(Galeobdolon luteum, Lamiastrum galeobdolon, Lamiastrum galeobdolon var. florentinum, Lamiastrum galeobdolon var. galeobdolon, Lamiastrum galeobdolon var. montanum, Lamium galeobdolon)
De Gele dovenetel is wat zeldzamer dan de Paarse of Witte dovenetel (Lamium purpureum en Lamium album), maar komt toch vrij algemeen voor in vochtige loofbossen of tussen het kreupelhout. Van alle soorten Dovenetel zijn de jonge bladeren eetbaar en we kunnen ze bereiden als bladgroente. De Nederlandse naam komt van de gelijkenis van deze plant met de Brandnetel. Een 'dove' of doffe netel is een netel die niet brandt. De gelijkenis is zo sterk, dat vroeger de officiële naam van de plant zelfs Urtica mortua (Dode brandnetel) was. Toch is de plant op geen enkele manier familie van de Brandnetel. De naam Lamium komt van het Griekse woord lamos dat muil betekent en dat slaat op de vorm van de lipbloem. De Dovenetel werd in de volksgeneeskunde wel toegepast bij menstruatieproblemen. Hiervoor wordt in de homeopathie nog steeds een extract van de verse bladeren voorgeschreven.