2 (schoof, heeft geschoven) betalen, dokken (overgankelijk werkwoord; schoof, heeft geschoven) 1 verplaatsen door duwen zonder oplichten 2 (opium) roken
In Spaans overeenkomend met: Patinar, Resbalar Hacer resbalar Deslizarse, Hacer deslizar sGlibberen Glijden Glippen Opschuiven Uitglijden | Schoof | Geschoven
|
| Schulpen | Schulpte | Geschulpt
|
SchurenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schuurde, heeft/is geschuurd; schuurder, schuring) 1 met sterke wrijving langs of over iets schuiven (overgankelijk werkwoord; schuurde, heeft geschuurd) 1 (ook absoluut) door stevig wrijven gladmaken 2 (in België; informeel) schrobben, schoonmaken
In Spaans overeenkomend met: Restregar Lustrar, Pulimentar, Pulir sBoenen Poetsen Polijsten Wrijven Zoeten | Schuurde | Geschuurd
|
SchurkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; schurkte, heeft geschurkt) 1 met het lichaam tegen iets aan schuren
| Schurkte | Geschurkt
|
SchuttenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schutte, is geschut; schutting) 1 door een schutsluis varen (overgankelijk werkwoord; schutte, heeft geschut) 1 tegenhouden 2 (een schip) door een schutsluis in water van hoger of lager peil brengen
| Schutte | Geschut
|
SchutterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; schutterde, heeft geschutterd) 1 onbeholpen te werk gaan, knoeien
| Schutterde | Geschutterd
|
SchuwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schuwde, heeft geschuwd) 1 mijden uit vrees of uit afkeer
| Schuwde | Geschuwd
|
ScorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; scoorde, heeft gescoord) 1 (sport) (een of meer punten) behalen 2 (informeel) verwerven 3 als uitslag hebben voor een test, examen, enz. 4 succes behalen 5 gewaardeerd worden
In Spaans overeenkomend met: Marcar gol
| Scoorde | Gescoord
|
| Scrabbelen | Scrabbelde | Gescrabbeld
|
ScratchenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; scratchte, heeft gescratcht; scratcher, scratching) 1 een grammofoonplaat snel en ritmisch onder de naald heen en weer bewegen
| Scratchte | Gescratcht
|
ScreenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; screende, heeft gescreend; screener, screening) 1 onderzoek doen naar iemands geschiktheid of betrouwbaarheid voor een bepaalde functie
| Screende | Gescreend
|
ScrollenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; scrolde, heeft gescrold; scroller) 1 (computer) tekst over het computerscherm laten rollen
| Scrolde | Gescrold
|
ScrubbenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; scrubde, heeft gescrubd) 1 de huid stevig masseren met een ruw voorwerp of een korrelige massa, om dode huidcellen te verwijderen
| Scrubde | Gescrubd
|
SealenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sealde, heeft geseald; sealing) 1 met plastic luchtdicht afsluiten
| Sealde | Geseald
|
SeconderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; secondeerde, heeft gesecondeerd) 1 helpen, bijstaan als getuige bij een duel
| Secondeerde | Gesecondeerd
|
SeculariserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; seculariseerde, heeft/is geseculariseerd) 1 verwereldlijken
| Seculariseerde | Geseculariseerd
|
| Sedenteren | Sedenteerde | Gesedenteerd
|
SegmenterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; segmenteerde, heeft gesegmenteerd; segmentering) 1 in segmenten, in kleine eenheden verdelen
| Segmenteerde | Gesegmenteerd
|
SegregerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; segregeerde, is gesegregeerd; segregatie) 1 gescheiden worden (overgankelijk werkwoord; segregeerde, heeft gesegregeerd) 1 afzonderen
| Segregeerde | Gesegregeerd
|
SeinenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; seinde, heeft geseind; seiner) 1 door seinen bekendmaken, seinen geven 2 telegraferen
In Spaans overeenkomend met: Hacer una señal, Indicar sEen sein geven | Seinde | Geseind
|
SeizenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; seisde, heeft geseisd) 1 (scheepvaart) (een tros of touw) vastsjorren
| Seisde | Geseisd
|
SeksenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sekste, heeft gesekst) 1 seksuele gemeenschap hebben (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sekste, heeft gesekst) 1 (kuikens, konijnen e.d.) onderzoeken om het geslacht te bepalen
| Sekste | Gesekst
|
SeksualiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; seksualiseerde, heeft geseksualiseerd; seksualisering) 1 (iets) een seksueel karakter geven
| Seksualiseerde | Geseksualiseerd
|
SekwestrerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sekwestreerde, heeft gesekwestreerd) 1 (juridisch) in bewaring stellen
| Sekwestreerde | Gesekwestreerd
|
SelecterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; selecteerde, heeft geselecteerd; selectie) 1 selectie toepassen
In Spaans overeenkomend met: Tamizar Elegir Escoger, Seleccionar sKiezen Zeven | Selecteerde | Geselecteerd
|
SensibiliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sensibiliseerde, heeft gesensibiliseerd; sensibilisatie) 1 (in België) (het publiek of een bep. groep) bewust maken, gevoelig maken, warm maken
| Sensibiliseerde | Gesensibiliseerd
|
SeparerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; separeerde, heeft gesepareerd; separatie) 1 afzonderen, van elkaar scheiden
| Separeerde | Gesepareerd
|
SeponerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; seponeerde, heeft geseponeerd) 1 (juridisch) terzijde leggen, niet vervolgen
| Seponeerde | Geseponeerd
|
ServerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; serveerde, heeft geserveerd; serveerder) 1 (gerechten) opdienen 2 (een tennisbal, volleybal e.d.) opslaan
In Spaans overeenkomend met: Servir sAankaarten Opdienen | Serveerde | Geserveerd
|
| Settelen | Settelde | Gesetteld
|
ShakenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Shakete | Geshaket
|
ShamponerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; shamponeerde, heeft geshamponeerd) 1 wassen met shampoo
| Shamponeerde | Geshamponeerd
|
ShampooënALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; shampoode, heeft geshampood) 1 met shampoo wassen
| Shampoode | Geshampood
|
ShimmyenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; shimmyde, heeft geshimmyd) 1 (van autowielen) wiebelen, slingeren
| Shimmyde | Geshimmyd
|
| Shocken | Shockte | Geshockt
|
ShoppenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; shopte, heeft geshopt) 1 (informeel) winkelen 2 (informeel) bij verscheidene zaken, banken e.d. langs gaan om het aanbod te vergelijken
| Shopte | Geshopt
|
| Shorttracken | Shorttrackte | Geshorttrackt
|
| Shotten | Shotte | Geshot
|
ShowenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; showde, heeft geshowd) 1 een show houden, in een show vertonen
| Showde | Geshowd
|
SidderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sidderde, heeft gesidderd; sidderaar, siddering) 1 bibberen van angst
| Sidderde | Gesidderd
|
SiepelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; siepelde, heeft/is gesiepeld) 1 sijpelen
| Siepelde | Gesiepeld
|
SierenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sierde, heeft gesierd) 1 tot sieraad, tot eer zijn
In Spaans overeenkomend met: Adornar, Ornamentar sDecoreren Opsieren Tooien Uitdossen Versieren | Sierde | Gesierd
|
SignalerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; signaleerde, heeft gesignaleerd; signalering) 1 opmerken 2 wijzen op
In Spaans overeenkomend met: Hacer notar, Señalar sOpmerken Opmerkzaam maken | Signaleerde | Gesignaleerd
|
SignerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; signeerde, heeft gesigneerd; signering) 1 met zijn naam of handtekening ondertekenen
| Signeerde | Gesigneerd
|
| Sijfelen | Sijfelde | Gesijfeld
|
SijpelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sijpelde, heeft/is gesijpeld; sijpeling) 1 met dunne straaltjes afdruipen, doorlekken
| Sijpelde | Gesijpeld
|
SimmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; simde, heeft gesimd) 1 een huilend gezicht zetten
| Simde | Gesimd
|
SimpenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; simpte, heeft gesimpt) 1 (informeel) simmen
| Simpte | Gesimpt
|
SimplificerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; simplificeerde, heeft gesimplificeerd; simplificatie) 1 eenvoudiger voorstellen
| Simplificeerde | Gesimplificeerd
|
SimulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; simuleerde, heeft gesimuleerd) 1 (ook absoluut) (een ziekte) voorwenden 2 nabootsen
In Spaans overeenkomend met: Aparentar, Fingir, Simular sDoen alsof Fingeren Veinzen Voorgeven Voorwenden | Simuleerde | Gesimuleerd
|
SimultaanschakenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 tegen meerdere tegenstanders tegelijk schaken
| |
|
| Singelen | Singelde | Gesingeld
|
SinterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sinterde, heeft gesinterd) 1 (van metalen en keramisch materiaal) een begin van smelting vertonen en daardoor aaneenklitten
| Sinterde | Gesinterd
|
SissenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; siste, heeft gesist) 1 een scherp geluid voortbrengen door lucht met kracht uit een nauwe opening te doen stromen (overgankelijk werkwoord; siste, heeft gesist) 1 met sissende stem zeggen
In Spaans overeenkomend met: Llamear Silbar sFluiten Langzaam branden | Siste | Gesist
|
SituerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; situeerde, heeft gesitueerd; situering) 1 plaatsen in ruimte of tijd
In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Situar sLeggen Plaatsen Stationeren | Situeerde | Gesitueerd
|
SjablonerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sjabloneerde, heeft gesjabloneerd) 1 (voorstellingen, letters enz.) aanbrengen met sjablonen
| Sjabloneerde | Gesjabloneerd
|
| Sjachelen | Sjachelde | Gesjacheld
|
SjacherenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjacherde, heeft gesjacherd; sjacheraar) 1 minderwaardige, ongeregelde of bedrieglijke handel drijven 2 veel loven en bieden
In Spaans overeenkomend met: Cambalachear, Chalanear
| Sjacherde | Gesjacherd
|
SjansenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjanste, heeft gesjanst) 1 (informeel) flirten
| Sjanste | Gesjanst
|
| Sjappen | Sjapte | Gesjapt
|
SjezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (sjeesde, heeft/is gesjeesd) (informeel) zeer snel gaan 2 (sjeesde, is gesjeesd) zakken voor een examen
| Sjeesde | Gesjeesd
|
| Sjieken | Sjiekte | Gesjiekt
|
SjilpenIn Spaans overeenkomend met: Gorjear, Piar sKwetteren Piepen Tjilpen | Sjilpte | Gesjilpt
|
SjirpenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) zie tjirpen
In Spaans overeenkomend met: Chirriar sTsjirpen | Sjirpte | Gesjirpt
|
SjoelbakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjoelbakte, heeft gesjoelbakt) 1 sjoelen
| Sjoelbakte | Gesjoelbakt
|
SjoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjoelde, heeft gesjoeld) 1 met de sjoelbak spelen
| Sjoelde | Gesjoeld
|
SjoemelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjoemelde, heeft gesjoemeld; sjoemelaar) 1 (informeel) frauderen
| Sjoemelde | Gesjoemeld
|
SjokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjokte, heeft/is gesjokt) 1 moeilijk of zonder haast lopen
| Sjokte | Gesjokt
|
SjorrenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sjorde, heeft gesjord) 1 (ook absoluut) ingespannen aan iets trekken om het te verplaatsen of om het los of vast te maken 2 stevig met een touw vastbinden
In Spaans overeenkomend met: Abarrotar
| Sjorde | Gesjord
|
SjottenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sjotte, heeft gesjot) 1 (in België; informeel) (een bal) schieten, trappen
| Sjotte | Gesjot
|
SjouwenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sjouwer) 1 (sjouwde, heeft gesjouwd) zwaar werk verrichten, zeulen 2 (sjouwde, heeft/is gesjouwd) (informeel) lopen op een inspannende manier (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sjouwde, heeft gesjouwd) 1 iets met inspanning dragen
| Sjouwde | Gesjouwd
|
SkateboardenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skateboardde, heeft/is geskateboard) 1 op een skateboard rijden
| Skateboardde | Geskateboard
|
SkatenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skatete, heeft/is geskatet) 1 skateboarden 2 zich op inlineskates voortbewegen
| Skatete | Geskatet
|
SkeelerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skeelerde, heeft/is geskeelerd) 1 op skeelers rijden
| Skeelerde | Geskeelerd
|
SkeletterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; skeletteerde, heeft geskeletteerd) 1 (een dierlijk lichaam) ontvlezen, drogen en het geraamte in elkaar zetten 2 (gedroogde bladeren) van het bladmoes ontdoen
| Skeletteerde | Geskeletteerd
|
SkelterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skelterde, heeft/is geskelterd) 1 met een skelter rijden
| Skelterde | Geskelterd
|
SkilopenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; skiloper) 1 langlaufen
| Liep ski | Skigelopen
|
SkimmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skimde, heeft geskimd) 1 de magneetstrip van een betaalpasje van een ander kopiëren met het doel daarmee zelf illegaal geldopnames te verrichten
| Skimde | Geskimd
|
SkispringenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; skispringer) 1 skiwedstrijd waarbij men zo ver mogelijk van een schans probeert te springen
| |
|
SkiënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skiede, heeft/is geskied; skiër) 1 zich op ski's voortbewegen
In Spaans overeenkomend met: Esquiar
| Skiede | Geskied
|
SkypenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; skypete, heeft geskypet) 1 internetbellen m.n. met behulp van software van Skype
| Skypte | Geskypt
|
SlaanALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; sloeg, heeft geslagen) 1 gaan over, betrekking hebben op (onovergankelijk werkwoord) 1 (sloeg, heeft geslagen) met de hand of iets anders min of meer snel bewegen 2 (sloeg, is geslagen) min of meer abrupt in de genoemde positie of toestand raken 3 (sloeg, heeft geslagen) door stoten of slagen geluid voortbrengen (overgankelijk werkwoord; sloeg, heeft geslagen) 1 (ook absoluut) met een of meer snelle bewegingen raken 2 (ook absoluut) (een dam- of schaakstuk) door een bepaalde zet van het bord verwijderen 3 (ook absoluut) (geluid) voortbrengen 4 met slaande bewegingen bewerken 5 met slaande bewegingen in de genoemde positie of toestand brengen 6 met slaande bewegingen maken 7 met zwaaiende bewegingen in de genoemde positie of toestand brengen 8 met zwaaiende bewegingen maken 9 (een prestatie) overtreffen
In Spaans overeenkomend met: Batir, Pegar Chocar, Golpear, Percutir Tocar Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar sAanmunten Afdrukken Gaan Houwen Klappen Kleppen Klinken Kloppen Meppen Opvallen Overgaan Stempelen Zijn stempel drukken op | Sloeg | Geslagen
|
SlaapwandelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slaapwandelde, heeft geslaapwandeld; slaapwandelaar) 1 tijdens de slaap rondlopen en handelen alsof men wakker was
| Slaapwandelde | Geslaapwandeld
|
SlabakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slabakte, heeft geslabakt) 1 niet voortmaken 2 (in België) (van de economie, de markt, ondernemingen) kwijnen, achteruitgaan, verslappen
| Slabakte | Geslabakt
|
| Slabben | Slabde | Geslabd
|
| Slabberen | Slabberde | Geslabberd
|
SlachtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slachtte, heeft geslacht; slachter, slachting) 1 doden met het oog op het te verkrijgen vlees
In Spaans overeenkomend met: Faenar, Matar sAfslachten | Slachtte | Geslacht
|
SlachtofferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slachtofferde, heeft geslachtofferd) 1 opofferen aan een zaak van hoger belang
In Spaans overeenkomend met: Inmolar sOfferen | Slachtofferde | Geslachtofferd
|
SlagenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slaagde, is geslaagd) 1 het nagestreefde bereiken 2 met succes examen doen 3 goed aflopen, met het gewenste resultaat
In Spaans overeenkomend met: Acertar, Lograr, Tener éxito sDoorkomen Erin slagen Klaarspelen Slagen in Slagen voor | Slaagde | Geslaagd
|
SlagregenenALLE betekenissen van dit woord: (onpersoonlijk werkwoord; slagregende, heeft geslagregend) 1 hevig regenen
| Slagregende | Geslagregend
|
SlakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slaakte, heeft geslaakt) 1 (woorden of een geluid) uiten
In Spaans overeenkomend met: Exhalar sUiten | Slaakte | Geslaakt
|
| Slalommen | Slalomde | Geslalomd
|
SlampampenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slampampte, heeft geslampampt; slampamper) 1 (informeel) rondhangen
| Slampampte | Geslampampt
|
SlapenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; sliep, heeft geslapen) 1 vrijen, geslachtsgemeenschap hebben (onovergankelijk werkwoord; sliep, heeft geslapen; slaper) 1 in slaap zijn 2 (van ledematen) een tintelend gevoel geven na een onderbreking van de bloedsomloop 3 suffen 4 (van planten) 's nachts schijnbaar rusten
In Spaans overeenkomend met: Dormir Descansar sMaffen Ontspannen Pitten Uitslapen | Sliep | Geslapen
|
| Slappen | Slapte | Geslapt
|
SlavenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slaafde, heeft geslaafd) 1 hard en aanhoudend werken
| Slaafde | Geslaafd
|
SlechtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slechtte, heeft geslecht; slechting) 1 vlakmaken, gladmaken 2 met de grond gelijk maken
| Slechtte | Geslecht
|
| Sleden | Sleedde | Gesleed
|
SleepvoetenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleepvoette, heeft/is gesleepvoet) 1 met de voeten slepen
| Sleepvoette | Gesleepvoet
|
SleeënALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleede, heeft/is gesleed) 1 met de slee glijden
| Sleede | Gesleed
|
SlempenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt; slemper) 1 overdadig eten en/of drinken (overgankelijk werkwoord; slempte, heeft geslempt) 1 grond met water drenken om die goed te doen aaneensluiten 2 gaten met zand vullen onder toevoer van water
In Spaans overeenkomend met: Ir de juerga sAan de rol zijn Boemelen Brassen Uitspatten Zwijnen | Slempte | Geslempt
|
SlenterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slenterde, heeft/is geslenterd; slenteraar) 1 langzaam, zonder doel voortlopen
In Spaans overeenkomend met: Barzonear, Deambular, Vagar sDrentelen Flaneren Kuieren Rondhangen | Slenterde | Geslenterd
|
SlepenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleepte, heeft gesleept; sleper, sleping) 1 zich over de grond schuivend voortbewegen 2 een traag verloop hebben (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sleepte, heeft gesleept) 1 (een gevaarte) met meer of minder moeite vooruit trekken 2 (tonen) lang aanhouden en aan elkaar verbinden
In Spaans overeenkomend met: Halar Arrastrar, Atoar, Remolcar sMeesleuren Trekken Voorttrekken | Sleepte | Gesleept
|
SleurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sleurde, heeft gesleurd) 1 ruw voortslepen
| Sleurde | Gesleurd
|
SleutelenALLE betekenissen van dit woord: aan (werkwoord; sleutelde, heeft gesleuteld) 1 proberen te verbeteren (onovergankelijk werkwoord; sleutelde, heeft gesleuteld; sleutelaar) 1 (informeel) een defect aan een auto of motor opsporen en repareren
| Sleutelde | Gesleuteld
|
SlibbenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slibde, heeft geslibd) 1 slib afzetten
| Slibde | Geslibd
|
| Slibberen | Slibberde | Geslibberd
|
SlichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slichtte, heeft geslicht) 1 gladmaken
| Slichtte | Geslicht
|
| Slidderen | Slidderde | Geslidderd
|
| Sliepen | Sliepte | Gesliept
|
SlierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slierde, heeft/is geslierd) 1 doelloos rondlopen
| Slierde | Geslierd
|
SlijmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slijmde, heeft geslijmd) 1 (informeel) slijmerig, kruiperig doen
| Slijmde | Geslijmd
|
SlijpenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleep, heeft geslepen; slijper) 1 langzaam, innig met iem. dansen 2 doelloos lopen, slenteren (overgankelijk werkwoord; sleep, heeft geslepen) 1 (ook absoluut) door sterk wrijven langs een ruw oppervlak gladmaken of de vereiste vorm geven 2 door wrijven of snijden scherp maken 3 (glaswerk) door insnijdingen versieren
In Spaans overeenkomend met: Afilar, Aguzar Labrar, Tallar sAanzetten Scherpen Wetten | Sleep | Geslepen
|
SlijtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sleet, is gesleten; slijting) 1 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik minder worden in massa, sterkte of bruikbaarheid 2 mettertijd minder worden in kracht, verzwakken (overgankelijk werkwoord; sleet, heeft gesleten) 1 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik doen afnemen in massa, sterkte of bruikbaarheid 2 door voortdurende wrijving of voortdurend gebruik veroorzaken, maken 3 (tijd) doorbrengen, vooral op een eentonige of rustige wijze 4 verkopen 5 (vlas) uittrekken bij de oogst
In Spaans overeenkomend met: Destrozar por el uso Desgastarse sAfdragen Afslijten Doorslijten Opgebruiken Uitslijten Verslijten | Sleet | Gesleten
|
SlikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; slikte, heeft geslikt) 1 (ook absoluut) doorslikken 2 zonder tegenstand geloven, goedvinden, laten gebeuren enz. 3 (in België) (water) afvoeren, verwerken
In Spaans overeenkomend met: Deglutir Deglutir, Tragar sDoorslikken Inslikken Slokken | Slikte | Geslikt
|
SlingerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slingeraar, slingering) 1 (slingerde, heeft/is geslingerd) zich hangend aan een steunpunt heen en weer bewegen 2 (slingerde, heeft/is geslingerd) zwaaiend, onregelmatig heen en weer gaand voortbewegen 3 (slingerde, heeft geslingerd) ordeloos, zonder vooropgezet doel neergeworpen zijn 4 (slingerde, heeft geslingerd) (van varende schepen) schommelen om de lengteas (overgankelijk werkwoord; slingerde, heeft geslingerd) 1 met een zwaai weggooien 2 meermalen winden om 3 met een slinger voortbewegen 4 (honing) met een slingermachine uit de raat halen
In Spaans overeenkomend met: Fulminar ((banvloek, veroordeling),(conjuramento)) Oscilar Serpentear Blandir, Tremolar sKronkelen Oscilleren Schommelen Swingen Zwaaien | Slingerde | Geslingerd
|
SlinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slonk, is geslonken; slinking) 1 minder worden
In Spaans overeenkomend met: Mermar Amainar, Decrecer, Disminuir, Menguar Abarquillarse, Arrugarse, Encogerse sAflopen Afnemen Ineenschrompelen Minder worden Rimpels krijgen Tanen Verflauwen Verminderen Verschrompelen | Slonk | Geslonken
|
SlippenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slipte, is geslipt) 1 wegglijden, doorschieten 2 (van voertuigen) door gladheid over de weg schuiven 3 glippen, zich onopgemerkt verplaatsen
| Slipte | Geslipt
|
SlissenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sliste, heeft geslist) 1 de 's' breed uitspreken
| Sliste | Geslist
|
SlobberenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slobberde, heeft geslobberd) 1 (van kleren) lubberen, te ruim zitten 2 niet goed aansluiten en daardoor heen en weer gaan (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; slobberde, heeft geslobberd) 1 lebberen, hoorbaar drinken
| Slobberde | Geslobberd
|
SlodderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; slodderde, heeft geslodderd) 1 (van kleren) lubberen, te ruim zitten
| Slodderde | Geslodderd
|
SloffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloffer) 1 (slofte, heeft/is gesloft) lopen zonder de voeten op te tillen 2 (slofte, heeft gesloft) (informeel) boffen, geluk hebben
| Slofte | Gesloft
|
SlokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; slokte, heeft geslokt) 1 schrokken, gulzig eten
In Spaans overeenkomend met: Deglutir Deglutir, Tragar sDoorslikken Inslikken Slikken | Slokte | Geslokt
|
| Slonzen | Slonsde | Geslonsd
|
| Slooien | Slooide | Geslooid
|
SlootjespringenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 springen met of zonder polsstok over een sloot of sloten
| |
|
SlopenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sloopte, heeft gesloopt; sloper) 1 afbreken 2 uitputten
In Spaans overeenkomend met: Consumir Allanar, Demoler, Derribar, Derruir, Echar abajo, Echar en tierra, Echar por tierra sAfbreken Consumeren Neerhalen Verbruiken Vernietigen Verorberen Verteren Verwoesten | Sloopte | Gesloopt
|
SlorpenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) zie slurpen
| Slorpte | Geslorpt
|
| Sloten | Slootte | Gesloot
|
SlovenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloofde, heeft gesloofd; slover) 1 hard en aanhoudend werken
| Sloofde | Gesloofd
|
SluierenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sluierde, heeft gesluierd; sluiering) 1 (van foto's) zwarting vertonen (overgankelijk werkwoord; sluierde, heeft gesluierd) 1 met een sluier bedekken
In Spaans overeenkomend met: Oscurecer, Velar sOmsluieren | Sluierde | Gesluierd
|
SluikstortenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sluikstorter, sluikstorting) 1 (in België, niet algemeen) clandestien afval storten
| Sluikstortte | Gesluikstort
|
SluimerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sluimerde, heeft gesluimerd; sluimering) 1 dommelen 2 verborgen aanwezig zijn, niet actief zijn
In Spaans overeenkomend met: Echar la siesta sDruilen Dutten | Sluimerde | Gesluimerd
|
SluipenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sloop, is geslopen; sluiper) 1 zich zo behoedzaam voortbewegen dat men niet opgemerkt wordt
| Sloop | Geslopen
|
SluitenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sluiter, sluiting) 1 (sloot, heeft gesloten) zodanig op, tegen of in iets anders geplaatst worden of zijn, dat er geen tussenruimte overblijft 2 (sloot, heeft gesloten) (van bedrijven, winkels e.d.) de activiteiten staken, geen publiek meer toelaten 3 (sloot, heeft/is gesloten) (van aandelen, de beurs e.d.) tegen het einde van de markt in de genoemde toestand zijn 4 (sloot, heeft/is gesloten) (van een rekening of begroting) de genoemde einduitkomst hebben (overgankelijk werkwoord; sloot, heeft gesloten) 1 (ook absoluut) toedoen, dichtmaken, afsluiten 2 door iets dicht te doen vasthouden 3 aangaan, tot stand brengen 4 beëindigen 5 (jacht, visserij) gedurende bepaalde tijd verbieden 6 (economie) opmaken, afsluiten
In Spaans overeenkomend met: Trancar Cerrarse ((wond, bloem),(herida, flor)) Cerrar, Cerrar con llave sAfsluiten Barricaderen Dichtgaan Op slot doen | Sloot | Gesloten
|
SluizenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sluisde, heeft gesluisd) 1 door een schutsluis doen varen
| Sluisde | Gesluisd
|
| Slungelen | Slungelde | Geslungeld
|
SlurpenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; slurpte, heeft geslurpt) 1 (drank of vloeibare spijs) hoorbaar zuigend tot zich nemen
In Spaans overeenkomend met: Absorber, Sorber sOpslorpen Opslurpen Resorberen | Slurpte | Geslurpt
|
SmachtenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; smachtte, heeft gesmacht) 1 verkommeren naar (werkwoord; smachtte, heeft gesmacht) 1 hevig verlangen
In Spaans overeenkomend met: Desear Anhelar, Añorar, Suspirar sHaken naar Hunkeren Reikhalzen Smachten naar Snakken naar Verlangen Zuchten Zuchten naar | Smachtte | Gesmacht
|
SmadenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smaadde, heeft gesmaad; smader, smading) 1 honen, beledigen
| Smaadde | Gesmaad
|
SmakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smaakte, heeft gesmaakt) 1 de genoemde smaak hebben (overgankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
In Spaans overeenkomend met: Paladear, Saborear Saber sProeven | Smaakte | Gesmaakt
|
SmakkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (smakte, heeft gesmakt) een klappend geluid met de lippen of met de tong maken 2 (smakte, is gesmakt) (informeel) hard vallen (overgankelijk werkwoord; smakte, heeft gesmakt) 1 met geweld werpen
In Spaans overeenkomend met: Comer con ruido Besar con ruido
| Smakte | Gesmakt
|
SmalenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smaalde, heeft gesmaald; smaler) 1 met geringschatting spreken
| Smaalde | Gesmaald
|
SmartenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smartte, heeft gesmart) 1 (archaïsch) leed veroorzaken
