Duizendblad
(Achillea millefolium)

Pas in de bloeitijd is duizendblad goed te herkennen. Het donkergroene, mosachtige kussen van zeer fijne blaadjes bedekt - nauwelijks enkele centimeters hoog - langs wegbermen en dijken hier en daar de bodem en wordt alleen waargenomen door plantkundigen. In de zomer is er geen twijfel meer mogelijk. Dan groeien bij ons - ook op bosgrond en ruige plaatsen - de 45 cm hoge stengels, niet-bloeiende en bloeiende, uit de kruipende wortelstok omhoog. Er zitten smalle, geveerde bladeren aan met heel fijne, donkergroene, gedeelde blaadjes (millefolium = duizendbladig). De bovenaan vertakte stengel eindigt in kleine hoofdjes die tot een tamelijk dichte, schermvormige pluim verenigd zijn. De straalbloemen van een hoofdje zijn wit of roze, de schijf bloemen geel of witachtig. In het gebergte hebben de hoofdjes vaak een karmijnrode kleur. Dwergvormen leven tot hoogten van 3000 m. In Nederland is het duizendblad een zeer algemene plant die - met roze of rode straalbloemen - ook als sierplant voorkomt. Duizendblad behoort tot de bitteraromatische, nog steeds hooggewaardeerde geneeskrachtige planten. We verzamelen in mei-juli de vers uitgelopen grondbladeren die dikwijls zichtbaar worden tussen de verdorde bladeren van het voorjaar. Zelfs in de herfst is de plant op droge plaatsen nog te vinden. De fijne blaadjes moeten zeer goed afgespoeld worden. Het lichtbittere, kenmerkende aroma werkt het beste als we de blaadjes fijnsnijden en als kruiden aan salades en groenten toevoegen. Oudere bloemen worden vóór het gebruik eerst in heet water 'gebroeid'. Ook in brandewijn komt het aroma goed tot zijn recht.