Beekpunge
(Veronica beccabunga)

Van de 22 in ons land in het wild levende soorten ereprijs is de beekpunge zeer algemeen. De plant valt op door de robuuste groei en heeft, zoals de naam reeds zegt, voorkeur voor vochtige plaatsen. Daarom is de meeste kans op succes als men zoekt langs waterkanten. De vlezige, dikke, bijna rolronde stengel wordt tot 50 cm hoog. Het onderste deel is hangend en op de knopen wortelend, verder opstijgend en vertakt. Hij draagt de vrij grote, sappige, ovale bladeren met een iets gekarteld gezaagde rand (of bijna gaafrandig). Ze staan tegenover elkaar. Uit de bladoksels ontspringen de bloeistengels met veelbloemige maar ijle trossen van diep blauwe, kleine 'leeuwenbekjes' (mei-sept. ). De beekpunge werd vroeger gebruikt om de stofwisseling en de leverfuncties te prikkelen. Ze smaakt iets bitter en werkt samentrekkend. Evenals bij het verzamelen van de waterkers riskeren we een voetbad of uitglijden in de modder. Daar aan waterplanten vaak eieren van parasieten zitten, wordt het verzamelde materiaal zorgvuldig meermalen uitgespoeld. De jonge stengels en de bladeren dienen als wilde groente. Vaak worden ze vermengd met andere 'sla', zoals waterkers, of met kropsla. Door te kruiden met citroen wordt de bittere smaak verzacht. Meegekookt met spinazie werkt het aroma, resp. De smaak heel aangenaam.