(Dipsacus fullonum, Dipsacus sylvestris)
Deze planten beginnen in het voorjaar met overjarige zaailingen en groeien dan in korte tijd uit tot een stevige rozet waaruit ongeveer in mei ineens de bloemstelen omhoog prangen.
Omstreeks augustus hebben ze dan de bloeihoogte bereikt. Dat is al gauw 2 tot 2,5 meter hoog! De bloei zelf is opmerkelijk, omdat de bloemen eerst in het midden van de hoofdjes begint. Van daaruit gaat de bloei verder naar onderen en boven.
Vroeger werden de bloembodems met stroschubben van een gekweekte soort, Dipsacus sativus L Honck (Weverskaardebol), gebruikt voor het kaarden ofwel verwijderen van vlokwol van weefsels. Eerst deed men dat met de hand. Later werd het proces met machines overgenomen. De Weverskaardebol werd als tweejarig gewas dan ook intensief verbouwd. In de geneeskunde wordt van de Wilde Kaardenbol de wortel gebruikt.
De wetenschappelijke naam van de plant is afgeleid van het Griekse "dipsan akeomai" "ik les de dorst".
Deze naam heeft de plant te danken aan de grote tegenoverstaande bladeren, die aan de basis met elkaar vergroeid zijn. Hierdoor ontstaat er een soort vangbekken voor regenwater.
Eigenschappen: bloedzuiverend; eetlust opwekkend; urinedrijvend; zweetdrijvend.