In Spaans overeenkomend met: Acongojar, Afligir, Entristecer sBedroeven Grieven | Smartte | Gesmart
|
SmashenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; smashte, heeft gesmasht) 1 (de bal) spelen met een neerwaarts gerichte, harde slag
| Smashte | Gesmasht
|
SmedenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smeedde, heeft gesmeed) 1 (ook absoluut) (gloeiend metaal) door hameren bewerken 2 (iets) door hameren uit gloeiend metaal vervaardigen 3 bedenken, beramen
In Spaans overeenkomend met: Forjar
| Smeedde | Gesmeed
|
SmekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smeekte, heeft gesmeekt; smeker, smeking) 1 nederig en dringend vragen om iets
In Spaans overeenkomend met: Conjurar, Rogar, Suplicar sAfsmeken | Smeekte | Gesmeekt
|
SmeltenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smolt, is gesmolten; smelting) 1 door verhitting vloeibaar worden 2 oplossen in een vloeistof 3 slinken (overgankelijk werkwoord; smolt, heeft gesmolten) 1 door middel van warmte vloeibaar maken 2 laten fijnkoken
In Spaans overeenkomend met: Derretir, Fundir Deshacer Derretir, Fundir Derretirse sDoen smelten Doorbranden Versmelten Vloeibaar maken Vloeibaar worden | Smolt | Gesmolten
|
SmerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smeerde, heeft gesmeerd; smeerder, smering) 1 zich laten uitsmeren (overgankelijk werkwoord; smeerde, heeft gesmeerd) 1 met een vettige of gladmakende stof bestrijken 2 van een laagje boter of vet voorzien 3 (een kleverige of vettige stof) uitstrijken
In Spaans overeenkomend met: Aceitar, Lubrificar Ponerse Pintarrajar, Pintarrajear Engrasar, Untar sBesmeren Doorsmeren Invetten Kladden | Smeerde | Gesmeerd
|
SmettenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smette, heeft gesmet) 1 (van de huid) door broeiing branderigheid of ontvelling vertonen
In Spaans overeenkomend met: Manchar sBekladden Vlekken | Smette | Gesmet
|
SmeulenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smeulde, heeft gesmeuld) 1 langzaam branden zonder vlam 2 verborgen aanwezig zijn
| Smeulde | Gesmeuld
|
SmiespelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smiespelde, heeft gesmiespeld) 1 fluisteren
| Smiespelde | Gesmiespeld
|
| Smijdigen | Smijdigde | Gesmijdigd
|
SmijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; smeet, heeft gesmeten) 1 hard werpen, gooien
In Spaans overeenkomend met: Arrojar Echar sGooien Keilen Uitgooien Uitsmijten Uitspelen Uitwerpen Werpen | Smeet | Gesmeten
|
SmikkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smikkelde, heeft gesmikkeld; smikkelaar) 1 stilletjes smullen
| Smikkelde | Gesmikkeld
|
| Smodderen | Smodderde | Gesmodderd
|
SmoezelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smoezelde, heeft gesmoezeld) 1 bedekt en zacht praten
In Spaans overeenkomend met: Cuchichear sFluisteren Smoezen | Smoezelde | Gesmoezeld
|
SmoezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smoesde, heeft gesmoesd) 1 bedekt en zacht met iem. praten
In Spaans overeenkomend met: Cuchichear sFluisteren Smoezelen | Smoesde | Gesmoesd
|
SmokenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smookte, heeft gesmookt) 1 walmen (overgankelijk werkwoord; smookte, heeft gesmookt) 1 (ook absoluut) stevig roken 2 (steen, dakpannen) door sterke rookontwikkeling tegen het einde van het bakken blauw stoken
In Spaans overeenkomend met: Fumar, Humear sRoken | Smookte | Gesmookt
|
SmokkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smokkelde, heeft gesmokkeld; smokkelaar) 1 een voorschrift of verbod ontduiken 2 spieken (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; smokkelde, heeft gesmokkeld) 1 verboden goederen, of goederen waarvoor rechten betaald moeten worden, heimelijk over de grens brengen 2 iets in het geheim naar de genoemde plaats of in de genoemde richting brengen
In Spaans overeenkomend met: Contrabandear Engañar sBeetnemen Verlakken | Smokkelde | Gesmokkeld
|
SmokkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; smokte, heeft gesmokt) 1 versieren met smokwerk
| Smokte | Gesmokt
|
SmorenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smoorde, is gesmoord) 1 stikken 2 zijn kracht verliezen, blijven steken 3 met weinig vocht en vet in een gesloten pan gaar worden (overgankelijk werkwoord; smoorde, heeft gesmoord) 1 (geluid) dempen 2 (voedsel) met weinig vocht en vet in een gesloten pan boven een vuur gaar laten worden 3 (in België, informeel) roken, m.n. joints
In Spaans overeenkomend met: Brasear, Guisar Estofar Ahogar, Sofocar sBraiseren Neerslaan Onderdrukken Stoven Verkroppen Verstikken | Smoorde | Gesmoord
|
| Smotsen | Smotste | Gesmotst
|
| Smousen | Smouste | Gesmoust
|
| Smousjassen | Smousjaste | Gesmousjast
|
| Smouten | Smoutte | Gesmout
|
| Smouzen | Smousde | Gesmousd
|
Sms'enALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sms'te, heeft gesms't) 1 sms-berichten versturen
| Sms'te | Ge-sms't
|
| Smukken | Smukte | Gesmukt
|
SmullenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; smulde, heeft gesmuld; smuller) 1 van eten genieten 2 zeer genieten
| Smulde | Gesmuld
|
| Smulpapen | Smulpaapte | Gesmulpaapt
|
SnaaienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snaaide, heeft gesnaaid; snaaier) 1 (informeel) (iets eetbaars) wegnemen
| Snaaide | Gesnaaid
|
| Snabbelen | Snabbelde | Gesnabbeld
|
SnakkenALLE betekenissen van dit woord: naar (werkwoord; snakte, heeft gesnakt) 1 heftig begeren, vurig verlangen (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Snakte | Gesnakt
|
SnappenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snapte, heeft gesnapt) 1 (iem.) vatten 2 (informeel) begrijpen
In Spaans overeenkomend met: Comprender, Entender Sorprender sBegrijpen Beseffen Betrappen Bevatten Omvatten Vatten Verrassen Verstaan | Snapte | Gesnapt
|
SnaterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snaterde, heeft gesnaterd; snatering) 1 het voor eenden, ganzen kenmerkende geluid laten horen 2 (van personen) druk of te onpas praten
In Spaans overeenkomend met: Graznar
| Snaterde | Gesnaterd
|
SnauwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; snauwde, heeft gesnauwd; snauwer) 1 bits spreken, zeggen
| Snauwde | Gesnauwd
|
| Snebberen | Snebberde | Gesnebberd
|
| Sneeuwballen | Sneeuwbalde | Gesneeuwbald
|
SneeuwenALLE betekenissen van dit woord: (onpersoonlijk werkwoord; sneeuwde, heeft gesneeuwd) 1 het vallen van sneeuw
In Spaans overeenkomend met: Nevar
| Sneeuwde | Gesneeuwd
|
SneeuwruimenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sneeuwruimer) 1 gevallen sneeuw verwijderen
| |
|
SnellenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snelde, is gesneld) 1 zich snel voortbewegen
In Spaans overeenkomend met: Correr sHardlopen Hollen Rennen | Snelde | Gesneld
|
SnelschakenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 schaken met korte bedenktijd
| |
|
SnelwandelenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; snelwandelaar) 1 (wandelsport) loopnummer in de atletiek, waarbij men verplicht is steeds contact met de grond te houden
| |
|
| Snepen | Sneepte | Gesneept
|
SnerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sneerde, heeft gesneerd) 1 (iets) als of met een sneer zeggen
| Sneerde | Gesneerd
|
SnerkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snerkte, heeft gesnerkt) 1 sissend knetteren
| Snerkte | Gesnerkt
|
SnerpenIn Spaans overeenkomend met: Cortar sSnijden | Snerpte | Gesnerpt
|
| Sneukelen | Sneukelde | Gesneukeld
|
SneuvelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sneuvelde, is gesneuveld) 1 in een gevecht, in de oorlog omkomen 2 (schertsend) (van zaken) kapotgaan
In Spaans overeenkomend met: Perecer sCreperen Omkomen Ondergaan Vergaan Verongelukken | Sneuvelde | Gesneuveld
|
SnevenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sneefde, is gesneefd) 1 (formeel) sneuvelen
| Sneefde | Gesneefd
|
| Snezen | Sneesde | Gesneesd
|
SnibbenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snibde, heeft gesnibd) 1 snauwen
| Snibde | Gesnibd
|
| Snieren | Snierde | Gesnierd
|
SniffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snifte, heeft gesnift) 1 hoorbaar en enigszins hortend door de neus ademhalen 2 zachtjes huilen
| Snifte | Gesnift
|
SnijdenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sneed, heeft gesneden; snijder) 1 (van voorwerpen) een min of meer scherpe snee maken 2 pijnlijk aandoen (overgankelijk werkwoord; sneed, heeft gesneden) 1 (ook absoluut) (iets) met een mes e.d. van elkaar scheiden 2 (ook absoluut) (iem.) afzetten 3 (ook absoluut) (iem.) zo inhalen dat deze naar de kant van de weg gedrongen wordt 4 (ook absoluut) castreren 5 uitsnijden 6 (van lijnen) (een andere lijn) kruisen in een gemeenschappelijk punt
In Spaans overeenkomend met: Cortar Castrar Cortar Estafar sAfzetten Castreren Hakken Ontmannen Snerpen | Sneed | Gesneden
|
SnikkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snikte, heeft gesnikt) 1 hikkende, krampachtige bewegingen maken tijdens het huilen
In Spaans overeenkomend met: Sollozar
| Snikte | Gesnikt
|
SnipperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snipperde, heeft gesnipperd) 1 iets tot snippers maken
In Spaans overeenkomend met: Picar sFijnhakken | Snipperde | Gesnipperd
|
SnoeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; snoeide, heeft gesnoeid) 1 takken wegnemen van (bomen of heesters) 2 inkorten, beperken, begrenzen
In Spaans overeenkomend met: Limpiar Cortar, Esquilar Destallar, Podar sBesnoeien Knippen Scheren | Snoeide | Gesnoeid
|
SnoekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snoekte, heeft gesnoekt; snoeker) 1 met de hengel op snoek vissen
| Snoekte | Gesnoekt
|
SnoepenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snoepte, heeft gesnoept; snoeper) 1 heimelijk eten van (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; snoepte, heeft gesnoept) 1 (snoepgoed enz.) als lekkernij verorberen
In Spaans overeenkomend met: Golosinear
| Snoepte | Gesnoept
|
SnoerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; snoerde, heeft gesnoerd) 1 iets met een snoer binden, verbinden of vastmaken
| Snoerde | Gesnoerd
|
SnoevenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snoefde, heeft gesnoefd; snoever) 1 opscheppen
In Spaans overeenkomend met: Fanfarronear, Jactarse sBluffen Opscheppen Pochen Snorken Stoffen Zwetsen | Snoefde | Gesnoefd
|
SnokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snokte, heeft gesnokt) 1 (in België, niet algemeen) rukken
| Snokte | Gesnokt
|
SnookerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snookerde, heeft gesnookerd) 1 snooker spelen
| Snookerde | Gesnookerd
|
SnorkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snorkelde, heeft/is gesnorkeld) 1 met een snorkel onder water zwemmen
| Snorkelde | Gesnorkeld
|
SnorkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snorker) zie snurken
In Spaans overeenkomend met: Fanfarronear Roncar sBluffen Knorren Opscheppen Pochen Ronken Snoeven Snurken Stoffen Zwetsen | Snorkte | Gesnorkt
|
SnorrenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (snorde, heeft gesnord) een brommend geluid maken 2 (snorde, is gesnord) zich snel voortbewegen met een gonzend geluid 3 (snorde, heeft gesnord) zonder vergunning taxidiensten verrichten (overgankelijk werkwoord; snorde, heeft gesnord) 1 (informeel) betrappen
In Spaans overeenkomend met: Buscar Canturrear, Ronronear, Zumbar sBrommen Gonzen Opzoeken Razen Suizelen Suizen Tuiten Uitkijken Uitzien Zoeken Zoemen | Snorde | Gesnord
|
SnotterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snotterde, heeft gesnotterd) 1 herhaaldelijk de neus ophalen 2 huilen
| Snotterde | Gesnotterd
|
SnowboardenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snowboardde, heeft/is gesnowboard; snowboarder) 1 op een snowboard skiën
| Snowboardde | Gesnowboard
|
SnuffelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snuffelde, heeft gesnuffeld; snuffelaar) 1 (van dieren) door krachtig lucht op te snuiven van een spoor, voedsel enz. zoeken of een persoon of zaak trachten te herkennen 2 bedrijvig zoeken, speuren
| Snuffelde | Gesnuffeld
|
SnuffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snufte, heeft gesnuft) 1 de neus ophalen 2 snuffelen
| Snufte | Gesnuft
|
SnuisterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snuisterde, heeft gesnuisterd) 1 (in België, niet algemeen) snuffelen
| Snuisterde | Gesnuisterd
|
SnuitenIn de betekenis van: Scherpe hoek wegnemen
sDe neus snuiten Zijn neus snuiten | Snuitte | Gesnuit
|
SnuitenIn de betekenis van: 1 (de neus) door krachtig lucht uit te ademen van het slijm ontdoen 2 (de pit van een kaars) knippen
In Spaans overeenkomend met: Sonarse sDe neus snuiten Zijn neus snuiten | Snoot | Gesnoten
|
SnuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snoof, heeft gesnoven; snuiver) 1 hoorbaar door de neus ademen 2 snot ophalen 3 door krachtig lucht door de neus te halen een reuk, een spoor enz. trachten te herkennen of te vinden (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; snoof, heeft gesnoven) 1 (een stimulerend middel) innemen via de neus
In Spaans overeenkomend met: Aspirar Resoplar sBriesen | Snoof | Gesnoven
|
SnurkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; snurkte, heeft gesnurkt; snurker) 1 tijdens de slaap een snorrend, zagend keelgeluid maken bij het ademen
In Spaans overeenkomend met: Roncar sKnorren Ronken Snorken | Snurkte | Gesnurkt
|
SocialiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; socialiseerde, heeft gesocialiseerd; socialisatie) 1 (economie) (een zaak, bedrijf enz.) tot gemeenschappelijk bezit maken 2 (iem., zichzelf) aanpassen aan de normen van een gemeenschap
In Spaans overeenkomend met: Socializar
| Socialiseerde | Gesocialiseerd
|
SodemieterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (sodemieterde, is gesodemieterd) (informeel) met een smak vallen 2 (sodemieterde, heeft gesodemieterd) (informeel) donderjagen (overgankelijk werkwoord; sodemieterde, heeft gesodemieterd) 1 smijten, smakken
| Sodemieterde | Gesodemieterd
|
SoebattenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; soebatte, heeft gesoebat) 1 (informeel) aanhoudend smeken om iets
| Soebatte | Gesoebat
|
SoezenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; soesde, heeft gesoesd) 1 dommelen
| Soesde | Gesoesd
|
SoftballenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; softbalde, heeft gesoftbald; softballer) 1 softbal spelen
| Softbalde | Gesoftbald
|
SoignerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; soigneerde, heeft gesoigneerd) 1 zorg besteden aan het uiterlijk 2 de lichamelijke conditie van sportlieden verzorgen
| Soigneerde | Gesoigneerd
|
SolderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; soldeerde, heeft gesoldeerd; soldering) 1 metalen voorwerpen aaneenhechten met soldeersel
In Spaans overeenkomend met: Soldar
| Soldeerde | Gesoldeerd
|
| Solemniseren | Solemniseerde | Gesolemniseerd
|
SolerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; soleerde, heeft gesoleerd) 1 (muziek) als solist optreden 2 als eenling handelen
| Soleerde | Gesoleerd
|
SolfegiërenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; solfegieerde, heeft gesolfegieerd) 1 solfège zingen
| Solfegieerde | Gesolfegieerd
|
SolidariserenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; solidariseerde, heeft gesolidariseerd) 1 solidair worden
| Solidariseerde | Gesolidariseerd
|
| Solideren | Solideerde | Gesolideerd
|
| Sollen | Solde | Gesold
|
SolliciterenALLE betekenissen van dit woord: naar (werkwoord; solliciteerde, heeft gesolliciteerd) 1 (schertsend) proberen te krijgen (onovergankelijk werkwoord; solliciteerde, heeft gesolliciteerd) 1 naar een baan dingen
In Spaans overeenkomend met: Solicitar
| Solliciteerde | Gesolliciteerd
|
| Solmiëren | Solmieerde | Gesolmieerd
|
SolverenIn Spaans overeenkomend met: Liquidar sAfwikkelen Liquideren Opheffen | Solveerde | Gesolveerd
|
SomberenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; somberde, heeft gesomberd; somberaar) 1 uiting geven aan een sombere stemming, pessimistisch zijn
| Somberde | Gesomberd
|
SommerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sommeerde, heeft gesommeerd; sommering) 1 aanmanen om te voldoen aan een verplichting of eis
In Spaans overeenkomend met: Mandar, Ordenar sBevelen Gelasten Verordenen Voorschrijven | Sommeerde | Gesommeerd
|
SonderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sondeerde, heeft gesondeerd; sondering) 1 onderzoeken met een sonde 2 peilingen verrichten, o.a. de samenstelling en drukweerstand van de bodem onderzoeken
In Spaans overeenkomend met: Sondar, Sondear sLoden Peilen Polsen Vademen Vissen naar | Sondeerde | Gesondeerd
|
SoppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sopte, heeft gesopt) 1 reinigen met zeepsop 2 in vloeistof dopen
In Spaans overeenkomend met: Botar, Empapar, Mojar, Sumergir sIndompelen Indopen | Sopte | Gesopt
|
SorterenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sorteerde, heeft gesorteerd; sorteerder, sortering) 1 uitzoeken, soort bij soort, kleur bij kleur enz. leggen
In Spaans overeenkomend met: Clasificar sClassificeren Indelen | Sorteerde | Gesorteerd
|
SoufflerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; souffleerde, heeft gesouffleerd) 1 (iem.) zijn rol zachtjes voorzeggen 2 laten rijzen d.m.v. geklopt eiwit met veel lucht erin
| Souffleerde | Gesouffleerd
|
SoundmixenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 zingen met begeleiding van een geluidsband waarop het instrumentale deel van een muziekstuk is opgenomen
| Soundmixte | Gesoundmixt
|
SouperenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; soupeerde, heeft gesoupeerd) 1 laat in de avond een maaltijd gebruiken
In Spaans overeenkomend met: Cenar sHet avondmaal gebruiken | Soupeerde | Gesoupeerd
|
| Soutacheren | Soutacheerde | Gesoutacheerd
|
SoutenerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; souteneerde, heeft gesouteneerd) 1 souteneur zijn van
| Souteneerde | Gesouteneerd
|
| Sovjetiseren | Sovjetiseerde | Gesovjetiseerd
|
SpachtelputzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spachtelputzte, heeft gespachtelputzt) 1 (wanden) met spachtelputz pleisteren
| Spachtelputzte | Gespachtelputzt
|
| Spaden | Spaadde | Gespaad
|
SpalkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spalkte, heeft gespalkt) 1 vastzetten m.b.v. een spalk 2 openhouden m.b.v. een spalk
| Spalkte | Gespalkt
|
SpanenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van spaan vervaardigd
| Spaande | Gespaand
|
SpankerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spankerde, heeft/is gespankerd) 1 (informeel) wandelen
| Spankerde | Gespankerd
|
SpannenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spande, heeft gespannen; spanner, spanning) 1 (van kleding) zeer nauw sluiten 2 (van rupsen) zich voortbewegen door het lichaam beurtelings te krommen en te strekken (overgankelijk werkwoord; spande, heeft gespannen) 1 strak trekken, (iets veerkrachtigs) uitrekken 2 door strak uitzetten vormen 3 vastmaken aan, voor een voertuig of instrument 4 (dieren) met twee poten vastbinden (onpersoonlijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
In Spaans overeenkomend met: Hilar Uncir Amartillar, Atirantar, Dar cuerda, Tensar sBespannen Inspannen Nauwer aanhalen Optuigen Opwinden Strekken Tuigen Uitrekken Voorspannen | Spande | Gespannen
|
| Spanseren | Spanseerde | Gespanseerd
|
SparenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spaarde, heeft gespaard) 1 (ook absoluut) (geld) opzijleggen, bewaren 2 besparen, zuinig zijn met 3 verzamelen 4 ontzien 5 behoeden voor
In Spaans overeenkomend met: Dignarse, Ser indulgente Ahorrar, Economizar sBesparen Bezuinigen Ontzien Toegeeflijk zijn voor Uitsparen Uitwinnen Uitzuinigen Zich laten vermurwen | Spaarde | Gespaard
|
| Sparkelen | Sparkelde | Gesparkeld
|
SparrenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sparde, heeft gespard) 1 (vechtsport) met een tegenstander oefenen, trainen
| Sparde | Gespard
|
| Spartelbenen | Spartelbeende | Gespartelbeend
|
SpartelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spartelaar, sparteling) 1 (spartelde, heeft/is gesparteld) met armen en benen ongecoördineerd heen en weer slaan 2 (spartelde, heeft gesparteld) (van vissen) met de staart slaan
In Spaans overeenkomend met: Bregar, Forcejear sWorstelen Zich aftobben | Spartelde | Gesparteld
|
SpatiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spatieerde, heeft gespatieerd; spatiëring) 1 spaties aanbrengen in (woorden)
In Spaans overeenkomend met: Espaciar sDoor spaties scheiden | Spatieerde | Gespatieerd
|
SpattenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spatte, is gespat) 1 in of als kleine deeltjes op- of wegspringen 2 (bouwkunde) uitwijken, uit elkaar wijken (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spatte, heeft gespat) 1 spetteren
| Spatte | Gespat
|
| Specialiseren | Specialiseerde | Gespecialiseerd
|
SpecificerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; specificeerde, heeft gespecificeerd) 1 in afzonderlijke onderdelen opgeven, omschrijven
In Spaans overeenkomend met: Especificar
| Specificeerde | Gespecificeerd
|
SpeculerenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; speculeerde, heeft gespeculeerd) 1 gokken op (onovergankelijk werkwoord; speculeerde, heeft gespeculeerd; speculatie) 1 bespiegelingen houden die uitgaan boven het feitelijk of logisch bewijsbare 2 handelen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen
In Spaans overeenkomend met: Especular
| Speculeerde | Gespeculeerd
|
SpeechenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; speechte, heeft gespeecht) 1 een speech houden
| Speechte | Gespeecht
|
| Speedbootracen | |
|
SpeerwerpenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 werpnummer in de atletiek, waarbij men een speer zo ver mogelijk probeert te gooien
| |
|
SpekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spekte, heeft gespekt) 1 royaal van geld voorzien
In Spaans overeenkomend met: Llenar Abastecer, Proveer sBevoorraden Dempen Invullen Leveren Provianderen Stoppen Volmaken Volschenken Voorzien van Vullen | Spekte | Gespekt
|
SpeldenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speldde, heeft gespeld) 1 vasthechten met een speld of spelden
| Speldde | Gespeld
|
| Speldenwerken | Speldenwerkte | Gespeldenwerkt
|
| Spelemeien | Spelemeide | Gespelemeid
|
SpelenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; speelde, heeft gespeeld) 1 lichtvaardig, speels of doelloos omgaan met op (werkwoord; speelde, heeft gespeeld) 1 gokken op (onovergankelijk werkwoord; speelde, heeft gespeeld; speler) 1 zich afspelen (overgankelijk werkwoord; speelde, heeft gespeeld) 1 (ook absoluut) zich bezighouden met (een spel) 2 (ook absoluut) (een speelkaart) zichtbaar op tafel leggen 3 (ook absoluut) (een bal) in beweging brengen 4 (ook absoluut) (een gebeurtenis, persoon) voorstellen op het toneel of voor de camera 5 (ook absoluut) (een instrument) bespelen 6 (ook absoluut) (een muziekstuk) uitvoeren 7 (ook absoluut) handelen volgens een aangenomen gedragslijn 8 door spel in de genoemde toestand brengen
In Spaans overeenkomend met: Jugar, Tocar sUitvoeren Voorspelen | Speelde | Gespeeld
|
| Spelerijden | |
|
SpelevarenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spelevaarde, heeft gespelevaard) 1 voor het plezier varen
| Spelevaarde | Gespelevaard
|
SpellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spelde, heeft gespeld; speller, spelling) 1 de letters van een woord in volgorde schrijven of opnoemen 2 geheel en aandachtig lezen
In Spaans overeenkomend met: Deletrear Silabear
| Spelde | Gespeld
|
SpenderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spendeerde, heeft gespendeerd) 1 ten koste leggen, besteden
In Spaans overeenkomend met: Dedicar Desembolsar, Gastar sBesteden Opdragen Opdragen aan Toewijden Uitgeven Verteren | Spendeerde | Gespendeerd
|
SpenenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; speende, heeft gespeend; spening) 1 niet meer zogen 2 (vis) in fris water in leven houden om de grondsmaak weg te nemen 3 (zaailingen) uitplanten
| Speende | Gespeend
|
| Sperren | Sperde | Gesperd
|
| Speten | Speette | Gespeet
|
SpettenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spette, heeft gespet) 1 spatten
| Spette | Gespet
|
SpetterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spetterde, heeft gespetterd) 1 in of als kleine deeltjes op- of wegspringen 2 met op- of wegspringende vochtdeeltjes nat maken
| Spetterde | Gespetterd
|
| Speuren | Speurde | Gespeurd
|
SpiedenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spiedde, heeft gespied) 1 onderzoekend kijken
In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar sBeloeren Bespieden Bespioneren Spioneren Verspieden | Spiedde | Gespied
|
SpiegelenALLE betekenissen van dit woord: aan (werkwoord; spiegelde, heeft gespiegeld) 1 een voorbeeld nemen (onovergankelijk werkwoord; spiegelde, heeft gespiegeld; spiegeling) 1 licht of beelden terugkaatsen 2 lichtstralen met een spiegel in een bepaalde richting werpen
In Spaans overeenkomend met: Reflejar sReflecteren Terugkaatsen Weerkaatsen Weerspiegelen | Spiegelde | Gespiegeld
|
SpiekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spiekte, heeft gespiekt; spieker) 1 stiekem aantekeningen of boeken inzien bij proefwerk of examen of stiekem van anderen overschrijven
| Spiekte | Gespiekt
|
| Spieren | Spierde | Gespierd
|
SpietsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spietste, heeft gespietst) 1 doorboren met een spies
In Spaans overeenkomend met: Empalar
| Spietste | Gespietst
|
SpijbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spijbelde, heeft gespijbeld; spijbelaar) 1 stiekem van school of van een andere verplichte bijeenkomst wegblijven
| Spijbelde | Gespijbeld
|
SpijkerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spijkerde, heeft gespijkerd) 1 bevestigen of in elkaar zetten met spijkers
In Spaans overeenkomend met: Clavetear sNagelen | Spijkerde | Gespijkerd
|
SpijtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; speet, heeft gespeten) 1 spijt veroorzaken
| Speet | Gespeten
|
SpijzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spijsde, heeft gespijsd) 1 (archaïsch) spijzigen 2 (in België) van de nodige geldmiddelen voorzien
| Spijsde | Gespijsd
|
SpijzigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spijzigde, heeft gespijzigd; spijziging) 1 (formeel) te eten geven
In Spaans overeenkomend met: Dar de comer sTe eten geven Voederen Voeren | Spijzigde | Gespijzigd
|
| Spikkelen | Spikkelde | Gespikkeld
|
| Spillen | Spilde | Gespild
|
SpinnenIn de betekenis van: 1 (van katten) een snorrend geluid maken 2 (van voertuigen, ballen enz.) een om zijn as draaiende, rondtollende beweging maken
| Spinde | Gespind
|
SpinnenIn de betekenis van: 1 uit lange vezels een draad vormen 2 (van insecten en spinnen) een draad voortbrengen 3 ineen draaien
In Spaans overeenkomend met: Hilar
| Spon | Gesponnen
|
| Spinzen | Spinsde | Gespinsd
|
SpionerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spioneerde, heeft gespioneerd; spionage) 1 in het geheim waarnemingen doen om die aan anderen door te geven
In Spaans overeenkomend met: Acechar, Espiar sBeloeren Bespieden Bespioneren Spieden Verspieden | Spioneerde | Gespioneerd
|
| Spiralen | Spiraalde | Gespiraald
|
SpirantiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spirantiseerde, heeft gespirantiseerd) 1 (taalkunde) tot een spirant maken
| Spirantiseerde | Gespirantiseerd
|
SpitsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spitsing) ¶ alleen in verbindingen
| Spitste | Gespitst
|
SpittenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spitte, heeft gespit; spitter) 1 met de spade omwerken, uitgraven 2 met een puntig werktuig doorboren
In Spaans overeenkomend met: Cavar sGraven Omspitten Woelen | Spitte | Gespit
|
SplijtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spleet, is gespleten; splijting) 1 uiteenvallen of scheuren in de lengterichting van de structuur (overgankelijk werkwoord; spleet, heeft gespleten) 1 door een slag uiteendrijven in de lengterichting van de structuur
