Veldzuring
(Rumex acetosa, Rumex acetosa var. hortensis)

Plattelandskinderen in bet oosten van ons land kennen de veldzuring onder de naam 'zurkel' (of 'zuurling'). Ze knabbelen in het voorjaar op de jonge bladeren die zeer zuur smaken en niet erg gezond zijn (oxaalzuur). Als nauwe verwant van de (wilde) rabarber groeit de veldzuring vaak met andere soorten van het laagland tot in alpine gebieden. In Nederland komt hij algemeen voor in weiden en langs wegen. De overblijvende plant vormt uit een stevige, vrij lange penwortel weelderige bosjes van langgesteelde, helgroene, eironde en pijlvormige bladeren. In het voorjaar ontstaan enkele gegroefde stengels, 50-100cm hoog, gekroond door een aantal karmijnrode bloemtrossen die samen een pluim vormen (mei-juni). Tussen grassen en boterbloemen trekken ze te midden van het weidegroen onze aandacht. Aan de stengel zitten kleine, stengelomvattende en spitse bladeren. Na bet einde van de bloeitijd dragen de rijpe vruchtjes kleine vleugeltjes, zodat ze door de wind verspreid worden. Zo wordt de soort sterk verbreid. De verse, jonge bladeren bevatten behalve het giftige oxaalzuur (dat ook in spinazie 'voorkomt) veel vitamine C. Daarom zijn ze een geliefde voorjaarsgroente.

De zuurachtige smaak van enkele verse bladeren geeft aan soepen den aangenaam zuur aroma. Stengel toppen met knoppen worden gestoomd als groente. Gehele bladeren worden samen met spinazie of zachte, slijmbevattende planten gekookt. Ze gelden als gewaardeerde toegift bij de dagelijkse kost. Vis die bij het stoven in zuringbladeren wordt gewikkeld, smaakt uitstekend.