Ruige weegbree
(Plantago media)

De weegbree verraadt reeds door zijn naam de meest voorkomende standplaats, wegbermen, maar groeit ook op dijken en graslanden. Het zijn zeer moedige individualisten, die niet bang zijn voor platgetrapte paden en karrensporen, vaak op ruige plaatsen worden aangetroffen en stand houden tot hoogten van 3000 meter. Ze volgen de 'voetsporen' van de mens, waarbij de smalle weegbree meer dan weideplant is en de ruige een ruderale plant. Het typische kenmerk is de op de korte wortelstok zittende rozet van uitgespreide bladeren. De soorten worden onderscheiden naar de breedte hiervan, wat op de tekening van de beide soorten te zien is. De smalle weegbree beeft lancet- tot lijn-lancetvormige bladeren, die van de ruige weegbree zijn eirond of elliptisch en vrij dicht behaard. Opvallend is ook de bladloze, rechtopstaande stengel, waardoor de beide soorten tot 45 cm hoog worden. Bovenop zit den losse bloemkwast, een aar; bij de smalle weegbree met geelwitte, soms donkergele meeldraden, bij de ruige met witte helmknopjes en lila steeltjes (helmdraden), resp. Mei-herfst en mei-juni. De bitterslijmerige smaak van de bladeren verraadt ook bun inhoud: veel slijm en wat bitterstof. Jonge, zachte bladeren van de smalle weegbree worden goed gewassen en met andere wilde groenten gekookt tot een kruidensoep.

Oudere bladeren van de beide soorten worden eerst geweekt en dan wondt geprobeerd aan de rugzijde de bladnerven eruit te trekken, zo ongeveer als bij bonen. Fijngesneden en meegekookt geven ze verschillende groenten een steviger samenstelling. Gerechten uit smalle weegbree kunnen ook dienen als dieetvoedsel bij slijmvliesontstekingen in maag en dam.