In Spaans overeenkomend met: Abrir en canal Hender, Rajar Cuartearse, Henderse, Resquebrajarse Partirse sBarsten Doorklieven Klieven Kloven Scheuren Splitsen | Spleet | Gespleten
|
SplinterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; splinterde, heeft gesplinterd) 1 tot splinters breken 2 splinters afgeven
| Splinterde | Gesplinterd
|
SplitsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; splitste, heeft gesplitst; splitsing) 1 in delen verdelen 2 (van een touw of kabel) de strengen of staaldraden aan het uiteinde met die van een andere ineenvlechten 3 (scheikunde) ontbinden, uiteen doen vallen
In Spaans overeenkomend met: Abrir en canal Dividir, Partir Empalmar sAfbreken Delen Kloven Opsplitsen Splijten Verdelen | Splitste | Gesplitst
|
SplittenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; splitte, is gesplit) 1 uit elkaar gaan
| Splitte | Gesplit
|
SpoedenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen
| Spoedde | Gespoed
|
SpoelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spoelde, is gespoeld; spoeling) 1 door een stroom meegevoerd worden (overgankelijk werkwoord; spoelde, heeft gespoeld) 1 door heen en weer bewegen in een vloeistof reinigen 2 door middel van een stromende vloeistof verplaatsen 3 op een spoel winden
In Spaans overeenkomend met: Enjuagar Enjuagarse Gargarizar sAfspoelen Gorgelen | Spoelde | Gespoeld
|
SpokenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spookte, heeft gespookt) 1 rondwaren, dolen als een spook 2 (van gedachten of gevoelens) onophoudelijk opdoemen (onpersoonlijk werkwoord; spookte, heeft gespookt) 1 door spoken bezocht worden
| Spookte | Gespookt
|
SpoliërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spolieerde, heeft gespolieerd; spoliatie) 1 plunderen, een rechtmatig deel onthouden
| Spolieerde | Gespolieerd
|
SponsenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) zie sponzen
| Sponste | Gesponst
|
SponsorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sponsorde, heeft gesponsord; sponsoring) 1 als sponsor fungeren voor
In Spaans overeenkomend met: Afianzar sBorg staan voor Garanderen Waarborgen | Sponsorde | Gesponsord
|
SponzenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sponsde, heeft gesponsd) 1 met een spons schoonmaken 2 (een tekening) met gestampte houtskool of krijt inwrijven om de tekening door te drukken
| Sponsde | Gesponsd
|
SpoorzoekenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; spoorzoeker) 1 sporen volgen
| |
|
SporenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (spoorde, heeft gespoord) overeenkomen 2 (spoorde, heeft/is gespoord) per spoor reizen (overgankelijk werkwoord; spoorde, heeft gespoord) 1 (een paard) de sporen geven
| Spoorde | Gespoord
|
SportenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sportte, heeft gesport; sporter) 1 aan sport doen
In Spaans overeenkomend met: Hacer deporte
| Sportte | Gesport
|
SportklimmenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sportklimmer) 1 tak van bergbeklimmen waarbij de nadruk ligt op een zo hoog mogelijke moeilijkheidsgraad, niet op het bereiken van zo hoog mogelijke toppen
| |
|
SportvissenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; sportvisser) 1 vissen als sport
| |
|
| Spotlachen | Spotlachte | Gespotlacht
|
SpottenALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; spotte, heeft gespot) 1 (het verwachte) volledig overtreffen (onovergankelijk werkwoord; spotte, heeft gespot; spotter) 1 zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten (overgankelijk werkwoord; spotte, heeft gespot) 1 ontdekken
In Spaans overeenkomend met: Burlarse, Mofarse sBespotten Gekscheren Honen Uitlachen | Spotte | Gespot
|
| Spouwen | Spouwde | Gespouwen
|
SprankelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sprankelde, heeft gesprankeld) 1 vonken geven 2 zeer levendig zijn
| Sprankelde | Gesprankeld
|
SprayenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sprayde, heeft gesprayd) 1 als een spray verstuiven
| Sprayde | Gesprayd
|
SpreidenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spreidde, heeft gespreid; spreiding) 1 vlak, in een laag uitleggen 2 gelijkmatig over een tijdsverloop verdelen 3 uit elkaar plaatsen 4 over meer mensen verdelen
In Spaans overeenkomend met: Desenvolver, Extender, Tender sOntvouwen Uitspreiden | Spreidde | Gespreid
|
SprekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sprak, heeft gesproken; spreker) 1 taalklanken voortbrengen 2 gedachten uiten d.m.v. taalklanken, iets zeggen 3 (van zaken) overtuigend zijn, zich duidelijk doen kennen 4 (van muziekinstrumenten) geluid geven (overgankelijk werkwoord; sprak, heeft gesproken) 1 zeggen 2 praten met 3 zich in de genoemde taal kunnen uiten
In Spaans overeenkomend met: Hablar Decir sPraten | Sprak | Gesproken
|
| Sprengen | Sprengde | Gesprengd
|
SprenkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sprenkelde, heeft gesprenkeld; sprenkelaar, sprenkeling) 1 (een stof) druppelsgewijs uitstrooien 2 (een oppervlak) druppelsgewijs bevochtigen
In Spaans overeenkomend met: Asperjar, Hisopear, Rociar sBesprenkelen Besproeien Sproeien | Sprenkelde | Gesprenkeld
|
| Sprieten | Spriette | Gespriet
|
| Sprietogen | Sprietoogde | Gesprietoogd
|
SpringenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; springer) 1 (sprong, heeft/is gesprongen) zich door een afzet met de voeten of poten met kracht in de lucht verheffen 2 (sprong, is gesprongen) (van zaken) plotseling overgaan in de genoemde positie of toestand 3 (sprong, is gesprongen) uit elkaar barsten 4 (sprong, heeft/is gesprongen) voor of buiten een lijn of vlak uitsteken 5 (sprong, heeft gesprongen) (van mannelijke dieren) paren 6 (sprong, is gesprongen) (bouwkunde) naar de hoeken oplopen 7 (sprong, heeft/is gesprongen) (van wild) in het jachtveld opvliegen of oplopen
In Spaans overeenkomend met: Estallar, Reventar Echarse Saltar sBarsten Bersten Een sprong doen Openbarsten Openbersten Scheuren | Sprong | Gesprongen
|
SprintenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sprintte, heeft/is gesprint; sprinter) 1 op topsnelheid rijden of rennen over korte afstand
In Spaans overeenkomend met: Correr Embalar, Embalarse sRacen | Sprintte | Gesprint
|
SpritsenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spritste, heeft gespritst) 1 (informeel) sprietsen
| Spritste | Gespritst
|
SproeienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sproeide, heeft gesproeid) 1 (ook absoluut) (water e.d.) in fijne stralen of druppels over iets uitgieten 2 (grond, gewassen) besproeien
In Spaans overeenkomend met: Abrevar, Aguar, Regar Asperjar, Hisopear, Rociar sBegieten Besprenkelen Besproeien Bevloeien Gieten Sprenkelen Water geven Wateren | Sproeide | Gesproeid
|
SprokkelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; sprokkelde, heeft gesprokkeld; sprokkelaar, sprokkeling) 1 (gevallen dor hout) zoeken, verzamelen
| Sprokkelde | Gesprokkeld
|
SpruitenALLE betekenissen van dit woord: uit (werkwoord; sproot, is gesproten) 1 afstammen van (onovergankelijk werkwoord; sproot, is gesproten; spruiting) 1 uitschieten, loten vormen
In Spaans overeenkomend met: Abotonar Nacer sBotten Geboren worden Ontluiken Uitbotten Uitschieten Uitspruiten | Sproot | Gesproten
|
SpugenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; spuugde, heeft gespogen/gespuugd) 1 minachten (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spuugde, heeft gespogen/gespuugd) 1 (speeksel) door de mond uitwerpen 2 braken
In Spaans overeenkomend met: Escupir, Esputar, Expectorar Vomitar sBraken Kotsen Overgeven Spuwen Uitspugen Vomeren | Spuugde, Spoog | Gespuugd, Gespogen
|
SpuienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; spuide, heeft gespuid; spuier, spuiing) 1 door een spuisluis lozen 2 uiten 3 (effecten) in groten getale op de markt brengen
In Spaans overeenkomend met: Aventar, Ventilar sLuchten Uitluchten Ventileren Wannen | Spuide | Gespuid
|
SpuitenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spoot, is gespoten; spuiter) 1 (van vloeistoffen) met kracht door een nauwe opening naar buiten stromen (overgankelijk werkwoord; spoot, heeft gespoten) 1 (ook absoluut) (een vloeistof) met kracht door een nauwe opening naar buiten persen 2 (ook absoluut) (drugs) bij zichzelf met een injectiespuit toedienen 3 vervaardigen door de grondstof door een nauwe opening te persen 4 door spuiten in de genoemde toestand brengen 5 bewerken door spuiten
| Spoot | Gespoten
|
SpurtenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; spurtte, heeft/is gespurt; spurter) 1 sprinten
| Spurtte | Gespurt
|
SputterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sputterde, heeft gesputterd; sputteraar, sputtering) 1 kleine belletjes speeksel uitwerpen 2 ontevreden zijn, bezwaren uiten 3 knetterend spatten
In Spaans overeenkomend met: Refunfuñar, Rezongar sKankeren Mopperen Morren | Sputterde | Gesputterd
|
SpuwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; spuwde, heeft gespuwd; spuwer, spuwing) 1 spugen 2 braken
In Spaans overeenkomend met: Escupir, Esputar, Expectorar sSpugen Uitspugen | Spuwde | Gespuwd
|
SquashenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; squashte, heeft gesquasht; squasher) 1 squash spelen
| Squashte | Gesquasht
|
StaanALLE betekenissen van dit woord: voor (werkwoord; stond, heeft gestaan) 1 symboliseren 2 tot het uiterste verdedigen achter (werkwoord; stond, heeft gestaan) 1 steunen, eens zijn met tot (werkwoord; stond, heeft gestaan) 1 zich verhouden tot op (werkwoord; stond, heeft gestaan) 1 weldra zullen 2 kosten, geëist worden voor 3 eisen (onovergankelijk werkwoord; stond, heeft gestaan) 1 (van personen of dieren) in opgerichte houding op zijn voeten of poten rusten 2 (van zaken) op steunpunten rusten 3 zich bevinden in een bepaalde toestand of positie 4 er doen uitzien, een indruk van iem. geven 5 geschreven, gedrukt zijn 6 in opgerichte houding voortdurend met iets bezig of aan iets blootgesteld zijn 7 niet bewegen
In Spaans overeenkomend met: Quedar Estar de pie Vestir sAankleden Kleden Omkleden | Stond | Gestaan
|
StaartdelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; staartdeelde, heeft gestaartdeeld) 1 een staartdeling uitvoeren
| Staartdeelde | Gestaartdeeld
|
StabiliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stabiliseerde, heeft gestabiliseerd; stabilisator, stabilisering/stabilisatie) 1 bestendigen
| Stabiliseerde | Gestabiliseerd
|
StaffelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; staffelde, heeft gestaffeld) 1 (boekhouden) volgens de staffelmethode berekenen 2 (boekhouden) een staffel uitvoeren
| Staffelde | Gestaffeld
|
StagedivenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 zich van een podium af in de menigte werpen
| Stagedivede | Gestagedived
|
StagenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; staagde, heeft gestaagd) 1 (een mast of steng) door middel van stagen meer vooroverhalen
| Staagde | Gestaagd
|
StagnerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stagneerde, is gestagneerd; stagnering/stagnatie) 1 stilstaan, vastlopen, gestremd zijn
In Spaans overeenkomend met: Atascarse, Estancar, Estancarse sStelpen Stilstaan Stillen Stoppen Verstoppen Verstopt raken | Stagneerde | Gestagneerd
|
StakelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stakelde, heeft gestakeld) 1 (scheepvaart) lichtsignalen geven met een fakkel of toorts
| Stakelde | Gestakeld
|
StakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; staakte, heeft gestaakt; staker, staking) 1 het werk tijdelijk neerleggen om bepaalde eisen af te dwingen (overgankelijk werkwoord; staakte, heeft gestaakt) 1 (iets waarmee men bezig is) beëindigen
In Spaans overeenkomend met: Declararse en huelga
| Staakte | Gestaakt
|
StalenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van staal gemaakt 2 zeer sterk, onverwoestbaar (overgankelijk werkwoord; staalde, heeft gestaald; staling) 1 tot staal maken 2 harden, sterken
In Spaans overeenkomend met: Endurecer, Templar sHarden Temperen | Staalde | Gestaald
|
StalkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stalkte, heeft gestalkt) 1 iem. hinderlijk achtervolgen, bespieden, telefonisch lastigvallen enz.
| Stalkte | Gestalkt
|
StallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stalde, heeft gestald; stalling) 1 jagen op eenden m.b.v. een lokeend 2 op stal staan (overgankelijk werkwoord; stalde, heeft gestald) 1 op stal zetten 2 (een auto, fiets enz.) in een garage, bewaarplaats zetten 3 (economie) (effecten) in prolongatie geven
| Stalde | Gestald
|
StamelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stamelde, heeft gestameld; stamelaar, stameling) 1 gebrekkig spreken (overgankelijk werkwoord; stamelde, heeft gestameld) 1 gebrekkig sprekend uitbrengen
In Spaans overeenkomend met: Balbucear, Balbucir, Tartamudear sHakkelen Stotteren | Stamelde | Gestameld
|
| Stammen | Stamde | Gestamd
|
StampenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stampte, heeft gestampt) 1 met de voet of een voorwerp krachtig op de grond stoten 2 (van machines) dreunend stoten en schokken 3 (van varende schepen) schommelen om de breedteas, waarbij de boeg diep in de golven steekt 4 (in België) trappen, schoppen 5 (wielersport) stoempen (overgankelijk werkwoord; stampte, heeft gestampt) 1 door stoten kleiner of fijner maken 2 door stoten van de bolster ontdoen 3 door te stampen in genoemde toestand brengen
In Spaans overeenkomend met: Patear Machacar, Triturar Atabalear, Piafar, Tabalear Arfar, Cabecear sFijnstampen Stampvoeten Trappelen | Stampte | Gestampt
|
StampvoetenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stampvoette, heeft gestampvoet; stampvoeter) 1 met de voeten hard op de grond stoten
In Spaans overeenkomend met: Patear Atabalear, Piafar, Tabalear sStampen Trappelen | Stampvoette | Gestampvoet
|
StandaardiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; standaardiseerde, heeft gestandaardiseerd; standaardisatie/standaardisering) 1 brengen tot een standaard of eenheid in afmeting, vorm, inhoud, samenstelling enz.
