(Geum urbanum)
Langs bos- en wegranden, in kreupelhout en op wat vochtige schaduwrijke plaatsen vinden we bil ons algemeen deze bescheiden Roosachtige, die wat bladvormen, bloemen en vruchten betreft, duidelijk zijn verwantschap met deze grote familie bewijst. In het weelderige groen van de maand mei valt dit bescheiden plantje nauwelijks op. Het is pas beter te herkennen als later (juni-juli) de glanzend-gele bloeiwijzen (armbloemige bijscher-men) ontstaan. Deze liggen aan rechtopstaande, ronde stengels die zittende bladeren dragen. De bovenste zijn drietallig of driedelig, zachtgroen aan de bovenzijde, felgroen aan de onderzijde. Opvallend zijn de grote, bladachtige, bijna cirkelvormige steunbladeren. De bloemen zijn opgebouwd volgens het klassieke model van de roos. Er zijn vijf gele, afstaande kroonbladeren en de kelk is groen en puntig (aan de vrucht teruggeslagen). Een fraai harmonisch beeld. Na de bloei vormen zich de kleine vruchten met hun aan de top haakvormig omgebogen, roodachtige naald, in de schijnvruchten. Met elkaar vormen ze een aardig kwastje. In het voorjaar worden de jonge bladeren verzameld. Voor groentesoep worden ze fijngesneden, zachtgekookt, gestoomd en dan in bouillon verder toebereid. De aromatisch riekende bladeren worden, fijngesneden, in kleine hoeveelheden aan salades toegevoegd. De gedroogde wortelstok ruikt eveneens aromatisch ('Benedictwortel') en behoort tot de geneesmiddelen tegen darmcatarre en wordt gebruikt als tinctuur tegen ontstoken tandvlees.