(Tussilago farfara)
Na de winter trekken de eerste wandelaars in de nog bleke stralen van het maartzonnetje naar buiten. Maar het klein hoefblad heeft zijn goudgele bloemkransjes reeds geopend. Ze zitten op spitsgeschubde, korte, roodbruine stengels, 7 tot 25 cm hoog. Onverwachts - na een klein beetje warmte en wat vocht - zijn ze er en spoedig daarna verschijnen dicht bij de grond de bladrozetten die meer en meer de vochtige grond bedekken. De bijna ronde bladeren hebben een diep hartvormige voet en hun rand draagt ongelijke tanden. Ze zijn zo groot als een schoteltje en aan de bovenzijde zachtgroen en glanzend. De onderzijde wordt beschermd tegen de bodemvochtigheid door een witviltig dons. Maar vóór de bladeren zijn en al goudgele bloempjes geweest die samen een hoofdje vormen (maart-mei). Klein hoefblad is een reeds lang bekende geneeskrachtige plant die in de bladeren veel slijm, looistof en kalium bevat en in de bloemen behalve de geneeskrachtige kleurstof, een honingachtig aroma. Wie van de bloemen niet wil profiteren bij een theemengsel tegen het hoesten, gebruikt ze - evenals de knoppen - als toegift bij soep en salade. De nog zachtharige bladeren kunnen tot eind mei geplukt worden. Ze kunnen gebruikt worden zoals spinazie of hieraan worden toegevoegd. Gehaktballen kunnen in zacht geurende bladeren worden gewikkeld. Verder worden ze op deze wijze gebruikt zoals koolbladeren. Als na lange wandelingen voeten en benen pijn doen, werkt een omslag van kapot gescheurde hoefbladbladeren verkoelend en verzachtend.