| Standaardiseerde | Gestandaardiseerd
|
StandhoudenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hield stand, heeft standgehouden) 1 volhouden, niet vallen of bezwijken
In Spaans overeenkomend met: Durar Contrarrestar, Oponerse sAanhouden Beklijven Bezwaar hebben tegen Duren Voortduren Weerstaan Zich verzetten | Hield stand | Standgehouden
|
StangenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stangde, heeft gestangd) 1 (informeel) opzettelijk (iem.) kwaad maken
| Stangde | Gestangd
|
StansenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stanste, heeft gestanst; stanser) 1 uit metaal, rubber, leer slaan of daarin aanbrengen met een snijdende stempel
| Stanste | Gestanst
|
StapelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stapelde, heeft gestapeld; stapelaar, stapeling) 1 opstapelen 2 (scheepvaart) opbergen
In Spaans overeenkomend met: Acumular, Reunir sOpeenhopen Opeenstapelen Ophopen Opstapelen | Stapelde | Gestapeld
|
StappenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stapper) 1 (stapte, heeft/is gestapt) lopen met grote passen of met vaste tred 2 (stapte, is gestapt) een stap doen van een lager naar een hoger punt of omgekeerd 3 (stapte, heeft/is gestapt) (van paarden) stapvoets gaan 4 (stapte, heeft gestapt) uitgaan, cafés bezoeken
In Spaans overeenkomend met: Caminar, Dar pasos sLopen Schrijden Treden Wandelen | Stapte | Gestapt
|
StarenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; staarde, heeft gestaard) 1 de ogen onbeweeglijk op een bepaald punt gericht houden zonder iets te zien
| Staarde | Gestaard
|
StarogenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; staroogde, heeft gestaroogd) 1 staren
| Staroogde | Gestaroogd
|
StartenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; startte, is gestart; starter) 1 vertrekken van het beginpunt 2 op gang kunnen komen (overgankelijk werkwoord; startte, heeft gestart) 1 (ook absoluut) (iets) beginnen te ondernemen 2 op gang brengen
In Spaans overeenkomend met: Partir, Salir Arrancar ((van auto),(de un coche)) sVertrekken | Startte | Gestart
|
StationerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stationeerde, heeft gestationeerd) 1 een standplaats geven 2 (in België, niet algemeen) parkeren
In Spaans overeenkomend met: Acomodar, Situar sLeggen Plaatsen Situeren | Stationeerde | Gestationeerd
|
StattenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; statte, heeft gestat) 1 (informeel) de stad ingaan om te winkelen
| Statte | Gestat
|
| Statussen | Statuste | Gestatust
|
StavenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; staafde, heeft gestaafd; staving) 1 bekrachtigen 2 bewijzen
In Spaans overeenkomend met: Confirmar Demostrar, Probar sAantonen Adstrueren Bekrachtigen Bevestigen Bewijzen Erkennen Uitwijzen Vormen Waarmaken | Staafde | Gestaafd
|
SteendrukkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; steendrukte, heeft gesteendrukt) 1 (een prent, tekening enz.) in steendruk vervaardigen of bedrukken
| Steendrukte | Gesteendrukt
|
SteengrillenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; steengriller) 1 recreatief tafelen waarbij men zijn vlees zelf bakt op een gloeiend hete steen
| Steengrilde | Gesteengrild
|
SteenhouwenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; steenhouwer) 1 het stenen hakken, uithouwen
| |
|
| Steggelen | Steggelde | Gesteggeld
|
SteigerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; steigerde, heeft gesteigerd) 1 (van paarden) op de achterbenen overeind gaan staan 2 (schertsend) (van mensen) verontwaardigd protesteren
In Spaans overeenkomend met: Empinarse, Encabritarse
| Steigerde | Gesteigerd
|
StekenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stak, heeft gestoken) 1 zich in de genoemde positie of toestand bevinden 2 een gevoel geven alsof men geprikt is 3 (scheepvaart) diep gaan 4 een stekende beweging maken (overgankelijk werkwoord; stak, heeft gestoken) 1 (ook absoluut) (iem.) met een puntig voorwerp treffen en verwonden 2 (ook absoluut) pijnlijk in het gemoed treffen 3 in een omhulsel bergen 4 in de genoemde plaats, toestand brengen 5 op de genoemde plaats bevestigen 6 met een spade uitgraven 7 door spitten laten ontstaan
In Spaans overeenkomend met: Ensartar Injerir Colocar, Hincar, Meter, Poner Picar, Pinchar, Punzar sDoen Indoen Insteken Leggen Pikken Plaatsen Priemen Prikken Rijgen (aan spies) Stellen Stoppen Zetten | Stak | Gestoken
|
StekkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stekte, heeft gestekt) 1 (een plant) vermeerderen door er takjes van af te snijden en die in aarde of water te zetten
In Spaans overeenkomend met: Plantar esquejes
| Stekte | Gestekt
|
StelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord) 1 (ook absoluut; stal, heeft gestolen) (iets) heimelijk wegnemen om zich wederrechtelijk toe te eigenen 2 (steelde, heeft gesteeld) van de stelen ontdoen
In Spaans overeenkomend met: Afanar, Robar Hurtar, Sustraer sBestelen Gappen Ontvreemden Zich vergrijpen aan | Stal | Gestolen
|
StellenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stelde, heeft gesteld) 1 (ook absoluut) (een geschrift) opstellen 2 zetten, in de genoemde toestand, positie brengen 3 afstellen, richten 4 doen 5 vaststellen, bepalen 6 veronderstellen 7 beweren
In Spaans overeenkomend met: Plantear Afirmar Asestar ((wapen),(arma)), Colocar, Meter, Poner Redactar Suponer sAannemen Beweren Doen Leggen Menen Opmaken Opstellen Opwerpen Plaatsen Redigeren Richten Steken Stileren Stoppen Vermoeden Veronderstellen Voorstellen Zetten | Stelde | Gesteld
|
StelpenALLE betekenissen van dit woord: (de) 1 zeer korte pen bij houtconstructies om de delen tegen verschuiven te behoeden (overgankelijk werkwoord; stelpte, heeft gestelpt; stelping) 1 het vloeien doen ophouden
In Spaans overeenkomend met: Estancar sStagneren Stillen Stoppen | Stelpte | Gestelpt
|
SteltlopenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; steltloper) 1 op stelten lopen
| |
|
StemmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stemde, heeft gestemd; stemmer, stemming) 1 bij verkiezingen enz. zijn stem uitbrengen 2 (muziek) onderling gelijke toonhoogte hebben (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stemde, heeft gestemd) 1 in een bepaalde stemming brengen 2 (een muziekinstrument) op de juiste toonhoogte(n) brengen
In Spaans overeenkomend met: Acordar ((toestemmen)), Afinar ((van een muziekinstrument)), Templar ((),(Poner en tensión o presión moderada algo, como una cuerda, una tuerca, el freno de un carruaje, etc.)) Balotar ((kiezen)), Votar ((kiezen)) sBalloteren Kiezen | Stemde | Gestemd
|
StempelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stempelde, heeft gestempeld; stempelaar) 1 werkloos zijn 2 (in België) zich als werkloze aanmelden bij de stempelcontrole 3 (in België) werkloos zijn (overgankelijk werkwoord; stempelde, heeft gestempeld) 1 een stempel drukken op 2 van een merk of kenmerk voorzien
In Spaans overeenkomend met: Acuñar, Estampar en relieve, Sellar, Troquelar sAanmunten Afdrukken Slaan Zijn stempel drukken op | Stempelde | Gestempeld
|
StencilenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stencilde, heeft gestencild) 1 d.m.v. een stencil afdrukken
| Stencilde | Gestencild
|
StenenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van steen
| Steende | Gesteend
|
StenigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stenigde, heeft gestenigd; steniging) 1 doodgooien met stenen
In Spaans overeenkomend met: Lapidar, Matar a pedradas
| Stenigde | Gestenigd
|
StenograferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stenografeerde, heeft gestenografeerd) 1 (een tekst) in stenografie schrijven
| Stenografeerde | Gestenografeerd
|
StenotypenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stenotypte, heeft gestenotypt; stenotypist) 1 stenogrammen opnemen en op de schrijfmachine uitwerken
| Stenotypte | Gestenotypt
|
SteppenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stepte, heeft gestept) 1 op of als op een autoped rijden 2 (van paarden) bij het draven de voorknieën hoog opheffen en krachtig buigen
| Stepte | Gestept
|
StereotyperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stereotypeerde, heeft gestereotypeerd) 1 (metalen letterplaten) d.m.v. een papieren matrijs vervaardigen naar zetsel 2 (een tekst) in stereotypie drukken
| Stereotypeerde | Gestereotypeerd
|
SteriliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; steriliseerde, heeft gesteriliseerd) 1 (een mens of dier) onvruchtbaar maken door operatief ingrijpen of door bestraling 2 vrijmaken van alle levende micro-organismen door verhitting 3 (in België) wecken
In Spaans overeenkomend met: Esterilizar
| Steriliseerde | Gesteriliseerd
|
SterkenALLE betekenissen van dit woord: in (werkwoord; sterkte, heeft gesterkt) 1 ondersteunen in een overtuiging, opvatting enz. (overgankelijk werkwoord; sterkte, heeft gesterkt; sterking) 1 kracht geven, versterken
In Spaans overeenkomend met: Reconfortar sOpbeuren Versterken Vertroosten | Sterkte | Gesterkt
|
StervenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stierf, is gestorven) 1 (van mensen) doodgaan (overgankelijk werkwoord; stierf, is gestorven) 1 op de genoemde wijze overlijden
In Spaans overeenkomend met: Fallecer, Sucumbir, Sucumbir a Morir sBezwijken Doodgaan Omkomen Overlijden Verscheiden Versmachten | Stierf | Gestorven
|
SteunenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; steunde, heeft gesteund) 1 vertrouwen op, zijn kracht vinden in (onovergankelijk werkwoord; steunde, heeft gesteund) 1 leunen, rusten op 2 kreunen (overgankelijk werkwoord; steunde, heeft gesteund) 1 stutten 2 helpen staande of in stand te blijven of ergens mee door te gaan
In Spaans overeenkomend met: Apoyar, Recostarse, Respaldar Consistir sBerusten Bestaan Gegrond zijn Ondersteunen Rugsteunen Schragen Stutten | Steunde | Gesteund
|
| Steuren | Steurde | Gesteurd
|
StevenenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stevende, is gestevend) 1 koers zetten, varen naar 2 (van personen) doelbewust gaan naar
| Stevende | Gestevend
|
StichtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stichtte, heeft gesticht) 1 (ook absoluut) (iem.) in godsdienstig of zedelijk opzicht verheffen 2 bewerken dat iets tot stand komt 3 verwekken, veroorzaken
In Spaans overeenkomend met: Edificar Establecer, Instalar Fundar, Instituir, Motivar Causar, Dar lugar a, Instigar, Maquinar, Ocasionar, Producir sAandoen Aanrichten Baseren Funderen Grondvesten Inrichten Oprichten Teweegbrengen Veroorzaken Vestigen | Stichtte | Gesticht
|
StiefelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stiefelde, heeft/is gestiefeld) 1 (informeel) hard lopen, gaan
| Stiefelde | Gestiefeld
|
StiftenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stiftte, heeft gestift) 1 (voetbal) (de bal) op een bepaalde manier zó raken, dat hij in een boogje over een tegenspeler heen gaat
| Stiftte | Gestift
|
StigmatiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stigmatiseerde, heeft gestigmatiseerd) 1 ten onrechte als zeer negatief kenmerken
| Stigmatiseerde | Gestigmatiseerd
|
StijfkloppenIn Spaans overeenkomend met: Batir a punto de nieve, Montar a punto de nieve
| Klopte stijf | Stijfgeklopt
|
| Stijfselen | Stijfselde | Gestijfseld
|
StijfvloekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; vloekte stijf, heeft stijfgevloekt) 1 zodanig vloeken tegen iem. dat hij niets terug weet te zeggen of te doen
| Vloekte stijf | Stijfgevloekt
|
StijgenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; steeg, is gestegen; stijging) 1 omhooggaan 2 een hogere rang, positie, waarde e.d. krijgen 3 een eindpunt hebben dat hoger ligt dan het beginpunt 4 geleidelijk en sterk toenemen
In Spaans overeenkomend met: Elevarse Aumentar Ascender, Ascender a, Ascender al, Montar, Subir, Subir a sAangroeien Beklimmen Bestijgen Groeien Klimmen Naar boven gaan Opstijgen Rijzen Toenemen | Steeg | Gestegen
|
StijldansenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stijldanser) 1 stijldansen uitvoeren
| |
|
StijvenIn de betekenis van: Sterken in
In Spaans overeenkomend met: Alentar sAanmoedigen Bemoedigen | Stijfde | Gestijfd
|
StijvenIn de betekenis van: (Wasgoed) met stijfsel bewerken
In Spaans overeenkomend met: Almidonar sAanmoedigen Bemoedigen | Steef | Gesteven
|
StikkenALLE betekenissen van dit woord: van (werkwoord; stikte, is gestikt) 1 (informeel) geheel gevuld zijn met in, van (werkwoord; stikte, is gestikt) 1 (informeel) in overvloed hebben (onovergankelijk werkwoord; stikte, is gestikt) 1 door onvoldoende toevoer van lucht of door giftig gas om het leven komen 2 (informeel) benauwd worden (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stikte, heeft gestikt) 1 (iets) zodanig naaien dat elke volgende steek telkens door de opening van de voorgaande wordt gehaald
In Spaans overeenkomend met: Asfixiarse Coser a máquina, Pespuntear
| Stikte | Gestikt
|
StilerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stileerde, heeft gestileerd; stilering) 1 uitbeelden in vereenvoudigde of zuivere vorm 2 in goede stijl opstellen of uitdrukken
In Spaans overeenkomend met: Redactar sOpmaken Opstellen Redigeren Stellen | Stileerde | Gestileerd
|
StilhoudenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; hield stil, heeft stilgehouden) 1 stil blijven staan, stoppen (overgankelijk werkwoord; hield stil, heeft stilgehouden) 1 in rust houden, stil laten zijn 2 geheim houden
In Spaans overeenkomend met: Detenerse, Parar, Tenerse sAfslaan Blijven staan Halt houden Stilstaan Stoppen | Hield stil | Stilgehouden
|
StilleggenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; legde stil, heeft stilgelegd; stillegging) 1 buiten bedrijf stellen, stil laten liggen
In Spaans overeenkomend met: Parar sAanhouden Keren Stoppen Stuiten | Legde stil | Stilgelegd
|
StillenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stilde, heeft gestild; stilling) 1 doen ophouden, bevredigen
In Spaans overeenkomend met: Estancar Tranquilizar sBedaren Gerust stellen Kalmeren Stagneren Stelpen Stoppen | Stilde | Gestild
|
StilliggenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; lag stil, heeft stilgelegen) 1 liggen zonder beweging 2 niet functioneren
| Lag stil | Stilgelegen
|
StilstaanALLE betekenissen van dit woord: bij (werkwoord; stond stil, heeft stilgestaan) 1 langdurig nadenken over (onovergankelijk werkwoord; stond stil, heeft stilgestaan) 1 staan zonder te bewegen 2 stilhouden, tot staan komen 3 (van een uurwerk) niet functioneren 4 zich niet ontwikkelen
In Spaans overeenkomend met: Detenerse, Estacionarse, Parar, Tenerse Atascarse, Estancarse sAanblijven Afslaan Blijven staan Halt houden Stagneren Stilhouden Stoppen Verstoppen Verstopt raken | Stond stil | Stilgestaan
|
StilvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel stil, is stilgevallen) 1 onbedoeld tot rust of stilstand komen
| Viel stil | Stilgevallen
|
StilzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette stil, heeft stilgezet) 1 tot stilstand brengen
In Spaans overeenkomend met: Parar sAfzetten Buiten werking stellen Stopzetten | Zette stil | Stilgezet
|
StilzittenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; zat stil, heeft stilgezeten) 1 zitten zonder beweging 2 niet bezig zijn
| Zat stil | Stilgezeten
|
StilzwijgenALLE betekenissen van dit woord: (het) ¶ alleen in verbindingen
In Spaans overeenkomend met: Callarse sZich stilhouden Zijn mond houden Zwijgen | Zweeg stil | Stilgezwegen
|
StimulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stimuleerde, heeft gestimuleerd; stimulator, stimulatie/stimulering) 1 aansporen, prikkelen, de werkzaamheid van iets bevorderen
In Spaans overeenkomend met: Impulsar Animar, Estimular sAanporren Aansporen Aanvuren Aanzetten tot Bevorderen Prikkelen | Stimuleerde | Gestimuleerd
|
StinkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stonk, heeft gestonken; stinker) 1 onaangenaam ruiken
In Spaans overeenkomend met: Apestar, Heder
| Stonk | Gestonken
|
| Stipendiëren | Stipendieerde | Gestipendieerd
|
| Stippelen | Stippelde | Gestippeld
|
| Stippen | Stipte | Gestipt
|
StipulerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stipuleerde, heeft gestipuleerd; stipulatie) 1 als voorwaarde, voorbehoud, beperking of uitbreiding in een contract vastleggen
In Spaans overeenkomend met: Estipular sAls voorwaarde stellen Bedingen Conditioneren | Stipuleerde | Gestipuleerd
|
StockerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stockeerde, heeft gestockeerd) 1 (in België, niet algemeen) (goederen) opslaan
| Stockeerde | Gestockeerd
|
StoefenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stoefte, heeft gestoeft) 1 (in België; informeel) opscheppen
| Stoefte | Gestoeft
|
StoeienALLE betekenissen van dit woord: met (werkwoord; stoeide, heeft gestoeid) 1 speels omgaan met (onovergankelijk werkwoord; stoeide, heeft gestoeid; stoeier, stoeiing) 1 speels vechten
In Spaans overeenkomend met: Juguetear, Loquear, Retozar sDartelen Robbedoezen | Stoeide | Gestoeid
|
StoelenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; stoelde, heeft gestoeld) 1 berusten op (onovergankelijk werkwoord; stoelde, heeft gestoeld; stoeling) 1 (van planten) zich vormen tot een wortelstel met stengelvoet
| Stoelde | Gestoeld
|
StoelenmattenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 stoelen voorzien van een zitting van matten of biezen
| |
|
| Stoepen | Stoepte | Gestoept
|
| Stoepparkeren | |
|
StoffenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van geweven stof (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stofte, heeft gestoft) 1 (meubels, planken enz.) van stof ontdoen
In Spaans overeenkomend met: Fanfarronear Quitar el polvo, Quitar el polvo a sAfstoffen Bluffen Opscheppen Pochen Snoeven Snorken Stof afnemen Zwetsen | Stofte | Gestoft
|
StofferenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stoffeerde, heeft gestoffeerd; stoffeerder, stoffering) 1 van bekleding en vulling voorzien 2 (een gebouw, kamer) van vloerbedekking, gordijnen e.d. voorzien 3 (beeldende kunst) versieren
In Spaans overeenkomend met: Guarnecer sAfzetten Beslaan Garneren Uitmonsteren | Stoffeerde | Gestoffeerd
|
| Stofhagelen | Stofhagelde | Gestofhageld
|
| Stofregenen | Stofregende | Gestofregend
|
StofzuigenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stofzuigde, heeft gestofzuigd) 1 (een vertrek, de vloer enz.) met een stofzuiger schoonmaken
In Spaans overeenkomend met: Aspirar
| Stofzuigde | Gestofzuigd
|
StofzuigerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stofzuigerde, heeft gestofzuigerd) 1 stofzuigen
| Stofzuigerde | Gestofzuigerd
|
StokenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stookte, heeft gestookt) 1 onrustgevoelens aanwakkeren (overgankelijk werkwoord; stookte, heeft gestookt) 1 (ook absoluut) (een ruimte) verwarmen 2 (vuur) laten branden 3 als brandstof gebruiken 4 distilleren
In Spaans overeenkomend met: Destilar Encender Calentar sAanmaken Branden Destilleren Distilleren Doen ontbranden Ontsteken Overhalen | Stookte | Gestookt
|
StokkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stokte, is gestokt) 1 (van de stem, de adem) blijven steken (overgankelijk werkwoord; stokte, heeft gestokt) 1 (landbouw) (bonen) aan stokken binden
| Stokte | Gestokt
|
StollenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stolde, is gestold; stolling) 1 van vloeibare in vaste toestand overgaan
In Spaans overeenkomend met: Cuajarse Coagular sStremmen | Stolde | Gestold
|
| Stolpen | Stolpte | Gestolpt
|
StomenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (stoomde, heeft gestoomd) (van vloeistoffen) damp, stoom afgeven 2 (stoomde, heeft/is gestoomd) (van motorschepen) varen (overgankelijk werkwoord; stoomde, heeft gestoomd) 1 d.m.v. hete damp gaar maken 2 d.m.v. hete damp reinigen 3 (landbouw) (grond) zuiveren van micro-organismen d.m.v. hete gassen
In Spaans overeenkomend met: Cocer al vapor, Cocinar al vapor, Vaporizar Lavar en seco sMet stoom bereiden Uitstomen | Stoomde | Gestoomd
|
StommelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stommelde, heeft/is gestommeld) 1 onzekere, gerucht meebrengende bewegingen maken
| Stommelde | Gestommeld
|
StompenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stompte, heeft gestompt) 1 met de vuist, de elleboog stoten
| Stompte | Gestompt
|
StoppenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stopte, is gestopt) 1 tot stilstand komen 2 ophouden met (overgankelijk werkwoord; stopte, heeft gestopt) 1 (ook absoluut) (geweven stoffen) herstellen door gaten met draden kruiselings te overspannen 2 (ook absoluut) (de werking van de ingewanden) vertragen 3 (een ruimte, opening, gat) dichtmaken, met iets opvullen 4 in een ruimte bergen 5 tot stilstand brengen
In Spaans overeenkomend met: Detener Remendar Detenerse Parar Colocar, Meter, Poner Pararse Llenar Estancar Cesar Obturar, Tapar sAanhouden Aflaten Afslaan Arresteren Blijven staan Boeten Dempen Dichten Dichtmaken Doen Flikken Halt houden In verzekerde bewaring nemen Inrekenen Invullen Keren Lappen Leggen Ophouden Oplappen Plaatsen Spekken Stagneren Steken Stelpen Stellen Stilhouden Stilstaan Stilleggen Stillen Stuiten Toestoppen Uitscheiden Verstellen Verstoppen Volmaken Volschenken Volstoppen Vullen Wijken Zetten | Stopte | Gestopt
|
StopzettenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; zette stop, heeft stopgezet; stopzetting) 1 laten stilstaan of ophouden
In Spaans overeenkomend met: Inmovilizar, Parar sAfzetten Buiten werking stellen Onbeweeglijk maken Stilzetten Stremmen | Zette stop | Stopgezet
|
StorenALLE betekenissen van dit woord: aan (werkwoord; stoorde, heeft gestoord) 1 zich ergeren aan (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stoorde, heeft gestoord; stoorder, storing) 1 (een geregelde gang van zaken, een toestand of bezigheden) hinderlijk onderbreken
In Spaans overeenkomend met: Dificultar, Estorbar, Molestar, Perturbar sBelemmeren Hinderen Verstoren | Stoorde | Gestoord
|
StormenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stormde, is gestormd) 1 snel en onstuimig voorwaarts lopen (onpersoonlijk werkwoord; stormde, heeft gestormd) 1 zeer hard waaien
| Stormde | Gestormd
|
StormlopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep storm, heeft stormgelopen) 1 bestormen
| Liep storm | Stormgelopen
|
StornerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; storneerde, heeft gestorneerd) 1 (boekhouden) een fout herstellen door een tegenpost aan de credit- of debetzijde
| Storneerde | Gestorneerd
|
StortenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van stort, plaatstaal op (werkwoord; stortte, heeft gestort) 1 met hartstocht beginnen aan (onovergankelijk werkwoord; stortte, is gestort; storter, storting) 1 met geweld of plotseling vallen (overgankelijk werkwoord; stortte, heeft gestort) 1 (ook absoluut) (geld) overmaken 2 met geweld of plotseling neergooien
In Spaans overeenkomend met: Pagar Derramar Echar, Verter sBetalen Dokken Gieten Plengen Schenken Strooien Uitbetalen Uitkeren Vergieten Voldoen | Stortte | Gestort
|
StortregenenALLE betekenissen van dit woord: (onpersoonlijk werkwoord; stortregende, heeft gestortregend) 1 gieten, hevig regenen
| Stortregende | Gestortregend
|
StotenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; stiet, is gestoten) 1 aantreffen aan (werkwoord; stiet, heeft gestoten) 1 zich ergeren aan (onovergankelijk werkwoord; stoter) 1 (stiet, heeft/is gestoten) schokkende bewegingen maken 2 (stiet, is gestoten) botsen 3 (stiet, is gestoten) (van roofvogels) met kracht op een prooi neerschieten (overgankelijk werkwoord; stoter) 1 (ook absoluut; stiet, heeft gestoten) (sport) gewichtheffen waarbij de halter eerst naar het strottenhoofd gebracht wordt en dan met gestrekte armen uitgestoten 2 (ook absoluut; stiet, heeft/is gestoten) (een bal) door een stoot spelen 3 (stiet, heeft gestoten) door een schok in de genoemde positie of toestand brengen 4 (stiet, heeft gestoten) door een stoot bezeren
In Spaans overeenkomend met: Empujar sDouwen Dringen Duwen | Stootte, Stiet | Gestoten
|
StotterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stotterde, heeft gestotterd; stotteraar) 1 spreken met haperingen, vaak snelle herhalingen van beginklanken
In Spaans overeenkomend met: Balbucear, Farfullar, Tartamudear sHakkelen Stamelen | Stotterde | Gestotterd
|
StouwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stouwde, heeft gestouwd) 1 stoppen, bergen 2 (scheepvaart) een lading zo goed mogelijk in een schip bergen 3 (informeel) veel eten en drinken
In Spaans overeenkomend met: Estibar sStuwen Verstouwen | Stouwde | Gestouwd
|
StovenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stoofde, heeft gestoofd) 1 door zacht en aanhoudend verwarmen gaar laten worden
In Spaans overeenkomend met: Brasear, Estofar, Guisar Estofar sBraiseren Smoren | Stoofde | Gestoofd
|
StraatracenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; strattracete, heeft gestraatracet) 1 aan een straatrace deelnemen
| Straatracete | Gestraatracet
|
StraatslijpenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; straatslijper) 1 rondhangen op straat
In Spaans overeenkomend met: Corretear
| |
|
StraffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; strafte, heeft gestraft; straffer) 1 (iem.) straf geven, laten ondergaan
In Spaans overeenkomend met: Castigar sBestraffen | Strafte | Gestraft
|
| Straktrekken | Trok strak | Strakgetrokken
|
StralenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (straalde, heeft gestraald) licht of warmte uitzenden of weerkaatsen 2 (straalde, heeft gestraald) zeer gelukkig eruitzien 3 (straalde, is gestraald) (informeel) zakken voor een examen 4 (straalde, heeft gestraald) als straling uitgaan
| Straalde | Gestraald
|
StrandenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; strandde, is gestrand; stranding) 1 (van goederen) aanspoelen 2 (van een schip) vastlopen op het strand 3 mislukken, doodlopen 4 zijn reis niet kunnen voortzetten
In Spaans overeenkomend met: Varar sAan de grond lopen Vastlopen | Strandde | Gestrand
|
StrandjuttenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 het zich toe-eigenen van aangespoelde goederen
| |
|
| Strategoën | Strategode | Gestrategood
|
StreakenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; streakte, heeft gestreakt; streaker) 1 naakt rennen in het openbaar
| Streakte | Gestreakt
|
StrekkenALLE betekenissen van dit woord: tot (werkwoord; strekte, heeft gestrekt) 1 dienen, gelden als (onovergankelijk werkwoord; strekte, heeft gestrekt) 1 van kracht zijn voor het genoemde gebied (overgankelijk werkwoord; strekte, heeft gestrekt) 1 zoveel mogelijk in de lengterichting brengen
In Spaans overeenkomend met: Estirar Extender, Tender Amartillar, Atirantar, Dar cuerda, Tensar sNauwer aanhalen Ophouden Opwinden Rekken Spannen Uitbreiden Uitrekken Uitsteken Uitstrekken | Strekte | Gestrekt
|
StrelenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streelde, heeft gestreeld; streling) 1 aaien, liefkozend strijken over 2 aangenaam aandoen
In Spaans overeenkomend met: Acariciar
| Streelde | Gestreeld
|
StremmenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stremde, is gestremd; stremming) 1 (van melk) kaasstof afscheiden (overgankelijk werkwoord; stremde, heeft gestremd) 1 (melk) dik laten worden 2 in zijn loop belemmeren
In Spaans overeenkomend met: Coagular Coagular Inmovilizar sCoaguleren Laten stollen Onbeweeglijk maken Stollen Stopzetten | Stremde | Gestremd
|
StrengelenIn Spaans overeenkomend met: Bobinar, Enrollar, Envolver sOprollen Wikkelen Winden | Strengelde | Gestrengeld
|
| Strengen | Strengde | Gestrengd
|
StrepenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; streepte, heeft gestreept) 1 met strepen bezetten
| Streepte | Gestreept
|
StressenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; streste, heeft gestrest; stresser) 1 zich nerveus, overspannen gedragen, vooral vanwege tijdsdruk
In Spaans overeenkomend met: Estresar
| Streste | Gestrest
|
| Stresseren | Stresseerde | Gestresseerd
|
StretchenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stretchte, heeft gestretcht) 1 rekoefeningen doen
| Stretchte | Gestretcht
|
StrevenALLE betekenissen van dit woord: (het) 1 het zich inspannen voor een doel 2 datgene waarvoor iem. zich inspant naar (werkwoord; streefde, heeft gestreefd) 1 zich inspannen, zijn best doen
In Spaans overeenkomend met: Procurar, Tratar de Afanarse, Esforzarse sMoeite doen Pogen Trachten Zich beijveren Zich inspannen Zoeken | Streefde | Gestreefd
|
| Stribbelen | Stribbelde | Gestribbeld
|
StriemenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; striemde, heeft gestriemd) 1 hard op de huid slaan
In Spaans overeenkomend met: Azotar sGeselen | Striemde | Gestriemd
|
StrijdenALLE betekenissen van dit woord: voor (werkwoord; streed, heeft gestreden) 1 ijveren voor met (werkwoord; streed, heeft gestreden) 1 in tegenspraak zijn met (onovergankelijk werkwoord; streed, heeft gestreden; strijder) 1 strijd voeren
In Spaans overeenkomend met: Batallar, Combatir Disputar Luchar Militar sDisputeren Kampen Oorlogvoeren Redetwisten Strijd voeren Strijden voor Twisten Vechten Worstelen | Streed | Gestreden
|
StrijkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; streek, heeft gestreken; strijker, strijking) 1 scheren (overgankelijk werkwoord; streek, heeft gestreken) 1 (ook absoluut) met de hand, een voorwerp langs of over een oppervlak wrijven 2 (ook absoluut) (textiel, kleren) met een strijkijzer gladmaken 3 (een vlag, zeil) laten zakken, neerhalen
In Spaans overeenkomend met: Rozar Planchar sPersen | Streek | Gestreken
|
StrikkenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; strikte, heeft gestrikt) 1 (ook absoluut) (veters, een das) tot een strik binden 2 met, in een strik vangen 3 (iem.) overhalen iets te doen
In Spaans overeenkomend met: Atar Anudar sKnopen Vastbinden Vastknopen | Strikte | Gestrikt
|
StrippenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stripte, heeft gestript; stripper, stripping) 1 een striptease opvoeren 2 met de strippenkaart reizen (overgankelijk werkwoord; stripte, heeft gestript) 1 ontdoen van het overtollige door er langs te schrapen
| Stripte | Gestript
|
| Stroken | Strookte | Gestrookt
|
StromenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stroming) 1 (stroomde, heeft/is gestroomd) (van vloeistoffen) zich voortbewegen 2 (stroomde, is gestroomd) (van mensenmassa's) zich in groten getale voortbewegen
In Spaans overeenkomend met: Chorrear Circular Fluir, Manar sCirculeren Druipen In omloop zijn Lopen Rondgaan Rouleren Vlieten Vloeien | Stroomde | Gestroomd
|
StrompelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; strompelde, is gestrompeld; strompelaar, strompeling) 1 gebrekkig lopen
| Strompelde | Gestrompeld
|
StrooienALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 van stro (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; strooide, heeft gestrooid; strooier) 1 (iets) verspreid neerwerpen
