DefiniciónBepalen
Bepaling
Definitie
Definiëren
Omschrijven
Omschrijving. EsHij/u/men/het/er/ge/gij/'t gebeurt
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t heeft plaats
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t is
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t vindt plaats un cocimientoEen bakken
Een koken secoDroog que usanZij/ze benutten
Zij/ze beschikken over
Zij/ze disponeren
Zij/ze gebruiken
Zij/ze wenden aan los cortesDe coupons
De sneeën
De snitten adecuadosAdequaat
Adequate
Afdoend
Afdoende
Bruikbaar
Bruikbare
Doeltreffend
Doeltreffende
Effectief
Effectieve
Geschikt
Geschikte
Werkdadig
Werkdadige
Werkzaam
Werkzame de avesGevogelte
Pluimvee
Vogels, carnesVlezen y pescadosVisgerechten
Vissen paraBaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! un cocimientoEen bakken
Een koken largoLang.
MÉTODOMethode PARABaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! ROSTIZARBraden AVESGevogelte
Pluimvee
Vogels.
11
Een. PrendeHij/u/men/het/er/ge/gij/'t neemt een onderpand
van
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t steekt op
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t wint de genegenheid
van
Ik neem een onderpand
van
Ik win de genegenheid
van
Neemt u een onderpand
van!
Steek op!
Wint u de genegenheid
van! el hornoDe kachel
De oven a 190° C.
22
Twee. Se lavaMen wast y desplumanZij/ze plukken
Zij/ze plukken kaal.
33
Drie. Se quemaHij/u/men/het/er/ge/gij/'t brandt
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t brandt aan
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t brandt zich.
44
Vier. SalpimientaHij/u/men/het/er/ge/gij/'t kruidt met zout
en peper
Kruid met zout en
peper!.
55
Vijf. PesarWegen.
NOTABemerk!
Merk op!
Merk!
Noteer!
Opmerking
Schrijf op!
Stel te boek!
Teken aan!: se pesaBen zwaar!
Bepaal het gewicht!
Gewicht
Weeg af!
Weeg! paraBaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! conocerKennen el tiempoDe poos
De tijd
De weersomstandigheden
De werkwoordstijd
Het weder de cocimientoKoken adecuadoGeschikt.
66
Zes. Se poneDoet erbij
Men legt
Men plaatst
Wordt gedaan en el hornoDe kachel
De oven sobre unaOp een rejillaRooster para queZodat hayaBeukennootje
Heeft u!
Is u! circulaciónCirculatie
Circuleren
Passage
Rondgaan
Rouleren
Stromen
Verkeer de aireLucht.
77
Zeven. Media horaEen half uur antes deAlvorens te
Voor terminarAfmaken el cocimientoHet bakken
Het koken se poneDoet erbij
Men legt
Men plaatst
Wordt gedaan el mirepoixMirepoix.
88
Acht. SacaBehaal!
Breng naar buiten!
Doe af!
Doe uit!
Haal eruit!
Haal te voorschijn!
Haal uit
Haal uit!
Haal van!
Haal!
Hoos!
Krijg uit!
Leg af!
Ontleen!
Put!
Schep!
Trek uit!
Zet af! el aveDe vogel
Het gevogelte del hornoOven y dejaLaat
Laat achter!
Laat begaan!
Laat in de steek!
Laat los!
Laat na!
Laat over!
Laat schieten!
Laat!
Leen!
Legateer!
Lever op!
Sta toe!
Verlaat je van!
Verlaat!
Vermaak!
Vertrouw toe!
Verzuim! reposarLaten rusten
Rusten NOTABemerk!
Merk op!
Merk!
Noteer!
Opmerking
Schrijf op!
Stel te boek!
Teken aan!: noNee
Neen
Niet
Nietwaar
No
Of men wil of
niet
Tegen wil en dank se debeHij/u/men/het/er/ge/gij/'t heeft veel verplichtingen
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t is te danken
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t is te wijten
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t is veel veplicht cortarHakken
Snijden la carneHet vlees alNaar de
Naar het momentoOgenblik de sacarlaEruit halen del hornoOven, siempreAltijd se dejaMen laat 1010
Tien minutosMinuten mínimoMinimum paraBaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! reposarLaten rusten
Rusten.
GRAVY 11
Een. Se pone a calentarMen verwarmt la charola paraBaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! evaporarVerdampen el aguaHet water que quedoIk ben
Ik bevind me
Ik blijf
Ik pas
Ik raak in een
bepaalde toestand
Ik spreek af
Ik sta
Stil
Stille y asíZo poderKunnen quitarVerwijderen la grasaDe/het smeer
Het vet.
22
Twee. Se cuelaMen zeeft el mirepoixMirepoix.
33
Drie. Deglasar la charola conMet vino blancoWitte wijn conMet las verdurasDe groenten
De groentes adentroBinnen.
44
Vier. Se poneDoet erbij
Men legt
Men plaatst
Wordt gedaan harinaMeel paraBaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! absorberAbsorberen
Opnemen los residuosDe afbraakproducten
De bezinksels
De overblijfselen
De overblijfsels
De overschotten
De residu's
De residuen
De resten de grasaVet.
55
Vijf. Se poneDoet erbij
Men legt
Men plaatst
Wordt gedaan fondoBodem
Fond o aguaBegiet!
Besproei!
Bevloei!
Geef water!
Giet!
Leng aan!
Sproei!
Verdun met water!
Water
Water!.
66
Zes. Se cuelaMen zeeft y sazonaAssaisoneer!
Breng op smaak!
Kruid
Kruid!.
MÉTODOMethode PARABaart u!
Bevalt u!
Blijf staan!
Brengt u teweeg!
Brengt u voort!
Doe ophouden!
Houd aan!
Houd halt!
Houd op!
Houd stil!
Keer!
Leg stil!
Om
Schenkt u het leven!
Sla af!
Sta stil!
Stel buiten werking!
Stop!
Stuit!
Voor
Zet af!
Zet stil!
Zet stop! ROSTIZARBraden CARNE DE RESRundvlees 11
Een. PrendeHij/u/men/het/er/ge/gij/'t neemt een onderpand
van
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t steekt op
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t wint de genegenheid
van
Ik neem een onderpand
van
Ik win de genegenheid
van
Neemt u een onderpand
van!
Steek op!
Wint u de genegenheid
van! el hornoDe kachel
De oven a 190° C.
22
Twee. SalpimentarMet zout en peper
kruiden.
33
Drie. SellarDichtschroeien.
44
Vier. PesarWegen. (2525
Vijfentwintig minutosMinuten por kiloKilo)
55
Vijf. Se poneDoet erbij
Men legt
Men plaatst
Wordt gedaan en una rejillaEen bagagenet
Een rooster.
66
Zes. RostizarBraden.
77
Zeven. Se sacaMen haalt eruit
Men haalt uit del hornoOven y se dejaMen laat reposarLaten rusten
Rusten mínimoMinimum 2020
Twintig minutosMinuten.
GRAVY EsHij/u/men/het/er/ge/gij/'t gebeurt
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t heeft plaats
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t is
Hij/u/men/het/er/ge/gij/'t vindt plaats igual queEvenals
Zoals en avesGevogelte
Pluimvee
Vogels peroMaar lleva(Het) bevat
Bereken!
Breng bijeen!
Breng in rekening!
Breng mede!
Breng mee!
Breng weg!
Breng!
Draag!
Heb aan!
Heb op!
Heb voor!
Neem mee!
Vervoer! vino tintoRode wijn en lugarPlaats de vino blancoWitte wijn.
De los siguientes palabras hay una foto:
Agua
Aves
Carne de res
Haya