Daslook
(Allium ursinum)

Als de maartse sneeuwbuien ophouden komen uit de vochtige grond van loofbossen - op kalkhoudende grond - de eerste bladpunten van de vrij zeldzame daslook te voorschijn. Vanwege de bodemeisen is de plant dus beperkt tot het duingebied en Zuid-Limburg. Eerst is er hier en daar één, maar later vormen ze een dicht tapijt. Reeds van verre is de fijne knoflookgeur te ruiken, waardoor de twee wortelstandige, elliptische bladeren duidelijk te onderscheiden zijn van die van het lelietje-van-dalen. Twee tot drie weken later verschijnt de rechtopstaande, meestal driekantige, zeer sappige en bladerboze bloeistengel en wapperen de witte bloemkwastjes in de wind (mei-juni). In vroeger tijden zou de daslook in het voorjaar als voedsel voor beren hebben gediend, waarop de naam wijst. De daslook kan ongetwijfeld voorjaarskruid nr. 1 warden genoemd. De bladeren zijn geliefd als geneeskrachtige plant, als kruiderij en als voorjaarsgroente. Zijn op knoflook gelijkende, maar zeer fijn smakende stoffen prikkelen de stofwisseling en doen de bloeddruk dalen. De vóór de bloei verzamelde, fijngehakte bladeren worden als kruiderij gebruikt voor salade, spinazie, gebraad en met kwark vermengd als broodsmeersel. Ook kunnen ze in groente worden meegekookt. De in het begin van de herfst verzamelde langwerpige, tot 4 cm lange bollen kunnen gebruikt worden zoals knoflook. Gedroogde bladeren verliezen sterk hun aroma. Daslook is en blijft een voorjaarskruid.