In Spaans overeenkomend met: Desparramar Echar, Verter sRondstrooien Storten | Strooide | Gestrooid
|
StroomlijnenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stroomlijnde, heeft gestroomlijnd; stroomlijning) 1 volgens de stroomlijn vormen 2 (iets) zo organiseren dat het zo efficiënt mogelijk functioneert
| Stroomlijnde | Gestroomlijnd
|
StrooplikkenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; strooplikker) 1 overdreven vleien
| |
|
StroopsmerenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stroopsmeerder) 1 strooplikken, vleien
| |
|
StropenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stroopte, heeft gestroopt; stroper, stroping) 1 opeenschuiven 2 een rooftocht ondernemen (overgankelijk werkwoord; stroopte, heeft gestroopt) 1 (ook absoluut) (wild, vis, gewassen) stelen van verboden terrein, uit verboden water 2 (kledingstukken e.d.) opschuiven 3 (konijnen e.d.) villen 4 strijkelings afhalen of afscheiden
In Spaans overeenkomend met: Merodear Pillar, Robar sBeroven Buitmaken Plunderen Roven | Stroopte | Gestroopt
|
StroppenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stropte, heeft gestropt) 1 (een stuk touw e.d.) tot een strop maken 2 (een dier) d.m.v. een strop of strik vangen
| Stropte | Gestropt
|
| Strossen | Stroste | Gestrost
|
StrubbelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; strubbelde, heeft gestrubbeld) 1 ruzie maken, kibbelen
| Strubbelde | Gestrubbeld
|
StructurerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; structureerde, heeft gestructureerd; structurering) 1 een structuur aanbrengen in
| Structureerde | Gestructureerd
|
StruikelenALLE betekenissen van dit woord: over (werkwoord; struikelde, is gestruikeld) 1 (informeel) aantreffen in grote hoeveelheden (onovergankelijk werkwoord; struikelde, is gestruikeld) 1 het evenwicht verliezen of vallen door met de voet ergens achter te blijven haken, door een misstap enz. 2 falen omdat men de problemen heeft onderschat 3 een kleine misstap begaan
In Spaans overeenkomend met: Tropezar, Tropezarse
| Struikelde | Gestruikeld
|
StruinenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; struinde, heeft gestruind; struiner) 1 rondlopen om te zien of men iets van zijn gading kan vinden
| Struinde | Gestruind
|
StuderenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; studeerde, heeft gestudeerd) 1 intensief denken over, met inzet bestuderen (onovergankelijk werkwoord; studeerde, heeft gestudeerd) 1 zich met een tak van wetenschap of kunst bezighouden om er in door te dringen (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; studeerde, heeft gestudeerd) 1 (een studie) volgen aan een universiteit of hogeschool 2 zich praktisch in de muziek oefenen
In Spaans overeenkomend met: Cursar Estudiar sBestuderen | Studeerde | Gestudeerd
|
StuffenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stufte, heeft gestuft) 1 gummen
| Stufte | Gestuft
|
StuikenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) ¶ alleen in verbindingen (overgankelijk werkwoord; stuikte, heeft gestuikt) 1 (balken, planken e.d.) met de uiteinden vast aan elkaar laten sluiten 2 (schoven) tegen elkaar zetten om te drogen 3 (klinknaden) met de kook- of zetbeitel dichtzetten
| Stuikte | Gestuikt
|
StuiptrekkenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stuiptrekte, heeft gestuiptrekt; stuiptrekking) 1 zich als in een stuip samentrekken
| Stuiptrekte | Gestuiptrekt
|
StuitenALLE betekenissen van dit woord: op (werkwoord; stuitte, is gestuit) 1 aantreffen, ongezocht te maken krijgen met (onovergankelijk werkwoord; stuitte, heeft/is gestuit; stuiter, stuiting) 1 terugspringen na met kracht tegen iets aangekomen te zijn (overgankelijk werkwoord; stuitte, heeft gestuit) 1 verhinderen, tegenhouden
In Spaans overeenkomend met: Parar Atajar sAanhouden Belemmeren Beletten Keren Stilleggen Stoppen Tegenhouden | Stuitte | Gestuit
|
StuiterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stuiterde, heeft/is gestuiterd) 1 stuiten (overgankelijk werkwoord; stuiterde, heeft gestuiterd) 1 doen terugkaatsen
| Stuiterde | Gestuiterd
|
StuivenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (stoof, heeft/is gestoven) door een luchtstroom gedreven zich in zeer fijne deeltjes snel voortbewegen 2 (stoof, heeft/is gestoven) razen 3 (stoof, heeft gestoven) stof opdrijven, opjagen
In Spaans overeenkomend met: Brotar, Surgir sOpspatten Verspuiten | Stoof | Gestoven
|
StukadorenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stukadoorde, heeft gestukadoord) 1 stuken 2 witten
In Spaans overeenkomend met: Revocar sBepleisteren Pleisteren | Stukadoorde | Gestukadoord
|
StukbijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; beet stuk, heeft stukgebeten) 1 door bijten stukmaken
| Beet stuk | Stukgebeten
|
StukbrekenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; brak stuk, heeft stukgebroken) 1 door breken stukmaken
In Spaans overeenkomend met: Quebrar, Romper sAfbreken Breken Doorbreken Schenden Verbreken | Brak stuk | Stukgebroken
|
StukenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; stuukte, heeft gestuukt) 1 (een oppervlakte, ruimte) voorzien van een pleisterlaag
| Stuukte | Gestuukt
|
| Stukeren | Stukeerde | Gestukeerd
|
StukgaanALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; ging stuk, is stukgegaan) 1 kapotgaan, breken
In Spaans overeenkomend met: Estropearse sKapotgaan | Ging stuk | Stukgegaan
|
StukgooienALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; gooide stuk, heeft stukgegooid) 1 door gooien stukmaken
| Gooide stuk | Stukgegooid
|
| Stuklezen | Las stuk | Stukgelezen
|
StuklopenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; liep stuk, is stukgelopen) 1 onklaar raken, misgaan (overgankelijk werkwoord; liep stuk, heeft stukgelopen) 1 al lopend stukmaken
| Liep stuk | Stukgelopen
|
StukmakenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; maakte stuk, heeft stukgemaakt) 1 kapotmaken 2 (bankbiljetten) wisselen in kleingeld
In Spaans overeenkomend met: Estropear Echar a perder sBederven Beschadigen Havenen Knoeien Schenden Stuk maken Toetakelen Verknoeien Verpesten | Maakte stuk | Stukgemaakt
|
StukscheurenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; scheurde stuk, heeft stukgescheurd) 1 door scheuren stuk maken
| Scheurde stuk | Stukgescheurd
|
StukschietenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; schoot stuk, heeft stukgeschoten) 1 door schieten stukmaken
| Schoot stuk | Stukgeschoten
|
StukslaanALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sloeg stuk, heeft stukgeslagen) 1 door slaan stukmaken
In Spaans overeenkomend met: Estrellar, Trizar sBreken Verbrijzelen | Sloeg stuk | Stukgeslagen
|
StuksmijtenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; smeet stuk, heeft stukgesmeten) 1 door smijten stukmaken
| Smeet stuk | Stukgesmeten
|
StuksnijdenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; sneed stuk, heeft stukgesneden) 1 door snijden stukmaken
| Sneed stuk | Stukgesneden
|
StukvallenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; viel stuk, is stukgevallen) 1 door vallen breken, in stukken vallen
| Viel stuk | Stukgevallen
|
| Stulpen | Stulpte | Gestulpt
|
StumperenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stumperde, heeft gestumperd) 1 onbeholpen te werk gaan
| Stumperde | Gestumperd
|
StuntelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stuntelde, heeft gestunteld) 1 onhandig bezig zijn of te werk gaan
| Stuntelde | Gestunteld
|
StuntenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stuntte, heeft gestunt; stunter) 1 iets opvallends, onverwachts doen
| Stuntte | Gestunt
|
StuntvliegenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord; stuntvlieger) 1 allerlei acrobatische toeren uitvoeren met een vliegtuig
| |
|
SturenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; stuurde, heeft gestuurd) 1 naar het roer of stuur luisteren, zich laten sturen (overgankelijk werkwoord; stuurde, heeft gestuurd) 1 (ook absoluut) (een vervoermiddel) een bepaalde richting laten volgen, het stuur of roer bedienen 2 doen gaan, doen toekomen 3 op de gewenste manier laten werken
In Spaans overeenkomend met: Dirigir, Marear ((schip),(buque)) Despachar, Enviar, Expedir Conducir sBesturen Dirigeren Doen toekomen Mennen Opsturen Opzenden Richten Verzenden Zenden | Stuurde | Gestuurd
|
StuttenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stutte, heeft gestut) 1 (atletiek) rugwaarts kiepen aan brug, rekstok of ringen 2 (een bouwwerk) dragen door druk van onderen of opzij
In Spaans overeenkomend met: Apoyar sOndersteunen Rugsteunen Schragen Steunen | Stutte | Gestut
|
StuwenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; stuwde, heeft gestuwd; stuwer, stuwing) 1 duwend voortbewegen 2 (goederen) zo efficiënt mogelijk in een ruimte pakken of bergen 3 (een stromende vloeistof) de natuurlijke afvloeiing belemmeren, door een stuwdam tegenhouden
In Spaans overeenkomend met: Propulsar Interceptar, Privar el paso Estibar sAfdammen Afsluiten Belemmeren Opduwen Stouwen Versperren Verstouwen Voortstuwen | Stuwde | Gestuwd
|
SublimerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sublimeerde, is gesublimeerd; sublimatie) 1 (natuurkunde) van vaste fase direct in gasfase overgaan of omgekeerd (overgankelijk werkwoord; sublimeerde, heeft gesublimeerd) 1 naar een hoger niveau opheffen, veredelen
In Spaans overeenkomend met: Sublimar
| Sublimeerde | Gesublimeerd
|
SubordinerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; subordineerde, heeft gesubordineerd; subordinatie) 1 onderschikken, ondergeschikt maken aan
| Subordineerde | Gesubordineerd
|
SubsidiërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; subsidieerde, heeft gesubsidieerd; subsidiënt, subsidiëring) 1 subsidie geven aan
| Subsidieerde | Gesubsidieerd
|
SubstantiverenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; substantiveerde, heeft gesubstantiveerd; substantivering) 1 (taalkunde) tot een substantief maken
| Substantiveerde | Gesubstantiveerd
|
SubstituerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; substitueerde, heeft gesubstitueerd; substituering/substitutie) 1 vervangen 2 (scheikunde) (een of meer atomen) in een molecule vervangen door een of meer andere
In Spaans overeenkomend met: Reemplazar, Remplazar, Substituir sIn de plaats stellen | Substitueerde | Gesubstitueerd
|
SudderenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sudderde, heeft gesudderd) 1 zachtjes pruttelend koken of gaar worden
In Spaans overeenkomend met: Hervir sKoken | Sudderde | Gesudderd
|
SuffenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; sufte, heeft gesuft) 1 dof van geest zijn 2 geen aandacht schenken aan wat om iem. heen voorvalt
| Sufte | Gesuft
|
SuggererenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; suggereerde, heeft gesuggereerd) 1 de suggestie doen, voorstellen 2 (een denkbeeld, wens, voornemen, indruk) in de geest doen ontstaan
In Spaans overeenkomend met: Sugerir Sugestionar sEen wenk geven Influisteren Opperen Voorstellen | Suggereerde | Gesuggereerd
|
SuikerenALLE betekenissen van dit woord: (bijvoeglijk naamwoord, alleen attributief) 1 uit suiker bestaande (overgankelijk werkwoord; suikerde, heeft gesuikerd) 1 met suiker zoet maken
| Suikerde | Gesuikerd
|
| Suilen | Suilde | Gesuild
|
SuizebollenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; suizebolde, heeft gesuizebold) 1 duizelig, half bedwelmd zijn
| Suizebolde | Gesuizebold
|
SuizelenIn Spaans overeenkomend met: Canturrear, Ronronear, Zumbar sBrommen Gonzen Razen Snorren Suizen Tuiten Zoemen | Suizelde | Gesuizeld
|
SuizenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; suizing) 1 (suisde, heeft gesuisd) een zacht blazend geluid maken 2 (suisde, heeft/is gesuisd) zich snel en met weinig geluid voortbewegen
In Spaans overeenkomend met: Canturrear, Ronronear, Zumbar sBrommen Gonzen Razen Snorren Suizelen Tuiten Zoemen | Suisde | Gesuisd
|
SukkelenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord) 1 (sukkelde, heeft gesukkeld) moeilijkheden ondervinden, tegenspoed hebben 2 (sukkelde, heeft/is gesukkeld) sjokken
| Sukkelde | Gesukkeld
|
| Sullen | Sulde | Gesuld
|
SumoworstelenALLE betekenissen van dit woord: (werkwoord) 1 traditionele, met het shintoïsme verbonden, Japanse vorm van worstelen
| |
|
SuperviserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; superviseerde, heeft gesuperviseerd; supervisor, supervisie) 1 toezicht houden op
| Superviseerde | Gesuperviseerd
|
SupplerenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; suppleerde, heeft gesuppleerd) 1 (formeel) aanvullen
| Suppleerde | Gesuppleerd
|
SuppliërenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; supplieerde, heeft gesupplieerd; suppositie) 1 smeken, verzoeken
| Supplieerde | Gesupplieerd
|
SupporterenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; supporterde, heeft gesupporterd) 1 als supporter aanwezig zijn
| Supporterde | Gesupporterd
|
| Supprimeren | Supprimeerde | Gesupprimeerd
|
SurfenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; surfte, heeft/is gesurft; surfer, surfing) 1 zich staande op een plank voortbewegen op de branding van de zee 2 windsurfen 3 internetten
In Spaans overeenkomend met: Navegar sNetsurfen Websurfen | Surfte | Gesurft
|
| Surinamiseren | Surinamiseerde | Gesurinamiseerd
|
| Surplacen | Surplacete | Gesurplacet
|
SurveillerenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; surveilleerde, heeft gesurveilleerd) 1 toezicht houden, bewaken
In Spaans overeenkomend met: Controlar, Examinar, Verificar sAflezen Controleren Checken Nakijken Toezien | Surveilleerde | Gesurveilleerd
|
| Survivallen | Survivalde | Gesurvivald
|
SuspenderenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; suspendeerde, heeft gesuspendeerd) 1 schorsen uit een ambt 2 (scheikunde) in suspensie laten overgaan
| Suspendeerde | Gesuspendeerd
|
SussenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord, ook absoluut; suste, heeft gesust) 1 stillen, kalmeren, tot bedaren brengen
| Suste | Gesust
|
SwingenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; swingde, heeft geswingd) 1 dansen op swingmuziek 2 bruisen, levendig zijn
In Spaans overeenkomend met: Blandir, Tremolar sSlingeren Zwaaien | Swingde | Geswingd
|
SwitchenALLE betekenissen van dit woord: (onovergankelijk werkwoord; switchte, heeft/is geswitcht) 1 (sport) van plaats verwisselen 2 omschakelen
| Switchte | Geswitcht
|
SymboliserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; symboliseerde, heeft gesymboliseerd; symbolisatie/symbolisering) 1 het symbool zijn van, zinnebeeldig voorstellen
In Spaans overeenkomend met: Simbolizar sZinnebeeldig voorstellen | Symboliseerde | Gesymboliseerd
|
| Sympathiseren | Sympathiseerde | Gesympathiseerd
|
SynchroniserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; synchroniseerde, heeft gesynchroniseerd; synchronisatie) 1 in de tijd laten samenvallen
| Synchroniseerde | Gesynchroniseerd
|
| Synchroonzwemmen | |
|
SyncoperenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; syncopeerde, heeft gesyncopeerd; syncopering) 1 (taalkunde) (een klank in het binnenste van een woord) weglaten, uitstoten 2 (muziek) syncopen aanbrengen in
| Syncopeerde | Gesyncopeerd
|
| Syndiceren | Syndiceerde | Gesyndiceerd
|
| Synthetiseren | Synthetiseerde | Gesynthetiseerd
|
SystematiserenALLE betekenissen van dit woord: (overgankelijk werkwoord; systematiseerde, heeft gesystematiseerd) 1 volgens een bepaald systeem ordenen
| Systematiseerde | Gesystematiseerd
|