Bataat
(Ipomoea batatas)

Windefamilie - Convolvulaceae. Bataat komt oorspronkelijk uit tropisch Amerika. Reeds vóór Columbus was het gewas bekend in Polynesië en China. Bataat komt nu overal voor in de (sub)tropen en de warme gematigde gebieden tussen 48° NB en 40° ZB, zowel in laagland- als hooglandtropen met een neerslag van 600-1600 mm/jaar. Een vorstvrije periode van 5 maanden is vereist. Bataat verdraagt geen wateroverlast of lange periode van droogte.
Bataat is een overblijvende plant met kruipende, 1-5 m lange, op de knopen wortelende stengels. Alle delen van de plant bevatten melksap. In cultuur is bataat gewoonlijk eenjarig. De bladeren staan verspreid en zijn gaafrandig (Amerikaans type) of gelobd tot ingesneden (Chinees type). Ook aan dezelfde plant kan de bladvorm variëren. In de tropen bloeit de plant meestal maar vormt zelden zaad (bloemen paars). Per plant komen ±10 wortelknollen tot ontwikkeling die ontstaan door secundaire diktegroei van de wortels. De wortelknollen zijn het doel van de teelt. De knolvorm is variabel maar meestal langwerpig-ovaal en rozerood van kleur. Het vlees van de knol is meestal wit of geel.
De voedingswaarde bestaat hoofdzakelijk uit zetmeel, enig eiwit en suiker. De knollen worden gekookt, gebakken, gedroogd en tot meel gemalen of verwerkt tot stroop of alcohol. Het jonge blad wordt als groente gegeten. De verse knollen zijn niet lang houdbaar.
De vermeerdering vindt plaats door stengelstekken van ± 40 cm lang voor 2/3 in de grond te planten of door delen van de wortelknol te planten. Afhankelijk van de cultivar kan 3-8(12) maanden na het planten worden geoogst.
De wereldproductie wordt geschat op 124 miljoen ton verse knollen per jaar. Hiervan wordt ca. 85% in China geproduceerd. De gemiddelde opbrengst per ha is ± 13 ton verse knollen per jaar maar vertoont grote variatie (2-22 ton).