Lepelblad
(Cochlearia officinalis)

Lepelblad of Lepelkruid komt in onze streken algemeen voor op vochtige plaatsen aan de zeekust. De bladeren die, zoals de Nederlandse benaming al aangeeft, de vorm van een lepel hebben, kunnen worden gekookt en als bladgroente worden bereid. De jonge bladeren hebben een wat scherpe smaak en zijn heerlijk in de salade, in soepen en sauzen of gesnipperd op de botenham. De geslachtsnaam komt van het Griekse woord kochlias, dat tepel betekent. De soortnaam officinalis betekent dat de plant een geneeskruid was. Het lepelblad bevat veel vitamine C en was vroeger een bekend geneesmiddel tegen scheurbuik. De overwinteraars op Nova Zembla in 1596 hebben onder andere door het eten van deze plant hun beproeving overleefd. In de volksgeneeskunde werd de plant tegen allerlei kwaaltjes toegepast, zoals kiespijn, jicht en huidaandoeningen. Een extract van de plant werd gebruikt als poetsmiddel bij mondklachten.