(Daucus carota)
De grote familie van de Schermbloemige telt meer dan 100 soorten, die veel op elkaar gelijken en gemakkelijk verwisseld kunnen worden. De peen heeft echter één kenmerk waardoor deze duidelijk te onderscheiden is. De platte, grote bloeiwijze met 20-40 stralen vol met kleine witte bloempjes (juni-herfst) heeft middenin een vaak weinig ontwikkeld, donkerrood, onvruchtbaar schermpje, dat gemakkelijk kan worden aangezien voor een slapend insect. Hij is in ons land algemeen te vinden op grazige plaatsen, langs wegen en dijken. In de grond zit een penwortel die bij de wilde plant houtig wordt, maar bij de gekweekte in het eerste jaar dik en vlezig is. De rechtopstaande stengel (tot 90 cm hoog) is gegroefd en stijfbehaard. Dit is ook het geval bij de bladstelen van de twee- of drievoudig geveerde bladeren, die fijne veren vormen. De bovenste bladeren hebben geen stelen maar zitten vast met een bladschede. Als de zaden rijp worden sluiten de schermen zich tot een klein vogelnestje alsof ze bezorgd zijn over de nakomelingschap. Een veel voorkomend maar bescheiden gewas, dat vermoedelijk reeds door onze voorouders vereerd werd. We eten de plant in zijn eerste jaar, de stengel groeit pas in het tweede jaar uit. De gekweekte en de wilde peen zijn een belangrijke leverancier van caroteen, pro-vitamine A, dat niet alleen in de wortel, maar ook in de plant voorkomt. De blaadjes van de bladrozet van het eerste jaar zijn goed te gebruiken voor soepgroenten of in groenten. Wie wilde peen wil plukken, voor de kinderen om op te knabbelen of voor aanvulling van de picknick, kan dit het beste in het voorjaar doen. Later zijn ze houtig en venliezen ze hun waarde als gezond voedsel.