(Lupinus pilosus, Lupinus polyphyllus)
Tot het geslacht Lupinus behoren ongeveer 300 soorten, die uit twee genencentra afkomstig zijn: het Middellandse zeegebied en de westkust van Midden Amerika. De variatie tussen en binnen de soorten is zeer groot en biedt vele mogelijkheden voor de plantenveredeling.
Vier eenjarige soorten worden voor de zaadopbrengst geteeld:
• Lupinus albus (witte lupine) in het Middellandse Zee gebied • Lupinus mutabilis (Andes lupine) in de Andes.
• Lupinus luteus (gele lupine) uit het Middellandse Zee gebied.
• Lupinus angustifolius (blauwe of smalbladige lupine) uit het Middellandse Zee gebiedGele en blauwe lupines worden verbouwd sinds in de 20-er jaren van de vorige eeuw alkaloïdarme rassen gekweekt zijn. De zaden van deze vier soorten bevatten 35 à 42% eiwit; zaad van Andes lupine en van witte lupine is daarnaast vethoudend (respectievelijk 13 à 23% en 10 à 16%). In tegenstelling tot veldboon en erwt, bevat zaad van lupine geen trypsineremmers en slechts een geringe hoeveelheid saponinen hetgeen de voederwaarde ten opzichte van de eerstgenoemde gewassen verhoogt. Zaden van lupine (Lupinus albus, Lupinus luteus, Lupinus angustifolius) hebben een hoog eiwitgehalte vergeleken met dat van andere zaadgewassen doch lager dan dat van soja. De aminozuursamenstelling van leguminosen is goed, alleen de niveaus van tryptofaan en de zwavelhoudende aminozuren zijn suboptimaal. Het gehalte aan lysine en threonine in het eiwit is hoog; hierdoor is het eiwit qua samenstelling complementair aan dat van granen. Leguminosen bevatten zogenaamde antinutritionele factoren (ANF): stoffen die de verteerbaarheid verminderen. De belangrijkste ANF's zijn: alkaloïden en tanninen, fytaat, proteaseremmers, lectines, saponines en oligosachariden.